Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20244
2026-07-16
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.37670
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring, grondslag maatregel, gegrond.
Citeert (3)
- ECLI:EU:C:2018:465
- ECLI:NL:RVS:2019:1710 Raad van State 05-06-2019
- ECLI:EU:C:2018:544
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25483 Rechtbank Den Haag 03-09-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (6.834 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37670
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De maatregel van vreemdelingenbewaring is gebaseerd op een onjuiste grondslag. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van deze maatregel en kent een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De grondslag van de maatregel van vreemdelingenbewaring
3. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat de maatregel van vreemdelingenbewaring is gebaseerd op een onjuiste grondslag.
3.1.
In het arrest Gnandi heeft het Hof van Justitie onder meer geoordeeld dat de Terugkeerrichtlijn er niet aan in de weg staat dat over een derdelander die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend een terugkeerbesluit wordt genomen zodra dit verzoek is afgewezen zonder de uitkomst van het beroep tegen de afwijzing in rechte af te wachten. Voorwaarde daarbij is wel dat de betrokken lidstaat waarborgt dat het rechtsmiddel tegen het besluit waarbij dat verzoek is afgewezen ten volle doeltreffend is. Daarvoor is onder meer vereist dat alle gevolgen van het besluit worden geschorst gedurende de rechtsmiddelentermijn. In de beschikking C., J. en S. neemt het Hof van Justitie zijn overwegingen uit het arrest Gnandi als uitgangspunt en oordeelt dat deze ook van toepassing zijn wanneer het asielverzoek van een vreemdeling is afgewezen als kennelijk ongegrond.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat de door eiser op 16 juni 2026 ingediende asielaanvraag bij besluit van 3 juli 2026 is afgewezen als kennelijk ongegrond. De werking van de asielbeschikking wordt opgeschort totdat de rechtsmiddelentermijn is verstreken. De termijn voor het instellen van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van de hiervoor genoemde asielaanvraag verstreek op 10 juli 2026. Eiser heeft tegen dit besluit op 9 juli 2026 beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De minister heeft niet al op 7 juli 2026 kunnen vaststellen dat eiser geen rechtmatig verblijf meer had. Gelet hierop berust de maatregel van bewaring dus op een onjuiste wettelijke grondslag (artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
3.2.
Gelet op het voorgaande, oordeelt de rechtbank dat de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf het moment van oplegging onrechtmatig is. De beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
4.1.
Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor tien dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 10 x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 1.200.
4.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200 aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
HvJEU 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465.
Richtlijn 2008/115/EG.
ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1710.
HvJEU 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:544.
In artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 is (onder meer) opgenomen dat, zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen, de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37670
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De maatregel van vreemdelingenbewaring is gebaseerd op een onjuiste grondslag. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van deze maatregel en kent een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De grondslag van de maatregel van vreemdelingenbewaring
3. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat de maatregel van vreemdelingenbewaring is gebaseerd op een onjuiste grondslag.
3.1.
In het arrest Gnandi heeft het Hof van Justitie onder meer geoordeeld dat de Terugkeerrichtlijn er niet aan in de weg staat dat over een derdelander die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend een terugkeerbesluit wordt genomen zodra dit verzoek is afgewezen zonder de uitkomst van het beroep tegen de afwijzing in rechte af te wachten. Voorwaarde daarbij is wel dat de betrokken lidstaat waarborgt dat het rechtsmiddel tegen het besluit waarbij dat verzoek is afgewezen ten volle doeltreffend is. Daarvoor is onder meer vereist dat alle gevolgen van het besluit worden geschorst gedurende de rechtsmiddelentermijn. In de beschikking C., J. en S. neemt het Hof van Justitie zijn overwegingen uit het arrest Gnandi als uitgangspunt en oordeelt dat deze ook van toepassing zijn wanneer het asielverzoek van een vreemdeling is afgewezen als kennelijk ongegrond.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat de door eiser op 16 juni 2026 ingediende asielaanvraag bij besluit van 3 juli 2026 is afgewezen als kennelijk ongegrond. De werking van de asielbeschikking wordt opgeschort totdat de rechtsmiddelentermijn is verstreken. De termijn voor het instellen van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van de hiervoor genoemde asielaanvraag verstreek op 10 juli 2026. Eiser heeft tegen dit besluit op 9 juli 2026 beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De minister heeft niet al op 7 juli 2026 kunnen vaststellen dat eiser geen rechtmatig verblijf meer had. Gelet hierop berust de maatregel van bewaring dus op een onjuiste wettelijke grondslag (artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
3.2.
Gelet op het voorgaande, oordeelt de rechtbank dat de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf het moment van oplegging onrechtmatig is. De beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
4.1.
Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor tien dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 10 x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 1.200.
4.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200 aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
HvJEU 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465.
Richtlijn 2008/115/EG.
ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1710.
HvJEU 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:544.
In artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 is (onder meer) opgenomen dat, zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen, de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.