Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20183
2026-07-20
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.37712
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring - artikel 59 - handboeien - gebrek - belangenafweging - beroep ongegrond met proceskostenveroordeling
Citeert (4)
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:NL:RVS:2024:2201 Raad van State 29-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2201 Raad van State 29-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.484 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37712
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E.V. Blom-Apreleva als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Wat vindt eiser?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert kort samengevat het volgende aan. Verweerder heeft bij eiser handboeien aangebracht, omdat eiser en de agenten 150 meter moesten lopen naar de dienstauto. Dit is onvoldoende om vluchtgevaar aan te nemen. Vluchtgevaar moet namelijk blijken uit het gedrag van eiser. Met betrekking tot de gronden refereert eiser zich aan het oordeel van de rechtbank. Verder voert eiser aan dat verweerder een lichter middel op had moeten leggen. Eiser heeft voorafgaand aan de zitting met stichting BARKA gesproken. Zij kunnen eiser helpen om naar Polen te reizen en daar een start te maken met een baan en onderdak. Verder was de vertrektermijn nog maar kort verstreken. Daarbij heeft eiser het besluit ook niet goed begrepen. Hij dacht dat er sprake was van een gebiedsverbod. Daarnaast heeft eiser nog persoonlijke eigendommen in Goes waar hij zich zorgen over maakt en zaken die hij wil regelen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Handboeien
6. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (de ambtsinstructie) kan de ambtenaar een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer of een verplaatsing, handboeien aanleggen indien op grond van de feiten of omstandigheden redelijkerwijs gevaar valt te vrezen voor ontvluchting of de veiligheid van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.
6.1.
Uit het proces-verbaal van de ophouding blijkt dat de afstand naar de dienstauto van de politie ruim 150 meter was. In verband met vluchtgevaar zijn daarom handboeien aangelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee onvoldoende gemotiveerd waarom sprake was gevaar voor ontvluchting als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de ambtsinstructie. Op zitting heeft eiser desgevraagd toegelicht dat hij die dag nuchter was en op een bankje naar filmpjes op Tiktok keek. Hij wachtte tot het Leger des Heils openging. Ook in deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om het aanleggen van handboeien rechtmatig te achten.
6.2.
Het onrechtmatig gebruik van de handboeien maakt de maatregel van bewaring niet direct onrechtmatig. Er is dan nog ruimte voor een belangenafweging. Naar het oordeel van de rechtbank valt die uit in het voordeel van verweerder, gelet op het volgende.
7. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet betwist en ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat verweerder deze gronden niet aan het besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Verweerder heeft daarom terecht aangenomen dat ten aanzien van eiser het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
7.1.
Voor een lichter middel heeft verweerder eveneens geen aanleiding hoeven zien. Redengevend daarvoor is dat er voor eiser geen concreet uitzicht bestaat op werk, onderdak of vervoer via de stichting BARKA. Weliswaar was het gesprek met BARKA kort voor de zitting, maar dat komt voor eigen rekening en risico. Dat de vertrektermijn nog maar kort verstreken was en eiser nog zaken wil regelen en voor zijn persoonlijke eigendommen wil zorgen, maakt het oordeel niet anders. Deze omstandigheden nemen namelijk niet weg dat eiser zich niet aan de vertrektermijn heeft gehouden. Daarnaast blijkt uit deze omstandigheden niet dat met een lichter middel toch vertrek kan worden bewerkstelligd.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten, omdat bij hem ten onrechte handboeien zijn aangelegd.
10. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Artikel 22 Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Zie ter vergelijking ook de uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2201 en de overzichtsuitspraak van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2201.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37712
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E.V. Blom-Apreleva als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Wat vindt eiser?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert kort samengevat het volgende aan. Verweerder heeft bij eiser handboeien aangebracht, omdat eiser en de agenten 150 meter moesten lopen naar de dienstauto. Dit is onvoldoende om vluchtgevaar aan te nemen. Vluchtgevaar moet namelijk blijken uit het gedrag van eiser. Met betrekking tot de gronden refereert eiser zich aan het oordeel van de rechtbank. Verder voert eiser aan dat verweerder een lichter middel op had moeten leggen. Eiser heeft voorafgaand aan de zitting met stichting BARKA gesproken. Zij kunnen eiser helpen om naar Polen te reizen en daar een start te maken met een baan en onderdak. Verder was de vertrektermijn nog maar kort verstreken. Daarbij heeft eiser het besluit ook niet goed begrepen. Hij dacht dat er sprake was van een gebiedsverbod. Daarnaast heeft eiser nog persoonlijke eigendommen in Goes waar hij zich zorgen over maakt en zaken die hij wil regelen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Handboeien
6. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (de ambtsinstructie) kan de ambtenaar een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer of een verplaatsing, handboeien aanleggen indien op grond van de feiten of omstandigheden redelijkerwijs gevaar valt te vrezen voor ontvluchting of de veiligheid van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.
6.1.
Uit het proces-verbaal van de ophouding blijkt dat de afstand naar de dienstauto van de politie ruim 150 meter was. In verband met vluchtgevaar zijn daarom handboeien aangelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee onvoldoende gemotiveerd waarom sprake was gevaar voor ontvluchting als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de ambtsinstructie. Op zitting heeft eiser desgevraagd toegelicht dat hij die dag nuchter was en op een bankje naar filmpjes op Tiktok keek. Hij wachtte tot het Leger des Heils openging. Ook in deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om het aanleggen van handboeien rechtmatig te achten.
6.2.
Het onrechtmatig gebruik van de handboeien maakt de maatregel van bewaring niet direct onrechtmatig. Er is dan nog ruimte voor een belangenafweging. Naar het oordeel van de rechtbank valt die uit in het voordeel van verweerder, gelet op het volgende.
7. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet betwist en ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat verweerder deze gronden niet aan het besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Verweerder heeft daarom terecht aangenomen dat ten aanzien van eiser het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
7.1.
Voor een lichter middel heeft verweerder eveneens geen aanleiding hoeven zien. Redengevend daarvoor is dat er voor eiser geen concreet uitzicht bestaat op werk, onderdak of vervoer via de stichting BARKA. Weliswaar was het gesprek met BARKA kort voor de zitting, maar dat komt voor eigen rekening en risico. Dat de vertrektermijn nog maar kort verstreken was en eiser nog zaken wil regelen en voor zijn persoonlijke eigendommen wil zorgen, maakt het oordeel niet anders. Deze omstandigheden nemen namelijk niet weg dat eiser zich niet aan de vertrektermijn heeft gehouden. Daarnaast blijkt uit deze omstandigheden niet dat met een lichter middel toch vertrek kan worden bewerkstelligd.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten, omdat bij hem ten onrechte handboeien zijn aangelegd.
10. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Artikel 22 Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Zie ter vergelijking ook de uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2201 en de overzichtsuitspraak van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2201.