Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20268

2026-07-17 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.25254 en NL26.25255
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.25254 en NL26.25255
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Kroatië, ongegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.369 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.25254 (beroep) NL26.25255 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen





[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. R.S. Frickus)


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder.





Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is.



1.1

De rechtbank heeft het beroep van eiser 9 juli 2026 op zitting behandeld.
Eiser en de gemachtigde van eiser zijn verschenen. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.




1.2

Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.25255) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting.






Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001. Eiser heeft de Palestijnse nationaliteit. Op 18 januari 2026 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Kroatië asiel heeft aangevraagd. Kroatië is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.





Wat vindt eiser in beroep?



3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn individuele omstandigheden bij het besluit hem over te dragen aan Kroatië. Uit de overgelegde medische stukken blijkt dat hij lijdt aan PTSS, een depressieve stoornis en suïcidale klachten die rechtstreeks verband houden met traumatische ervaringen in Kroatië. Overdracht aan dat land zou daarom leiden tot een reëel risico op een aanzienlijke verslechtering van zijn psychische gezondheid. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze omstandigheden geen aanleiding vormen om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening zelf in behandeling te nemen. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder zijn onderzoeksplicht heeft geschonden door zonder nader onderzoek te concluderen dat geen sprake is van een reëel risico op ernstige gezondheidsschade. Verweerder heeft onvoldoende gewicht toegekend aan zowel de medische documentatie als zijn verklaringen over zijn psychische klachten en suïcidale gedachten. Voorts stelt eiser dat verweerder ten onrechte zonder individuele beoordeling is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Gelet op zijn psychische kwetsbaarheid en de traumatische ervaringen die hij daar heeft opgedaan, had verweerder nader moeten onder onderzoeken of overdracht verenigbaar is met artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten aanzien van Kroatië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft meerdere keren geoordeeld dat verweerder bij de toepassing van de Dublinverordening voor Kroatië nog altijd mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat verweerder er in beginsel ervan mag gaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, zal eerst sprake zijn indien de tekortkomingen structureel zijn en er een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.6.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser met het AIDA 2024-rapport en zijn persoonlijke ervaringen in Kroatië niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Verweerder heeft terecht gesteld dat de informatie in het AIDA-rapport update 2024 overeenkomt met en geen wezenlijk ander beeld schetst dat het eerdere AIDA-rapport update 2023, waarover de Afdeling reeds heeft geoordeeld dat deze geen belemmering vormen voor overdracht. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de omstandigheden die hij aanvoert in het AIDA-rapport update 2024, ten opzichte van update 2023 in relevante mate zijn gewijzigd. Eiser heeft zijn stelling dat hij is getraumatiseerd niet onderbouwd, zodat de rechtbank er niet van uitgaat dat eiser kamt met psychische gezondheidsproblemen waarvoor hij niet zal worden behandeld in Kroatië. Voorts is van belang dat de Kroatische overheid met het claimakkoord garandeert dat eiser als Dublin-terugkeerder zal worden behandeld overeenkomstig de Europese richtlijnen. In het geval de Kroatische autoriteiten zich niet aan de Europese richtlijnen houden, is het aan eiser om hierover aldaar te klagen. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestaat.




Arrest C.K.


7. Eiser voert aan dat verweerder, gelet op de overgelegde medische stukken en zijn verklaringen over de gevolgen van een terugkeer naar Kroatië, nader had moeten onderzoeken of overdracht een reëel risico oplevert op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand als bedoeld in het arrest C.K. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom daarvan geen sprake is.


7.1
De rechtbank overweegt dat uit het arrest C.K. tegen Slovenië en de rechtspraak van de Afdeling volgt dat overdracht van een asielzoeker achterwege moet blijven als die overdracht zelf een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zou inhouden. Eiser moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die bij de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden aantonen. Uit WI 2021/39 volgt dat eiser, in geval van suïcidedreiging, objectieve medische stukken van een behandelaar moet overleggen die aantonen dat de behandelaar het risico dat eiser suïcide zal plegen, als gevolg van de overdracht, als reëel inschat. Wanneer er door de behandelaar niet wordt gesproken over een reëel risico of verhoogde suïciderisico of waar dit onvoldoende is gerelateerd aan de daadwerkelijke overdracht, zal er geen BMA-onderzoek worden gestart.



7.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan Kroatië zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand als bedoeld in het arrest C.K. Hoewel eiser medische stukken heeft overgelegd, betreft het onder meer een verouderd stuk van een Duitse psycholoog. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat de overdracht zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van eisers gezondheidstoestand als bedoeld in het arrest C.K. Evenmin bieden de overgelegde medische stukken aanknopingspunten voor de conclusie dat een BMA-advies noodzakelijk is. Verweerder heeft daarom geen aanleiding hoeven zien nader medisch onderzoek te verrichten of een BMA-advies in te winnen.


7.3
Voor zover eiser een beroep doet op het arrest Tarakhel wegens zijn gestelde kwetsbaarheid, is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in dat arrest. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de overgelegde medische gegevens grotendeels gedateerd zijn en onvoldoende actuele aanknopingspunten bieden voor de gestelde medische problematiek. De overgelegde tukken, in onderlinge samenhang bezien, leiden daarom niet tot het oordeel dat eiser als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt als bedoeld in het arrest Tarakhel.





Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.

9. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van K. el Mahsini, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:








































Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht.


Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel uit de Vreemdelingenwet 2000 verwijst zij naar het artikel zoals dat luidde tot 12 juni 2026.


ECLI:NL:RVS:2024:4037.


Zoals bedoeld in het Jawo-arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.


Arrest van het Hof van [geboortedatum] 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127; hierna: het arrest C.K.).


Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980.


Werkinstructie 2021/3 “BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.


Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014.


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.