Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20263
2026-07-17
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.27902 en NL26.27903
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin Polen, ongegrond.
Citeert (8)
- ECLI:NL:RVS:2023:1654 Raad van State 26-04-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:1655 Raad van State 26-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15014 Rechtbank Den Haag 12-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2023:4348 Raad van State 23-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2025:3800 Raad van State 14-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2026:179 Raad van State 14-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:3455 Raad van State 04-09-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2025:9100 Rechtbank Amsterdam 18-11-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.412 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.27902 en NL26.27903
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Polen ervoor verantwoordelijk is. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1
De rechtbank was voornemens om de zaken op 9 juli 2026 ter zitting te behandelen. Partijen hebben de rechtbank laten weten dat zij niet ter zitting zullen verschijnen en hebben toestemming gegeven om de zaken buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaken daarom niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1975 en heeft de Belarussische nationaliteit. Hij heeft op 25 september 2025 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser bij besluit van 31 december 2025 niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Polen asiel heeft aangevraagd. Eiser is niet in beroep gegaan tegen dit besluit. Hiermee staat het besluit van 31 december 2025 vast.
2.1
Eiser heeft op 23 maart 2026 in Nederland een herhaalde asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Polen asiel heeft aangevraagd. Polen is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser voert aan dat verweerder niet kan volstaan met een standaardvoornemen. Eiser voert verder aan dat ten aanzien van Polen niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser wijst er daarbij op dat er in Polen geen sprake is van effectieve rechtsbescherming, dat verweerder niet kan garanderen dat hij in Polen niet in detentie wordt geplaatst, en dat er gelet op de ontwikkelingen rondom een asielstop in Polen sprake is van een eenzijdige opschorting van de verplichtingen die voortvloeien uit de Dublinverordening. Tot slot is eiser van mening dat verweerder de asielaanvraag aan zich moest trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Voornemen
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het voornemen voldoende duidelijk heeft uiteengezet dat, en op grond van welke redenen, Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van verweerder dragende overwegingen opgenomen. Vervolgens heeft verweerder alle bezwaren, die eiser tijdens het aanmeldgehoor en in de zienswijze naar voren heeft gebracht, in het bestreden besluit inhoudelijk beoordeeld. Er is geen grond voor het oordeel dat deze handelwijze onzorgvuldig is. Door eiser is niet geconcretiseerd hoe hij hierdoor in zijn belangen is geschaad, bijvoorbeeld door uit te leggen op welke wijze hij in de zienswijze had willen reageren anders dan hij nu heeft gedaan.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten aanzien van Polen mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Polen bevestigd in de uitspraken van 14 augustus 2025 en 14 januari 2026. Dit betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Polen zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Polen niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
6.1
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Daarbij is ten aanzien van de vraag of sprake is van effectieve rechtsbescherming in Polen van belang dat de door eiser aangehaalde stukken al zijn beoordeeld door de Afdeling in de uitspraak van 4 september 2024 en bevestigd in de Afdelingsuitspraak van 14 augustus 2025. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank geen nieuwe stukken overgelegd die leiden tot de conclusie dat nu wel gesproken kan worden van systeemfouten. Het beroep op het arrest Sherov e.a. tegen Polen slaagt evenmin. In die zaak ging het om Tadzjieken die telkens probeerden om asiel aan te vragen aan de Pools-Oekraïense grens, maar steeds werden teruggestuurd naar Oekraïne. Het gaat dus om derdelanders die Polen op illegale wijze binnenkomen. Dat is een wezenlijk andere situatie dan die van eiser. Dublinclaimanten worden immers met instemming van de Poolse autoriteiten gecontroleerd overgedragen. Verder is van belang dat de Poolse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen. Daarbij is van belang dat Polen nog steeds meewerkt aan de feitelijke overdracht van Dublinclaimanten. De wetgeving met betrekking tot de asielstop ziet op migranten die illegaal de buitengrens (met Wit-Rusland) overschrijden. Uit de door eiser ingeroepen, en ook andere bij de rechtbank ambtshalve bekende, bronnen volgt niet dat Dublinclaimanten het risico lopen om dezelfde behandeling te ondergaan. Indien eiser zich na overdracht aan Polen geconfronteerd zou zien met problemen, zoals eventuele detentie, geldt dat hij zich hierover dient te beklagen bij de Poolse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Poolse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen of dat klagen voor Dublinclaimanten in Polen onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft verweerder een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. Verweerder maakt van deze bevoegdheid gebruik als sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Het is aan eiser om dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken. Nu eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat verweerder zijn asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eiser terecht wordt overgedragen aan Polen. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
9. Nu er uitspraak wordt gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser verwijst hierbij naar een rapport van de Danish Refugee Council van juni 2025, een rapport van het Hungarian Helsinki Committee "Implementing judgments in the field of asylum and migration on odd days" van 17 oktober 2022 en het arrest van het EHRM van 4 april 2024 (Sherov e.a. tegen Polen, 54029/17).
Eiser verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1654 en ECLI:NL:RVS:2023:1655. Ook verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 12 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15014.
Zie ECLI:NL:RVS:2023:4348.
Zie ECLI:NL:RVS:2025:3800.
ECLI:NL:RVS:2026:179.
ECLI:NL:RVS:2024:3455.
Zie ook ECLI:NL:RBAMS:2025:9100.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.27902 en NL26.27903
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Polen ervoor verantwoordelijk is. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1
De rechtbank was voornemens om de zaken op 9 juli 2026 ter zitting te behandelen. Partijen hebben de rechtbank laten weten dat zij niet ter zitting zullen verschijnen en hebben toestemming gegeven om de zaken buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaken daarom niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1975 en heeft de Belarussische nationaliteit. Hij heeft op 25 september 2025 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser bij besluit van 31 december 2025 niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Polen asiel heeft aangevraagd. Eiser is niet in beroep gegaan tegen dit besluit. Hiermee staat het besluit van 31 december 2025 vast.
2.1
Eiser heeft op 23 maart 2026 in Nederland een herhaalde asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Polen asiel heeft aangevraagd. Polen is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser voert aan dat verweerder niet kan volstaan met een standaardvoornemen. Eiser voert verder aan dat ten aanzien van Polen niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser wijst er daarbij op dat er in Polen geen sprake is van effectieve rechtsbescherming, dat verweerder niet kan garanderen dat hij in Polen niet in detentie wordt geplaatst, en dat er gelet op de ontwikkelingen rondom een asielstop in Polen sprake is van een eenzijdige opschorting van de verplichtingen die voortvloeien uit de Dublinverordening. Tot slot is eiser van mening dat verweerder de asielaanvraag aan zich moest trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Voornemen
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het voornemen voldoende duidelijk heeft uiteengezet dat, en op grond van welke redenen, Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van verweerder dragende overwegingen opgenomen. Vervolgens heeft verweerder alle bezwaren, die eiser tijdens het aanmeldgehoor en in de zienswijze naar voren heeft gebracht, in het bestreden besluit inhoudelijk beoordeeld. Er is geen grond voor het oordeel dat deze handelwijze onzorgvuldig is. Door eiser is niet geconcretiseerd hoe hij hierdoor in zijn belangen is geschaad, bijvoorbeeld door uit te leggen op welke wijze hij in de zienswijze had willen reageren anders dan hij nu heeft gedaan.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten aanzien van Polen mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Polen bevestigd in de uitspraken van 14 augustus 2025 en 14 januari 2026. Dit betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Polen zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Polen niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
6.1
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Daarbij is ten aanzien van de vraag of sprake is van effectieve rechtsbescherming in Polen van belang dat de door eiser aangehaalde stukken al zijn beoordeeld door de Afdeling in de uitspraak van 4 september 2024 en bevestigd in de Afdelingsuitspraak van 14 augustus 2025. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank geen nieuwe stukken overgelegd die leiden tot de conclusie dat nu wel gesproken kan worden van systeemfouten. Het beroep op het arrest Sherov e.a. tegen Polen slaagt evenmin. In die zaak ging het om Tadzjieken die telkens probeerden om asiel aan te vragen aan de Pools-Oekraïense grens, maar steeds werden teruggestuurd naar Oekraïne. Het gaat dus om derdelanders die Polen op illegale wijze binnenkomen. Dat is een wezenlijk andere situatie dan die van eiser. Dublinclaimanten worden immers met instemming van de Poolse autoriteiten gecontroleerd overgedragen. Verder is van belang dat de Poolse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen. Daarbij is van belang dat Polen nog steeds meewerkt aan de feitelijke overdracht van Dublinclaimanten. De wetgeving met betrekking tot de asielstop ziet op migranten die illegaal de buitengrens (met Wit-Rusland) overschrijden. Uit de door eiser ingeroepen, en ook andere bij de rechtbank ambtshalve bekende, bronnen volgt niet dat Dublinclaimanten het risico lopen om dezelfde behandeling te ondergaan. Indien eiser zich na overdracht aan Polen geconfronteerd zou zien met problemen, zoals eventuele detentie, geldt dat hij zich hierover dient te beklagen bij de Poolse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Poolse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen of dat klagen voor Dublinclaimanten in Polen onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft verweerder een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. Verweerder maakt van deze bevoegdheid gebruik als sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Het is aan eiser om dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken. Nu eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat verweerder zijn asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eiser terecht wordt overgedragen aan Polen. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
9. Nu er uitspraak wordt gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser verwijst hierbij naar een rapport van de Danish Refugee Council van juni 2025, een rapport van het Hungarian Helsinki Committee "Implementing judgments in the field of asylum and migration on odd days" van 17 oktober 2022 en het arrest van het EHRM van 4 april 2024 (Sherov e.a. tegen Polen, 54029/17).
Eiser verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1654 en ECLI:NL:RVS:2023:1655. Ook verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 12 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15014.
Zie ECLI:NL:RVS:2023:4348.
Zie ECLI:NL:RVS:2025:3800.
ECLI:NL:RVS:2026:179.
ECLI:NL:RVS:2024:3455.
Zie ook ECLI:NL:RBAMS:2025:9100.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.