Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20319
2026-07-16
Bestuursrecht
SGR 25/2216
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aanvraag kindgebonden budget afgewezen, want te laat ingediend.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2023:772 Raad van State 01-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2026:1834 Raad van State 01-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.411 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2216
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: J. Scheurwater en J. Chattou).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor kindgebonden budget over 2023.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 11 oktober 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft nadere stukken overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn echtgenote en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 23 september 2024 een aanvraag gedaan voor kindgebonden budget over 2023. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat deze niet uiterlijk op 1 september 2024 is ontvangen en daarom te laat is. De door eiser naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden maken niet dat van de wettelijke aanvraagtermijn kan worden afgeweken.
Wat zijn de regels?
3. In artikel 15, eerste lid, van de Awir staat dat een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een berekeningsjaar tot 1 september van het jaar volgend op het berekeningsjaar kan worden ingediend bij de Dienst Toeslagen. Indien de belanghebbende of diens partner voor de in de eerste volzin genoemde datum is uitgenodigd om over het berekeningsjaar aangifte inkomstenbelasting te doen binnen een termijn die na die datum verloopt, wordt de in die volzin bedoelde termijn verlengd tot de laatste dag van de door de inspecteur voor het indienen van die aangifte gestelde termijn.
4. De termijn voor het indienen van een aanvraag voor kindgebonden budget over 2023 liep dus tot 1 september 2024.
Wat vindt eiser?
5. Eiser vindt dat verweerder met de afwijzing vanwege de termijnoverschrijding voorbij gaat aan de menselijke maat. De werkwijze van de Belastingdienst schiet tekort. Eiser wijst daarbij o.a. op de toeslagenaffaire, de intensievere toetsing op het evenredigheidsbeginsel in de rechtspraak en het wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb. Ook wijst eiser op een onderzoek naar de aanvraagprocedure bij Dienst Toeslagen en de omstandigheid dat de aanvraagtermijn inmiddels is verlengd tot 31 december van het volgende jaar. Nu worden personen toeslagen ontzegd, waar zij wel recht op hebben. Ook is er sprake van discriminatie, omdat burgers die ooit een toeslag hebben ontvangen wel automatisch kindgebonden budget krijgen en burgers die nooit toeslag hebben ontvangen niet. Er is sprake van een onrechtvaardig tweesporenbeleid. Daarbij komt dat de Belastingdienst alle informatie al heeft om te kunnen beoordelen of eiser voor kindgebonden budget in aanmerking komt. Het had in de lijn der verwachting gelegen dat de Belastingdienst eiser hier zelf over aanschrijft. De brief over kindgebonden budget die verweerder in 2019 aan eiser zou hebben gestuurd, heeft eiser nooit ontvangen. Eiser vraagt zich af waarom hij daarna nooit meer een brief hierover heeft ontvangen. Verder wijst eiser op de persoonlijke omstandigheden die ertoe hebben geleid dat hij net iets te laat is geweest met de aanvraag. Zo kwam zijn partner in oktober 2023 in een arbeidsconflict terecht en is zij vervolgens, na 27 jaar, ontslagen. Dit heeft grote impact op haar gehad. Daarbij komt dat in dezelfde periode hun zoon ernstig ziek is geworden. Verweerder had volgens eiser meer rekening moeten houden met deze omstandigheden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 15, eerste lid, van de Awir dwingend is geformuleerd en dat de tekst van de bepaling geen ruimte laat om af te wijken van de aanvraagtermijn. Voorts is het vaste rechtspraak dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de wetgever bedoeld heeft de mogelijkheid open te laten om onder omstandigheden af te wijken van de aanvraagtermijn. Het is inherent aan de keuze van de wetgever voor een ‘harde’ (aanvraag)termijn dat er gevallen zijn die buiten deze termijn vallen. Voor de toepassing van artikel 15, eerste lid, van de Awir heeft de wetgever niet voorzien in een uitzonderingsmogelijkheid. Daarmee heeft de wetgever bewust gekozen voor een beperkte aanvraagtermijn die tot gevolg heeft dat ouders die materieel gezien recht zouden hebben op een toeslag, hierop toch geen aanspraak kunnen maken als zij hun aanvraag te laat indienen.
7. Voor zover eiser een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat artikel 15, eerste lid, van de Awir niet kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. De Awir is namelijk een wet in formele zin. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, kan artikel 15, eerste lid, van de Awir daarom niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel, zoals ook neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en artikel 13b, tweede lid, van de Awir.
8. De Afdeling heeft in die uitspraak verder uiteengezet dat wel aanleiding kan bestaan voor zogenoemde contra-legem toepassing van algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Dit is het geval indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.8. Naar het oordeel van de rechtbank leiden de door eiser gestelde bijzondere omstandigheden er niet toe dat toepassing van artikel 15, eerste lid, van de Awir achterwege moet blijven. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de wetgever de aanvraagtermijn bewust heeft gekoppeld aan de termijn om aangifte inkomstenbelasting te doen, zodat mensen eerst weten hoe hoog hun inkomen is. De wetgever heeft daarbij een ruime termijn gegeven om kindgebonden budget aan te vragen. Zoals hiervoor is overwogen heeft de wetgever een bewuste keuze gemaakt voor een vaste aanvraagtermijn. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de wetgever met de gestelde aanvraagtermijn voldoende ruimte heeft geboden voor privé-omstandigheden en het risico dat iemand toeslagen misloopt heeft aanvaard. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden, leiden die niet tot het oordeel dat verweerder van de wettelijk gestelde aanvraagtermijn heeft moeten afwijken. De omstandigheid dat de aanvraag van eiser maar een paar weken te laat was, maakt dat niet anders. Voor zover eiser erop heeft gewezen dat de aanvraagtermijn inmiddels is verlengd tot 31 december van het opvolgende berekeningsjaar, overweegt de rechtbank dat deze wetswijziging geldt vanaf 1 januari 2026 en dat de wetgever daarbij geen overgangsrecht heeft opgenomen. In deze zaak geldt dan ook het recht zoals dat gold ten tijde van de aanvraag van eiser. Dat de wetgever nu anders tegen de aanvraagtermijn aankijkt, maakt niet dat de termijnoverschrijding van eiser anders moet worden beoordeeld ten aanzien van andere aanvragen uit dezelfde periode. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het huidige toeslagenstelsel te complex zou zijn en in de toekomst mogelijk zal worden vereenvoudigd.
9. De rechtbank stelt verder vast dat voor de Dienst Toeslagen geen verplichting bestaat om iedereen die mogelijk in aanmerking zou kunnen komen voor tegemoetkomingen individueel te informeren. Een dergelijke verplichting zou de Dienst Toeslagen ook niet kunnen nakomen, nu zij niet van iedereen over alle relevante gegevens beschikt. Het is dan ook aan eiser om een aanvraag in te dienen. Dat eiser de aanvraag niet tijdig heeft ingediend, behoort voor zijn rekening en risico te komen. De omstandigheid dat burgers die recht hebben op zorg- of huurtoeslag wel automatisch het kindgebonden budget ontvangen als zij aan de eisen voldoen, leidt niet tot een ander oordeel. In die gevallen beschikt de Dienst Toeslag wel over de relevante gegevens voor de beoordeling van het recht. De wetgever heeft voor die gevallen geregeld dat die koppeling wordt gemaakt. Voor zover eiser heeft gesteld dat de Belastingdienst over alle informatie beschikt voor een beoordeling over het kindgebonden budget, heeft verweerder er terecht op gewezen dat de Belastingdienst en Dienst Toeslagen verschillende organisaties zijn en daarom niet automatisch over dezelfde informatie beschikken. Ten aanzien van de brief uit 2019 over het kindgebonden budget heeft verweerder verklaard dat dit een brief was om burgers te informeren over een aanstaande wijziging van de inkomensgrens. De rechtbank begrijpt hieruit dat dit een algemene brief is geweest en dit leidt dan ook niet tot het oordeel dat verweerder gehouden was iedereen die in aanmerking zou kunnen komen voor kindgebonden budget aan te schrijven.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
Algemene wet bestuursrecht.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1834.
Artikel 5, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget (Wkgb).
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2216
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: J. Scheurwater en J. Chattou).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor kindgebonden budget over 2023.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 11 oktober 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft nadere stukken overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn echtgenote en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 23 september 2024 een aanvraag gedaan voor kindgebonden budget over 2023. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat deze niet uiterlijk op 1 september 2024 is ontvangen en daarom te laat is. De door eiser naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden maken niet dat van de wettelijke aanvraagtermijn kan worden afgeweken.
Wat zijn de regels?
3. In artikel 15, eerste lid, van de Awir staat dat een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een berekeningsjaar tot 1 september van het jaar volgend op het berekeningsjaar kan worden ingediend bij de Dienst Toeslagen. Indien de belanghebbende of diens partner voor de in de eerste volzin genoemde datum is uitgenodigd om over het berekeningsjaar aangifte inkomstenbelasting te doen binnen een termijn die na die datum verloopt, wordt de in die volzin bedoelde termijn verlengd tot de laatste dag van de door de inspecteur voor het indienen van die aangifte gestelde termijn.
4. De termijn voor het indienen van een aanvraag voor kindgebonden budget over 2023 liep dus tot 1 september 2024.
Wat vindt eiser?
5. Eiser vindt dat verweerder met de afwijzing vanwege de termijnoverschrijding voorbij gaat aan de menselijke maat. De werkwijze van de Belastingdienst schiet tekort. Eiser wijst daarbij o.a. op de toeslagenaffaire, de intensievere toetsing op het evenredigheidsbeginsel in de rechtspraak en het wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb. Ook wijst eiser op een onderzoek naar de aanvraagprocedure bij Dienst Toeslagen en de omstandigheid dat de aanvraagtermijn inmiddels is verlengd tot 31 december van het volgende jaar. Nu worden personen toeslagen ontzegd, waar zij wel recht op hebben. Ook is er sprake van discriminatie, omdat burgers die ooit een toeslag hebben ontvangen wel automatisch kindgebonden budget krijgen en burgers die nooit toeslag hebben ontvangen niet. Er is sprake van een onrechtvaardig tweesporenbeleid. Daarbij komt dat de Belastingdienst alle informatie al heeft om te kunnen beoordelen of eiser voor kindgebonden budget in aanmerking komt. Het had in de lijn der verwachting gelegen dat de Belastingdienst eiser hier zelf over aanschrijft. De brief over kindgebonden budget die verweerder in 2019 aan eiser zou hebben gestuurd, heeft eiser nooit ontvangen. Eiser vraagt zich af waarom hij daarna nooit meer een brief hierover heeft ontvangen. Verder wijst eiser op de persoonlijke omstandigheden die ertoe hebben geleid dat hij net iets te laat is geweest met de aanvraag. Zo kwam zijn partner in oktober 2023 in een arbeidsconflict terecht en is zij vervolgens, na 27 jaar, ontslagen. Dit heeft grote impact op haar gehad. Daarbij komt dat in dezelfde periode hun zoon ernstig ziek is geworden. Verweerder had volgens eiser meer rekening moeten houden met deze omstandigheden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 15, eerste lid, van de Awir dwingend is geformuleerd en dat de tekst van de bepaling geen ruimte laat om af te wijken van de aanvraagtermijn. Voorts is het vaste rechtspraak dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de wetgever bedoeld heeft de mogelijkheid open te laten om onder omstandigheden af te wijken van de aanvraagtermijn. Het is inherent aan de keuze van de wetgever voor een ‘harde’ (aanvraag)termijn dat er gevallen zijn die buiten deze termijn vallen. Voor de toepassing van artikel 15, eerste lid, van de Awir heeft de wetgever niet voorzien in een uitzonderingsmogelijkheid. Daarmee heeft de wetgever bewust gekozen voor een beperkte aanvraagtermijn die tot gevolg heeft dat ouders die materieel gezien recht zouden hebben op een toeslag, hierop toch geen aanspraak kunnen maken als zij hun aanvraag te laat indienen.
7. Voor zover eiser een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat artikel 15, eerste lid, van de Awir niet kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. De Awir is namelijk een wet in formele zin. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, kan artikel 15, eerste lid, van de Awir daarom niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel, zoals ook neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en artikel 13b, tweede lid, van de Awir.
8. De Afdeling heeft in die uitspraak verder uiteengezet dat wel aanleiding kan bestaan voor zogenoemde contra-legem toepassing van algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Dit is het geval indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.8. Naar het oordeel van de rechtbank leiden de door eiser gestelde bijzondere omstandigheden er niet toe dat toepassing van artikel 15, eerste lid, van de Awir achterwege moet blijven. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de wetgever de aanvraagtermijn bewust heeft gekoppeld aan de termijn om aangifte inkomstenbelasting te doen, zodat mensen eerst weten hoe hoog hun inkomen is. De wetgever heeft daarbij een ruime termijn gegeven om kindgebonden budget aan te vragen. Zoals hiervoor is overwogen heeft de wetgever een bewuste keuze gemaakt voor een vaste aanvraagtermijn. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de wetgever met de gestelde aanvraagtermijn voldoende ruimte heeft geboden voor privé-omstandigheden en het risico dat iemand toeslagen misloopt heeft aanvaard. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden, leiden die niet tot het oordeel dat verweerder van de wettelijk gestelde aanvraagtermijn heeft moeten afwijken. De omstandigheid dat de aanvraag van eiser maar een paar weken te laat was, maakt dat niet anders. Voor zover eiser erop heeft gewezen dat de aanvraagtermijn inmiddels is verlengd tot 31 december van het opvolgende berekeningsjaar, overweegt de rechtbank dat deze wetswijziging geldt vanaf 1 januari 2026 en dat de wetgever daarbij geen overgangsrecht heeft opgenomen. In deze zaak geldt dan ook het recht zoals dat gold ten tijde van de aanvraag van eiser. Dat de wetgever nu anders tegen de aanvraagtermijn aankijkt, maakt niet dat de termijnoverschrijding van eiser anders moet worden beoordeeld ten aanzien van andere aanvragen uit dezelfde periode. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het huidige toeslagenstelsel te complex zou zijn en in de toekomst mogelijk zal worden vereenvoudigd.
9. De rechtbank stelt verder vast dat voor de Dienst Toeslagen geen verplichting bestaat om iedereen die mogelijk in aanmerking zou kunnen komen voor tegemoetkomingen individueel te informeren. Een dergelijke verplichting zou de Dienst Toeslagen ook niet kunnen nakomen, nu zij niet van iedereen over alle relevante gegevens beschikt. Het is dan ook aan eiser om een aanvraag in te dienen. Dat eiser de aanvraag niet tijdig heeft ingediend, behoort voor zijn rekening en risico te komen. De omstandigheid dat burgers die recht hebben op zorg- of huurtoeslag wel automatisch het kindgebonden budget ontvangen als zij aan de eisen voldoen, leidt niet tot een ander oordeel. In die gevallen beschikt de Dienst Toeslag wel over de relevante gegevens voor de beoordeling van het recht. De wetgever heeft voor die gevallen geregeld dat die koppeling wordt gemaakt. Voor zover eiser heeft gesteld dat de Belastingdienst over alle informatie beschikt voor een beoordeling over het kindgebonden budget, heeft verweerder er terecht op gewezen dat de Belastingdienst en Dienst Toeslagen verschillende organisaties zijn en daarom niet automatisch over dezelfde informatie beschikken. Ten aanzien van de brief uit 2019 over het kindgebonden budget heeft verweerder verklaard dat dit een brief was om burgers te informeren over een aanstaande wijziging van de inkomensgrens. De rechtbank begrijpt hieruit dat dit een algemene brief is geweest en dit leidt dan ook niet tot het oordeel dat verweerder gehouden was iedereen die in aanmerking zou kunnen komen voor kindgebonden budget aan te schrijven.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
Algemene wet bestuursrecht.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1834.
Artikel 5, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget (Wkgb).