Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20255

2026-07-20 Strafrecht 09/030879-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-20
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
09/030879-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

56 maanden gevangenisstraf voor (voorbereidingshandelingen) drugshandel, wapenhandel en witwassen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.441 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Strafrecht



Meervoudige kamer



Parketnummer: 09/030879-26



Datum uitspraak: 20 juli 2026



Tegenspraak



De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:






[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .






1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 3 juni 2026 (pro forma) en 6 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.E. van der Leeuw en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. T. Yilmaz naar voren is gebracht.






2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 6 juli 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.





3De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie


3.1
Het standpunt van de verdediging


De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank met betrekking tot de feiten 1, 2 en 4 rechtsmacht ontbeert, voor zover de feiten betrekking hebben op in Turkije gepleegde handelingen. Om die reden dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard te worden in de vervolging van de verdachte.



Door de verdediging is met betrekking tot feit 3 aangevoerd dat vervolging in strijd is met het ne bis in idem-beginsel, als neergelegd in art. 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), omdat de verdachte ten aanzien van het witwassen van een bedrag van € 15.500,- reeds in een andere strafzaak vervolgd is geweest. Verder is de vervolging met betrekking tot het witwassen van de Audi in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, omdat het Openbaar Ministerie in zoverre bewust de mogelijkheid tot vervolging in het onderzoek Leng22 onbenut heeft gelaten, terwijl de feiten naar voren zijn gekomen in het Leng22 onderzoek. Om deze redenen dient het Openbaar Ministerie ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaard te worden.




3.2
Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank rechtsmacht heeft, nu de verdachte in Nederland woonachtig is en de feiten in Nederland strafbaar zijn.



Verder stelt de officier van justitie dat geen sprake is van strijd met het ne bis in idem-beginsel en dat evenmin de vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie in strijd is met beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging.




3.3
De beoordeling van de rechtbank



Rechtsmacht

Op grond van artikel 2 Sr is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan een strafbaar feit schuldig maakt. Als er - naast in Nederland gelegen plaatsen - ook buiten Nederland gelegen plaatsen zijn die kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van deze wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de gedragingen die deel uitmaken van dat strafbare feit en die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (vgl. ECLI:NL:HR:2023:855).



De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat de verdachte een Nederlands paspoort heeft en sinds 2022 op een Nederlands verblijfadres staat ingeschreven. De rechtbank leidt verder uit de zich in het dossier bevindende en tot het bewijs gebezigde historische zendmastgegevens (bewijsmiddel 1) af, dat de verdachte zich in Nederland bevond ten tijde van het begaan van de ten laste gelegde strafbare feiten. Bovendien heeft de verdachte niet verklaard dat hij zich destijds buiten Nederland bevond. Voor gebeurtenissen die in Turkije of elders buiten Nederland hebben plaatsgevonden, geldt dat de verdachte in die gevallen vanaf zijn telefoon vanuit Nederland handelingen heeft verricht in het kader van handel in drugs en wapens.



Het voorgaande maakt dat de rechtbank rechtsmacht heeft ten aanzien van alle ten laste gelegde handelingen.




Ne bis in idem-beginsel

De rechtbank verwerpt voorts het verweer dat sprake is van een ne bis in idem-situatie, nu de verdachte niet wordt vervolgd voor enig feit waarvoor hij ook in het onderzoek Leng22 is/wordt vervolgd. Van een dubbele vervolging is dus geen sprake. Dat feiten waarvoor de verdachte thans terechtstaat naar voren zijn gekomen in dat onderzoek, is niet relevant.




Beginselen van een behoorlijke procesorde

Door het Openbaar Ministerie is naar voren gebracht dat de verdachte ten aanzien van het witwassen van een Audi in de zaak ‘Leng22’ niet is vervolgd, omdat de rechtbank een verzoek tot voeging van een proces-verbaal dat aan dat feit ten grondslag lag had afgewezen, zodat dat proces-verbaal geen deel maakte van het onderzoeksdossier in die zaak. Om die reden heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen om de verdachte ten aanzien van de Audi in de onderhavige zaak te vervolgen. Deze vervolgingsbeslissing is niet in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.



Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.






4De bewijsbeslissing


4.1
Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vier de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.




4.2
Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft zich – op gronden zoals verwoord in zijn pleitnota –op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken.




4.3
Bewijsoverweging


De rechtbank zal – voor zover aangewezen – hieronder haar bewijsbeslissingen motiveren.




Telefoonidentificatie Apple iPhone 12 mini

Bij de aanhouding van de verdachte is op zijn verblijfadres een Apple iPhone 12 mini aangetroffen. Aan die iPhone 12 mini was een simkaart gekoppeld met twee telefoonnummers, respectievelijk [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] . Van nummer [telefoonnummer 1] kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was. De gebruiker van dat nummer wordt in chatberichten met ‘ [voornaam] ’ aangesproken, wat tevens de voornaam van de verdachte is. Daarnaast zijn diverse foto’s c.q. filmpjes aangetroffen in de galerij van die telefoon, waarop de verdachte te zien is alsmede een foto van zijn Nederlands paspoort. Verder blijkt uit bevindingen van een onderzoek naar historische zendmastgegevens van telefoonnummer [telefoonnummer 1] , dat de ‘thuismast’ daarvan binnen het bereik ligt van het verblijfadres van de verdachte. Op grond hiervan stelt de rechtbank dan ook vast dat de verdachte de gebruiker was van de iPhone 12 mini.



De rechtbank concludeert dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] en Apple ID [ID] ook door de verdachte zijn gebruikt, nu deze zijn gebruikt met de iPhone 12 mini van de verdachte.



De verklaring van de verdachte, inhoudende dat de telefoon door hem slechts twee weken is gebruikt en dat [telefoonnummer 2] en [ID] aan een ander toebehoren, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig ter zijde. In dat scenario zou men immers verwachten dat het toestel ook gegevens (chats, contacten, foto’s etc.) van die andere gebruiker zou bevatten, hetgeen niet is gebleken. Als de verdachte niet alleen van de telefoon, maar bovendien van het telefoonnummer of de Apple ID van die ander gebruik zou hebben gemaakt, zou het in de rede hebben gelegen dat de verdachte in berichten naar anderen zichzelf zou hebben kenbaar gemaakt als gebruiker van andermans telefoonnummer. Dergelijke aanwijzingen dat hij tijdelijk gebruik maakte van een ander nummer zijn niet naar voren gekomen.




Feiten 1 en 2: (voorbereidingshandelingen van) internationale drugshandel

De rechtbank verwerpt het verweer dat niet vastgesteld kan worden of de in de chatberichten aangetroffen afbeeldingen daadwerkelijke harddrugs betreffen. Uit de aard en inhoud van de berichten blijkt voldoende duidelijk dat het om echte harddrugs gaat. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat gebruik wordt gemaakt van termen die daarbij passen, zoals:

- ‘ koffie’ en ‘bruin’ (synoniemen voor heroïne),
- ‘ Rolls-Royce’ en ‘Red bull’, in combinatie met foto’s van pillen waarop die logo’s zijn gestempeld; de vorm, kleur en/of de bestempeling met logo’s passen bovendien bij XTC-pillen.
- in een chatgesprek van 22 maart 2023, met betrekking tot een wit blok met het logo van een Mini erop, wordt gesproken over ‘koken’ en dat daardoor 0,9 kilo in plaats van een kilo daarvan overblijft. Dit past bij de bereiding van cocaïne.
- de in de chatgesprekken genoemde prijzen en betalingen sluiten aan bij de (handel in) harddrugs. Zo blijkt uit een chatbericht van 27 maart 2023 dat de verdachte een afbeelding stuurt van bruine blokken en daarbij aangeeft dat hij een blok voor ‘14’ krijgt en dat ‘ze gaan voor 15 per stuk’ (de rechtbank begrijpt: respectievelijk € 14.000,- en € 15.000,-). Deze prijzen passen bij de gangbare prijzen: volgens de drugsmonitor gold destijds voor heroïne een kiloprijs van € 13.750,-.


Op grond van de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde strafbare feiten in vereniging heeft begaan.




Feit 3: witwassen





De Audi

De rechtbank stelt vast dat geen direct verband kan worden gelegd tussen een bepaald, concreet aan te duiden, misdrijf en de in de tenlastelegging genoemde Audi die voorwerp is van de witwasverdenking. Dat betekent dat er in zoverre geen direct brondelict bekend is. Ook als niet meteen duidelijk is uit welk specifiek misdrijf een voorwerp afkomstig is, kan witwassen worden bewezen. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat het voorwerp van misdrijf afkomstig is. Indien de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van het voorwerp. Een dergelijke verklaring moet concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Vervolgens ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan het witwassen van dat voorwerp worden bewezen.



De verdachte is op 12 april 2023 aangehouden in zijn woning op verdenking van vuurwapenhandel. Bij zijn aanhouding zijn onder meer sleutels van een Audi A1 met kenteken [kenteken] aangetroffen en een aankoopfactuur van deze Audi A1. Op de aankoopfactuur van de Audi staat vermeld dat de Audi was gekocht voor een bedrag van € 16.500,-, dat contant is afgerekend en sinds 22 maart 2023 op naam van verdachte staat.



Op basis van het contant afrekenen van een dergelijk bedrag bestaat een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Dat betekent dat van verdachte een verklaring over de herkomst van het geld mag worden verlangd.



De verdachte heeft verklaard dat het contante geld afkomstig is van zijn familie. Zijn moeder en zus zouden in 2020 en 2021 in Turkije auto's hebben verkocht, de opbrengst hebben gewisseld in euro’s en vervolgens meegenomen hebben naar Nederland. In totaal zou het gaan om een bedrag tussen de € 15.000,- en € 20.000,-.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring onvoldoende concreet, niet voldoende verifieerbaar met ondersteunende, objectieve gegevens, en zijn de genoemde bedragen niet herleidbaar tot het bedrag waarmee de auto is betaald. Tussen de verkoop van de auto’s in Turkije en de aanschaf van de Audi zit twee jaar, terwijl daarnaast niet kan worden nagegaan of dat geld überhaupt Nederland is binnengekomen.
Ook blijkt uit de financiële gegevens van de verdachte niet dat hij een andere plausibele bron van inkomsten naar voren heeft gebracht die in redelijke verhouding stond tot de aankoop; de verdachte stelt daar ook niets over. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan dan dat de Audi uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat wist.




De (grote) geldbedragen

Uit de inhoud van de chatberichten blijkt dat de verdachte met betrekking tot handel in verdovende middelen geldbedragen heeft ontvangen dan wel heeft laten storten (waaronder Lira’s) op een door hem aangedragen Turkse bankrekening (op naam van [naam] ). Uit de chats blijkt dat het gaat om betalingen voor de overdracht van drugs. Gelet op die context, vindt de rechtbank bewezen dat de bedragen uit eigen misdrijf zijn verkregen. De verdachte heeft de criminele herkomst verborgen/verhuld door het geld op een Turkse bankrekening op naam van een ander te laten storten.




Feit 4: vuurwapenhandel

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de chatberichten vast dat de verdachte, in vereniging, een grote hoeveelheid vuurwapens voorhanden heeft gehad en daarin ook gehandeld heeft. Daarbij is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en medeverdachten.



Uit de aard en inhoud van de chatgesprekken kan worden afgeleid dat het om echte wapens gaat:


- er is een foto waarop de verdachte zelf een automatisch wapen vast houdt. In een filmpje dat is gemaakt op dezelfde locatie (maar waarop de verdachte zelf niet is te zien) wordt hetzelfde vuurwapen afgevuurd. Gezien het feit dat er handelingen werden verricht om het voorwerp te laden, vervolgens een knal klonk en het voorwerp terug schokte, is het volgens de politie aannemelijk dat het hier om een echt vuurwapen gaat. Op de locatie zelf heeft de politie bovendien twee gaten in de muur gevonden, wat past bij het schieten van echte kogels;
- er wordt in een chat gesproken van ‘emanet’ (letterlijk: het toevertrouwde), waarmee in de gegeven context (chats met foto’s van pistolen) een vuurwapen wordt bedoeld.
- ook wordt er gesproken over specifieke vuurwapens, zoals “Glock 26”, “G26”, “Taurussen” en “Jericho”. Dit zijn benamingen voor vuurwapens;
- op foto’s en video’s zijn vuurwapens – waaronder een pistoolmitrailleur van het merk Uzi alsook een machinepistool MP5 –, een geluidsdemper, patroonmagazijnen en een ‘Roni Kit’ te zien. De beschrijvingen van verbalisanten met betrekking tot afgebeelde vuurwapens en onderdelen dragen voorts bij aan de overtuiging dat het om echte vuurwapens gaat;
- de rechtbank overweegt tot slot dat de in de chatgesprekken genoemde prijzen, gelet op de hoogte daarvan, bovendien niet passen bij imitatie- of nepvuurwapens.


Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dan ook dat sprake is van echte vuurwapens.




Gewoonte?

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de chatberichten vast dat de verdachte, in vereniging, een grote hoeveelheid vuurwapens heeft verhandeld. De forse hoeveelheid van en de regelmatige handel in de vuurwapens in combinatie met de duur van de bewezen verklaarde periode van 5 maanden, maken in samenhang bezien dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte van deze handel in die periode een gewoonte heeft gemaakt.




4.4
De bewezenverklaring


De rechtbank is met betrekking de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.



De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:



1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 11 februari 2023 tot en met 11 april 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meerdere anderen, (telkens) om
een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken

en/of vervoeren,
van cocaïne en/of heroïne en/of MDMA in elk geval een middel als bedoeld in de bij
de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid
van de Opiumwet,

- ( telkens) een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen

plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om
daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen

voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te
vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door:

- ( onder andere per WhatsApp) berichten inlichtingen, aanwijzingen en/of

opdrachten te hebben ontvangen van en/of te hebben (door)gegeven aan zijn
mededader(s) en/of anderen met betrekking tot betalingen en/of prijzen,
hoeveelheden, samenstelling,(wijze van) transport van (partijen) verdovende
middelen, en/of

- foto’s van pakketten met cocaïne en/of heroïne en/of XTC te versturen aan één of
meerder anderen;


2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 11 februari 2023 tot en met 11 april 2023 in Nederland, meermalen (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne en/of MDMA, zijnde cocaïne en/of heroïne en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;



3
hij op een tijdstippen in de periode van 7 februari 2023 tot en met 12 april 2023, in Nederland voorwerpen, te weten:

- een (personen) auto merk Audi en
- grote geldbedragen (in Lira’s, dollars en euro's)
- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,
terwijl hij wist dat deze voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf;


4
hij op tijdstippen in de periode van 1 november 2022 tot en met 10 april 2023 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) zonder erkenning, een groot aantal, wapens van categorie II en/of III (waaronder meerdere (semi-)automatische) vuurwapens en/of een groot aantal, althans meerdere pistolen en/of revolvers en/of munitie en/of hulpstukken voor dit/deze wapen(s) en/of munitie, heeft en/of heeft beproefd en/of heeft verhandeld, terwijl verdachte (en/of zijn mededaders), daar een gewoonte van heeft gemaakt, althans voorhanden heeft gehad.



Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.







5De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.





6De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.





7De strafoplegging


7.1.
De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 56 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.




7.2.

Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de verdachte wordt veroordeeld, een fors deel van de op te leggen straf voorwaardelijk dient te worden opgelegd.




7.3.
Het oordeel van de rechtbank


Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.



De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.




Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich gedurende twee maanden schuldig gemaakt aan het medeplegen van (de voorbereiding van) internationale drugshandel. Daarmee heeft hij een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Dat is ernstig omdat daarmee risico’s gepaard gaan voor de volksgezondheid alsmede de veiligheid van de samenleving. Daarnaast heeft de verdachte zich gedurende vijf maanden in vereniging schuldig gemaakt aan internationale vuurwapenhandel. Door het in omloop brengen en houden van vuurwapens in de samenleving worden gevoelens van onveiligheid in de samenleving versterkt. Daarnaast leidt het gebruik van vuurwapens vaak tot (dodelijk) letsel bij de slachtoffers. Niet voor niets is het illegaal bezit van vuurwapens en de handel daarin bij wet verboden. Hiertegen dient dan ook streng te worden opgetreden. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Dat feit is ondermijnend voor de integriteit van het economische verkeer in de samenleving. De rode draad is dat de verdachte telkens en alleen oog had voor zijn persoonlijke gewin. De geldelijke verdiensten liet hij prevaleren boven het respecteren en gehoorzamen van de wet. Dat gegeven rekent de rechtbank de verdachte zeer aan.




Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 april 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte in 2024 niet-onherroepelijk is veroordeeld door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank in verband met de Wet wapens en munitie, zodat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.




Straf

Naar het oordeel van de rechtbank doet alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aanzienlijke duur recht aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank beoogt daarmee enerzijds normbevestiging, opdat de verdachte in de toekomst niet nog eens dit soort feiten begaat, terwijl anderzijds ook een signaal naar de samenleving uitgaat teneinde dergelijke strafbare feiten te voorkomen.



Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 56 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.



Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.




Voorlopige hechtenis

De rechtbank is van oordeel dat de gronden, mede gelet op het voorgaande, voor de voortduring van de voorlopige hechtenis onverminderd bestaan. Het verzoek van de raadsman tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis zal dan ook worden afgewezen.






8De toepasselijke wetsartikelen


De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 46, 47, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;
- 9, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.


Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.





9De beslissing


De rechtbank:



verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4 bewezen is verklaard;



verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;



verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:




ten aanzien van feit 1:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/middelen/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;





ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en/of het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;





ten aanzien van feit 3:
witwassen, meermalen gepleegd;





ten aanzien van feit 4:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en/of categorie III, en van het in strijd met de wet verhandelen van wapens een gewoonte maken;




verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;



veroordeelt de verdachte tot:



een gevangenisstraf voor de duur van 56 (ZESENVIJFTIG) MAANDEN;



bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.




Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Kuijper, voorzitter,
mr. W.R. van Hattum, rechter,
mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. M.F. van Straaten en E. Six, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juli 2026.



Mrs. A. Dantuma-Hieronymus en M.F. van Straaten zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.