Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20325

2026-07-14 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.63188 en NL25.63189
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.63188 en NL25.63189
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel; Pakistaanse nationaliteit; de (kopie van de) aangifte tegen eiser onderbouwt de biseksuele geaardheid niet; de gestelde relatie(groei) is geen nieuw element; terugkeerbesluit en inreisverbod blijven in stand; verweerder heeft de aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond; het beroep is ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.079 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL25.63188 en NL25.63189


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen





[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. D. van Elp),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 7 december 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 20 december 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.



1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1999. Eiser heeft twee keer eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan zijn eerste asielaanvraag van 27 november 2022 heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft vanwege zijn biseksuele geaardheid. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Dit besluit is na uitspraken van de rechtbank en de hoogste bestuursrechter in rechte vast komen te staan. Eisers tweede asielaanvraag van
11 november 2025 is buiten behandeling gesteld omdat eiser het aanvraagformulier niet volledig en duidelijk had ingevuld. Ook dit besluit staat in rechte vast.

3. Op 7 december 2025 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser legt aan deze aanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is erachter gekomen dat tegen hem aangifte is gedaan omdat hij ervan wordt beschuldigd zijn vorige partner, [naam 1] , te hebben gedood. Daarnaast heeft eisers vader hem onterfd vanwege zijn biseksuele geaardheid. Eiser legt in deze procedure een kopie van de aangifte en een verklaring van zijn vader over de onterving over. Daarnaast is de relatie van eiser met zijn huidige partner, [naam 2] , geïntensiveerd sinds de vorige aanvraag en geldt dat als verdere indicatie van zijn biseksualiteit. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser foto’s en berichten overgelegd.

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:


de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;


de onterving van eiser door zijn vader; en


eisers (nieuwe) problemen vanwege zijn biseksuele gerichtheid.



5. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De onterving heeft verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld omdat dit motief ongeacht de geloofwaardigheid geen aanleiding geeft om een asielvergunning te verlenen. Eisers problemen vanwege zijn biseksuele gerichtheid heeft verweerder niet getoetst, omdat deze al in eisers eerste asielprocedure zijn beoordeeld. De aangifte is in deze procedure nieuw, maar niet relevant voor de beoordeling. Dat eisers relatie geïntensiveerd is, geldt niet als nieuw element omdat de relatie in de vorige aanvraag al is beoordeeld en omdat eiser heeft aangegeven dat er geen wijzigingen zijn in zijn partnersituatie. Eiser heeft daarom geen gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin en hij loopt geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Verweerder wijst de aanvraag van eiser af als kennelijk ongegrond omdat het gaat om een opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard.



Wat vindt eiser in beroep?



6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst is de aangifte nieuw en relevant, nu deze eisers problemen onderbouwt en eiser er tijdens de vorige procedure nog niet van op de hoogte was. Ook de onterving had inhoudelijk beoordeeld moeten worden, omdat deze samenhangt met eisers biseksuele geaardheid en deze nader onderbouwt. Hetzelfde geldt voor eisers geïntensiveerde relatie. Eiser verwijst naar verschillende rechtbankuitspraken. Eiser betoogt tot slot dat verweerder het eerder opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod niet mocht handhaven zonder een actuele beoordeling te maken op basis van het arrest Ararat.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



7. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.

8. De rechtbank stelt allereerst vast dat met eisers eerste asielprocedure in rechte vast is komen te staan dat verweerder eisers biseksuele geaardheid ongeloofwaardig mocht vinden. In die procedure zijn eisers gestelde relaties met [naam 1] en [naam 2] betrokken en is vast komen te staan dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gevoelens en de relaties. Ook is meegenomen dat eiser met [naam 2] zou samenwonen.



De toets door de rechtbank


9. De rechtbank stelt voorop dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Ebilum heeft geoordeeld dat asielrechters een volledig en ex nunc onderzoek moeten verrichten naar alle feitelijke en juridische elementen in een zaak. Daarom toetst de rechtbank het besluit volledig en zonder terughoudendheid, waarbij zij afziet van termen als ‘niet ten onrechte’ bij het beoordelen van het standpunt van verweerder over de geloofwaardigheid van verklaringen.



De onterving en de aangifte


10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, gelet op de eerdere procedure, de aangifte de biseksuele geaardheid niet alsnog geloofwaardig heeft gemaakt. Wat er namelijk in die aangifte staat, nog los van het een feit dat het een kopie is die niet op echtheid kan worden onderzocht, heeft eiser in de eerdere procedure ook verklaard en is door verweerder ook beoordeeld, te weten dat [naam 1] `s familie eiser het overlijden van [naam 1] verwijt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit niet alsnog het relaas, voor zover dat ziet op de biseksuele geaardheid van eiser, onderbouwt en om die reden is de aangifte dan ook niet relevant.

11. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat de onterving, ongeacht de geloofwaardigheid van de verklaring van eiser dát hij is onterfd, geen vluchtelingschap of reëel risico op ernstige schade oplevert. Verweerder heeft eiser namelijk niet hoeven volgen in zijn verklaring dat uit de verklaring van eisers vader over de onterving blijkt dat eisers biseksualiteit hieraan ten grondslag ligt.



Eisers gestelde (nieuwe) relatie met [naam 2]


12. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de gestelde relatie met [naam 2] geen nieuw element is. Verweerder stelt terecht dat eiser zelf heeft verklaard dat er sinds de vorige procedure niets is veranderd in zijn partnersituatie. De gestelde relatie is destijds al behandeld en beoordeeld. Eisers verklaringen over zijn relatie met [naam 2] werden niet overtuigend bevonden. De door eiser bij de zienswijze overgelegde foto’s en berichten zien ook op de reeds bekende gestelde relatie, en dus concludeert verweerder terecht dat ook deze geen nieuw element vormen. De door eiser aangehaalde jurisprudentie maakt dit oordeel niet anders, want daaruit blijkt niet dat er voor verweerder een verplichting bestaat om een door eiser gestelde ‘relatiegroei’ te toetsen.



Het terugkeerbesluit en het inreisverbod


13. Eisers betoog dat verweerder niet zonder meer mag verwijzen naar een eerder opgelegd terugkeerbesluit en inreisverbod slaagt niet. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser zoals hiervoor overwogen terecht afgewezen als kennelijk ongegrond, daarom blijven het terugkeerbesluit en inreisverbod in stand. Verweerder grijpt daarvoor terug naar het terugkeerbesluit dat eiser op 11 juni 2025 heeft gekregen. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat dit terugkeerbesluit nog geldig is, omdat eiser niet is teruggekeerd naar Pakistan. Ook het op 19 november 2025 opgelegde inreisverbod is nog geldig. De periode start pas zodra eiser Europa verlaat. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder een inhoudelijke beoordeling had moeten maken van het risico dat eiser loop op refoulement bij terugkeer naar Pakistan, is de rechtbank van oordeel dat dit niet slaagt, omdat verweerder in het bestreden besluit reeds heeft getoetst aan artikel 3 van het EVRM en terecht heeft geconcludeerd dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij heeft eiser niet gesteld waaruit blijkt dat hij te vrezen heeft voor schending van het non-refoulement beginsel bij terugkeer.




Conclusie en gevolgen

14. Verweerder heeft de aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

15. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

16. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.



Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.


Zie de uitspraak van deze rechtbank van 10 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:19405) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 november 2025.


Zie paragraaf C1/4.1, onder 5 en 6, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).


Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Zie de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 21 juni 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:16141) en van 18 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:21952) en van zittingsplaats Zwolle van 16 september 2022 (ECLI:NL:RBOVE:2022:2619).


De uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder rechtsoverweging 58.