Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20274

2026-02-13 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.42238
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-02-13
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.42238
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel, Colombia, zwaarwegendheidsbeoordeling is niet op juiste wijze verricht, uitsluitend reëel risico op ernstige schade beoordeeld, verklaringen van eiser niet als uitgangspunt genomen, gegrond.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.458 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummers: NL25.42238 en AWB 25/18065


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S.N. Ali),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister de zogenoemde zwaarwegendheidsbeoordeling niet op juiste wijze heeft verricht. De minister heeft niet beoordeeld of eisers asielrelaas geloofwaardig is, maar uitsluitend of hij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister heeft bij deze beoordeling niet alle verklaringen van eiser als uitgangspunt genomen, terwijl hij dat wel had moeten doen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat een beschrijving van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarna volgt de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.




Procesverloop

2. Eiser heeft op 18 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

3. Eiser heeft zelfstandig beroep ingesteld, zaaknummer: AWB 25/18065. Deze zaak wordt gevoegd behandeld met het door eisers gemachtigde ingestelde beroep met zaaknummer: NL25.4228.

3.1.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank



Het asielrelaas


4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser wordt samen met zijn zus bedreigd door de Clan del Golfo. Eiser en zijn zus zijn sociale leiders in hun wijk en organiseren evenementen. Deze evenementen hebben onder andere als doel om jongeren uit de handen van bendes te houden. Op 20 februari 2023 zijn eiser en zijn zus naar [naam wijk] gegaan om jongeren uit te nodigen voor sportevenementen waarbij een sportbeurs kan worden gewonnen. Twee mannen op een motorfiets blokkeerden voor hen de weg en vroegen hun wat ze daar deden. Eiser vertelde de twee mannen over het sportevenement en één van de onbekende mannen vertelde hun dat zij voorzichtig moesten zijn. Hierna vertrokken zij. Enkele weken later, op 11 maart 2023, toen eiser en zijn zus speelgoed aan het uitdelen waren in dezelfde wijk, hoorden ze van een vrouw dat Paracos (paramilitairen van de Clan del Golfo) navraag deden naar hen. De aanleiding voor het vertrek van eiser en zijn zus vanuit Colombia op 7 april 2025 is de telefonische bedreiging aan eisers moeder die daarna volgde op 12 maart 2025. De man aan de telefoon vertelde eisers moeder dat eiser en zijn zus moesten stoppen met wat ze deden met de jongeren in dat gebied en dat iedereen die zich toch bemoeide met dat gebied ten dode was opgeschreven. De man zei ook dat eiser en zijn zus moeten weten wie aan de macht is in dat gebied. Eiser heeft aangifte gedaan en de politie gaf aan hen niet te kunnen beschermen. Later zagen zij twee personen aankomen op een motorfiets en zag eiser dat één persoon een wapen tevoorschijn haalde. Deze twee personen hebben eiser en zijn zus weggejaagd uit het gebied.



Het bestreden besluit


5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen met bendeleden.


De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De problemen met de bendeleden zijn niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Het asielmotief geeft volgens de minister namelijk hoe dan ook geen aanleiding tot het verlenen van een asielvergunning zoals bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, omdat eiser zijn gestelde vrees niet aannemelijk heeft gemaakt en hij de bescherming van de autoriteiten kan inroepen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.




Mocht de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling achterwege laten?


6. Eiser betoogt dat de minister het asielmotief ‘problemen met de bendeleden’ op geloofwaardigheid had moeten beoordelen. Eisers zaak, die gaat over asiel gerelateerde problemen, leent zich niet voor het achterwege laten van de geloofwaardigheidsbeoordeling. Ter onderbouwing wijst eiser op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 augustus 2022 en Informatiebericht 2022/102. Eiser heeft belang bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielmotief. De problemen met de bendeleden worden namelijk wel betrokken bij de beoordeling van het reële risico op ernstige schade bij terugkeer, terwijl het asielmotief niet inhoudelijk is beoordeeld. Eiser heeft zijn asielrelaas voldoende onderbouwd met documenten en voldoende duidelijk verklaard over zijn problemen. Dat hij sociaal leider is en daardoor problemen heeft ondervonden met bendeleden is geloofwaardig.


6.1.
De minister stelt zich op standpunt dat hij niet hoefde te beoordelen of het asielmotief geloofwaardig is. De minister heeft op de zitting toegelicht dat hij in elke zaak afzonderlijk beoordeelt of de werkwijze uit paragraaf C1/4.1, onder vijf en zes van de Vc 2000 (het achterwege laten van de geloofwaardigheidsbeoordeling) kan worden toegepast. De minister verwijst hierbij naar vaste rechtspraak van de Afdeling, waarin is geoordeeld dat een dergelijke werkwijze in algemene zin niet leidt tot onzorgvuldige besluitvorming. Uit paragraaf C1/4.1, onder vijf en zes van de Vc 2000 volgt volgens de minister dat hij de geloofwaardigheid van alle feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de asielmotieven in het midden kan laten. Volgens de minister geldt dit dan ook voor de verklaringen dat eiser een sociaal leider is en dat hij problemen heeft met een bende.



6.2.
De rechtbank is het eens met de minister dat de werkwijze als bedoeld in paragraaf C1/4.1, onder vijf en zes van de Vc 2000 niet per se leidt tot onzorgvuldige besluitvorming. Volgens vaste rechtspraak is de werkwijze waarbij de minister slechts de zwaarwegendheid van een asielrelaas beoordeelt en de geloofwaardigheid van dat asielrelaas niet toetst, in zijn algemeenheid niet in strijd met een wettelijke bepaling of nationale en Unierechtelijke standaarden, zoals de samenwerkingsplicht, zolang de minister enkele (procedurele) waarborgen in acht neemt om ervoor te zorgen dat concrete besluiten die volgens deze werkwijze zijn genomen zorgvuldig worden voorbereid en deugdelijk worden gemotiveerd. Het is niet gebleken dat eiser door het hanteren van de werkwijze op zichzelf is benadeeld of in zijn belangen is geschaad. Eisers zaak gaat weliswaar over asiel gerelateerde problemen, maar de minister mocht hier naar het oordeel van de rechtbank de geloofwaardigheid van het asielmotief in het midden laten omdat de minister meende dat op voorhand duidelijk was dat eisers verklaringen – indien geloofwaardig – nooit zwaarwegend genoeg zouden zijn om te leiden tot een reëel risico op ernstige schade. De beroepsgrond slaagt niet.



Heeft de minister de zwaarwegendheidsbeoordeling op juiste wijze verricht?

7. Eiser betoogt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022 blijkt dat alle verklaringen in de zwaarwegendheidsbeoordeling moeten worden meegenomen.




7.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat alle verklaringen van eiser zijn betrokken in de beoordeling.



7.2.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022 volgt dat het toepassen van de werkwijze als bedoeld in paragraaf C1/4.1, onder vijf en zes van de Vc 2000 tot gevolg heeft dat bij de rechterlijke toetsing van het standpunt van de minister in zijn besluit het ervoor moet worden gehouden dat hij de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. De reden daarvoor is dat de bestuursrechter in staat moet worden gesteld de besluitvorming van de minister daadwerkelijk en effectief op rechtmatigheid te toetsen. Daarvoor is het noodzakelijk te weten welke feiten en omstandigheden de minister tot uitgangspunt heeft genomen bij zijn beoordeling van de zwaarwegendheid van het asielrelaas en de motivering daarvan in het besluit.



7.3.
Zoals eiser terecht aanvoert moet de minister als hij de werkwijze toepast, alle verklaringen van hem over zijn asielmotieven als uitgangspunt nemen bij de zwaarwegendheidsbeoordeling. De minister kan in zo’n situatie geen onderscheid maken tussen verklaringen. De minister kan niet van een deel van de verklaringen de geloofwaardigheid in het midden laten en een ander deel van de verklaringen geloofwaardig of ongeloofwaardig achten. Dat kan alleen in de uitzonderlijke situatie dat het gaat om strikt gescheiden asielmotieven en daarvan is in dit geval geen sprake. Dit betekent dat de minister tot uitgangspunt moet nemen dat eiser, zoals hij heeft verklaard, een sociaal leider is en dat de problemen met de bende waarover eiser heeft verklaard geloofwaardig zijn. Uit de beoordeling blijkt onvoldoende dat de minister de verklaringen van eiser als uitgangspunt heeft genomen. Zoals onder 3 is weergegeven, werden eiser en zijn zus volgens eisers verklaringen door de gemeenschap als sociale leiders gezien. Op 20 februari 2023 waren eiser en zijn zus op pad voor de promotie van sport toen ze bij het weggaan door twee mannen op een motor werden afgesneden. Ze moesten zeggen wie ze waren en werden gewaarschuwd dat ze in gevaarlijk gebied waren. Vervolgens zijn ze op 11 maart 2023, toen ze speelgoed aan het uitdelen waren, aangesproken door een vrouw die heeft verteld dat de Paracos naar hen op zoek waren. Een dag later, op 12 maart 2023, heeft eisers moeder een telefoontje ontvangen vanwege dat wat eiser en zijn zus deden, en werd verteld dat ze moesten vertrekken en dat ze anders zouden worden gedood. Op 20 maart 2023 is eiser slachtoffer geworden van een aanslag. In de motivering van het reëel risico op ernstige schade ontbreekt bijvoorbeeld in het geheel het telefonische dreigement dat eisers moeder, volgens eisers verklaringen, stelt te hebben ontvangen. Daarnaast heeft de minister in het voornemen gesteld dat eiser ooit van een vrouw heeft vernomen dat gewapende lieden naar hem vroegen terwijl hij bezig was met een maatschappelijk evenement in de wijk [naam wijk]. De minister stelt dan: “U weet echter niet wie dit waren, waar zij bij hoorden en waarom zij naar u vroegen.” Dat is niet wat eiser heeft verklaard. In het verslag van het nader gehoor staat dat eiser heeft verklaard:



“Vervolgens zijn we niet meer terug naar boven gegaan tot 11 maart van hetzelfde jaar, daar zijn die foto’s van, met de cadeaus. Op een gegeven moment komt er een vrouw naar ons toe, omdat er Paracos waren, het zijn paramilitairen van de Clan del Golfo. En dat ze naar ons aan het vragen zijn. Ik heb een gesprek met haar. We hebben het speelgoed uitgedeeld en zijn vertrokken.”





Hieruit blijkt dat eiser wel heeft verklaard over wie achter de bedreigingen zitten en waar zij bij hoorden. De minister neemt in het besluit niet de verklaring van eiser zoals hij die in het nader gehoor heeft gedaan als uitgangspunt voor de beoordeling van het reëel risico op ernstige schade.



7.4.
De minister heeft dus ten onrechte niet alle verklaringen van eiser juist en kenbaar als uitgangspunt genomen in de besluitvorming. Dit betekent dat sprake is van een onjuiste beoordeling van de zwaarwegendheid van het asielrelaas van eiser. De beroepsgrond slaagt.



7.5.
De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij is nog van belang dat de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gesteld dat in het bestreden besluit te snel is gegrepen naar ‘hoog profiel’. In het bestreden besluit stelt de minister dat de functie en positie van eiser ook is meegewogen, dat is uitgelegd dat niet is gebleken dat hij een zodanig hoog profiel heeft, dan wel dat hij zich in een prominente of herkenbare risicovolle positie verkeerde, waardoor eiser als persoonlijk doelwit van een dergelijke bende zoals Clan del Golfo zou kunnen worden gezien. De minister heeft niet gemotiveerd waarom het hebben van een hoog profiel van belang is. Dat had hij wel moeten doen, omdat uit het algemeen ambtsbericht van Colombia van juni 2024 (algemeen ambtsbericht) volgt dat er geen eenduidige definitie bestaat voor de term ‘sociaal leider’ en hoog profiel daarin niet voorkomt. Een sociaal leider wordt onder andere gedefinieerd als een persoon die de rechten van het collectief verdedigt en een actie voor het algemeen welzijn ontwikkelt die erkend wordt in zijn of haar gemeenschap, organisatie of territorium. Alle sociale leiders worden beschouwd als mensenrechtenverdedigers. Volgens een vertrouwelijke bron waren er zes miljoen mensen in Colombia die zichzelf op de een of andere manier als sociaal leider beschouwden. Uit het algemeen ambtsbericht leidt de rechtbank af dat anders dan de minister in het bestreden besluit heeft overwogen, er een relatief grote groep sociale leiders in Colombia bestaat en dat de lat om als sociaal leider te worden aangemerkt niet al te hoog ligt. Uit het ambtsbericht volgt ook dat sociale leiders worden vermoord als ze zich in het openbaar uitspraken tegen illegale gewapende organisaties en een obstakel vormen voor de sociale controle die wordt uitgeoefend door gewapende niet-overheidsactoren in de gebieden. De moorden zijn ook bedoeld om sociale processen voor de verdediging van mensenrechten te blokkeren en angst te zaaien onder gemeenschappen. De rechtbank gaat ervan uit, gelet op de stelling van de gemachtigde van de minister op de zitting, dat de minister dit bij de nieuwe beoordeling betrekt.




Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen omdat de minister een nieuwe beoordeling moet maken. De minister dient vervolgens een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat de rechtbank onder 7.4 en 7.5 heeft overwogen.

9. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).




Beslissing


De rechtbank:



 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit van 1 september 2025;
 draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
 veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Paragraaf C1/4.1, onder vijf en zes, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) maakt dat mogelijk.


ECLI:NL: RVS:2022:2333.


ECLI:NL:RVS:2022:2333 en ECLI:NL:RVS:2022:2332.


ABRvS 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 10.


ECLI:NL:RVS:2022:2333.


ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.1 – 8.3.


Zie ook: ABRvS 31 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2052, onder 2.2, en ABRvS 11 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:755, onder 3.1.


ABRvS 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.3.


Zie pagina 11 van het verslag nader gehoor.


Algemeen ambtsbericht Colombia van het ministerie van Buitenlandse zaken van juni 2024, pagina 15 en verder.


Algemeen ambtsbericht Colombia juni 2024, pagina 15.


Algemeen ambtsbericht Colombia juni 2024, pagina 62 en verder.