Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20323

2026-07-24 Bestuursrecht SGR 25/8423
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-24
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/8423
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WHT, ntb

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.535 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 25/8423


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen



[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.T. Poort),


en




Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld).




Inleiding


Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op haar aanvraag om herbeoordeling kinderopvangtoeslag.



Verweerder heeft een verweerderschrift, gedateerd op 15 december 2025, ingediend.



De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

2. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 4 april 2024. Bij besluit van 29 mei 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat deze te laat is ingediend. Bij besluit van 14 november 2024 heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Naar aanleiding van het daartegen gerichte beroepschrift, heeft verweerder bij besluit van 12 juni 2025 het besluit op bezwaar ingetrokken en geoordeeld dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn geweest waarom zij zich niet tijdig heeft kunnen aanmelden. Verweerder heeft daarom het bezwaar gegrond verklaard en te kennen gegeven dat de aanvraag alsnog in behandeling zal worden genomen.

3. Eiseres heeft verweerder op 10 oktober 2025 in gebreke gesteld en meer dan twee weken daarna beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek. Niet gebleken is dat verweerder alsnog heeft beslist op het verzoek.

4. Verweerder moet binnen zes maanden beslissen op de aanvraag. Dat staat in artikel 6.2, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). In geschil is op welk moment de beslistermijn is aangevangen. Volgens eiseres moet voor de aanvang van de beslistermijn worden uitgegaan van de datum van de aanvraag, 4 april 2024. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslistermijn is begonnen op 12 juni 2025, de datum waarop verweerder heeft besloten de aanvraag alsnog in behandeling te nemen.

5. De rechtbank overweegt dat verweerder in reactie op de ingebrekestelling een dwangsombesluit heeft genomen. In dit besluit heeft verweerder vermeld dat hij het verzoek voor een herbeoordeling kinderopvangtoeslag op 4 april 2024 heeft ontvangen en dat hij vanaf 4 oktober 2024 te laat is met beslissen. Dit besluit heeft formele rechtskracht. De stelling van verweerder ter zitting dat het zou gaan om een ambtelijke misslag maakt dat niet anders. De rechtbank zal in deze procedure er dan ook vanuit gaan dat de beslistermijn op 4 oktober 2024 is verstreken en ziet daarom geen aanleiding om nader in te gaan op de vraag die partijen verdeeld houdt.

6. Het beroep is gelet op voorgaande gegrond.

7. Verweerder heeft bij beschikking van 16 december 2025 de dwangsom vastgesteld op het maximale bedrag van € 1.442,-. De rechtbank hoeft hier daarom geen oordeel over te geven.
8. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen op het verzoek van eiseres, zal de rechtbank bepalen dat verweerder dit alsnog moet doen.



Nadere beslistermijn


9. Sinds het uitbrengen van het verweerschrift zijn meer dan zes weken verstreken. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb, de door verweerder naar voren gebrachte argumenten en de toepasselijke jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zal de rechtbank verweerder dan ook opdragen binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een schriftelijke vooraankondiging als bedoeld in artikel 6.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen te doen. Vervolgens moet verweerder binnen twee weken na ontvangst van een zienswijze op de vooraankondiging of binnen twee weken na het verstrijken van de termijn om te reageren op de vooraankondiging, een besluit op het verzoek bekendmaken.

10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde eerste termijn voor het doen van een vooraankondiging overschrijdt. De dwangsom loopt door tot op het moment dat de vooraankondiging is verzonden. Als verweerder (ook) de tweede termijn voor het nemen van een besluit overschrijdt, loopt de dwangsom (weer verder) tot het moment dat verweerder het besluit op het verzoek bekendmaakt. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.




Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder overweging 9 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder overweging 10 genoemde dwangsom wordt opgelegd.

12. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak in beginsel behoort in de categorie gemiddeld (wegingsfactor 1), tenzij duidelijke redenen aanwezig zijn om hiervan af te wijken. Een andere wegingsfactor dan 1 wordt naar vaste rechtspraak slechts gehanteerd bij een naar juridische en/of feitelijke complexiteit van het gemiddelde afwijkende zaak. Een situatie als aan de orde, waarin uitsluitend dient te worden beoordeeld of de beslistermijn is overschreden en een dwangsom is verbeurd, is grond om af te wijken van de wegingsfactor 1 (gemiddeld). Niet het aantal en de omvang van de door de gemachtigde van eiseres opgestelde documenten zijn doorslaggevend voor het oordeel of de zaak bewerkelijk is, maar het gewicht van de zaak en de activiteiten die de gemachtigde in dat kader heeft moeten verrichten. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 is de rechtbank van oordeel dat in dit geval wegingsfactor 0,5 (licht) voor het instellen van beroep op zijn plaats is.

13. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;




draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na de verzending van deze uitspraak een schriftelijke vooraankondiging te doen en vervolgens binnen een termijn van twee weken na de zienswijze of na het verstrijken van de termijn om deze in te dienen een besluit te nemen op het verzoek;


bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;




veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres;


bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.





Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.


Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.


Op grond van artikel 4:17 van de Awb.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209.


Beleid extra dwangsom (zie www.rechtspraak.nl).


Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:829.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3403.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253.