Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20153
2026-07-14
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.34828
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervolgberoep bewaring, zicht op uitzetting Senegal, bewaring opgeheven ambassade Senegal heeft onvoldoende informatie om nationaliteit eiser vast te stellen, gelet op tijdstip bericht ambassade maakt opheffing dag later de maatregel niet onrechtmatig.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1253 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4791 Rechtbank Den Haag 06-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9127 Rechtbank Den Haag 14-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13754 Rechtbank Den Haag 26-05-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.751 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34828
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
1.1.
De minister heeft op 12 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.2.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.3.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4.
De minister heeft op 6 juli 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. Daarnaast heeft de minister een schadevergoeding aangeboden aan eiser voor het vier dagen ten onrechte hebben verbleven in een huis van bewaring. Volgens de minister had de maatregel namelijk op 3 juli 2026 moeten worden opgeheven.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. De oplegging van de maatregel is getoetst bij uitspraak van 27 januari 2026. Het voortduren van de maatregel van bewaring is getoetst bij uitspraak van 6 maart 2026, bij uitspraak van 14 april 2026 en bij uitspraak van 26 mei 2026. Uit de uitspraak van 26 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 19 mei 2026, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. Eiser voert aan dat er al vóór 3 juli 2026 geen concreet zicht op uitzetting meer was. Volgens eiser blijkt uit het feit dat er ook een laissez-passer-traject (lp-traject) naar Gambia is uitgezet, dat het lp-traject naar Senegal kennelijk geen kans van slagen had. De autoriteiten van Senegal hebben vijf maanden na de oplegging van de maatregel van bewaring nog steeds geen lp verstrekt. Daarom is de maatregel van bewaring vanaf 19 mei 2026 onrechtmatig. Subsidiair vindt eiser dat de minister de maatregel in ieder geval vanaf 2 juli 2026 onrechtmatig moet verklaren, omdat op die dag bericht is ontvangen van de Senegalese autoriteiten dat er geen lp verstrekt kan worden. Daarom had de minister vanaf die datum schadevergoeding moeten betalen.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft tijdens de zitting uitgebreid toegelicht dat uit informatie van de Dienst Terugkeer & Vertrek blijkt dat bij het vertrekgesprek dat op 9 juni 2026 met eiser is gevoerd een landsvertegenwoordiger van Senegal aanwezig is geweest. De landsvertegenwoordiger heeft geconstateerd dat eiser de Mandika-taal spreekt en dat het op basis daarvan aannemelijker zou kunnen zijn dat eiser uit Gambia komt dan uit Senegal. Daarom is er op 22 juni 2026 een aanvullend terugkeerbesluit genomen voor zowel Senegal als voor Gambia en is er op 23 juni 2026 een lp aangevraagd bij de Gambiaanse autoriteiten. Dat er ook een lp is aangevraagd bij de Gambiaanse autoriteiten betekent niet dat er geen zicht op uitzetting meer zou bestaan ten aanzien van Senegal. Ook dat was nog een mogelijkheid. De rechtbank volgt deze toelichting. In het model M120 van 7 juli 2026 staat dat er op 26 juni 2026 nog schriftelijk gerappelleerd is bij de Senegalese autoriteiten. Vervolgens is er op 2 juli 2026 een reactie van de ambassade van Senegal gekomen dat er op dat moment onvoldoende informatie is om de nationaliteit van eiser te bevestigen. Dat betekent dat Senegal niet kenbaar heeft gemaakt nooit een lp te zullen vertrekken maar dat er op dat moment onvoldoende informatie was. Dat heeft er ook mee te maken dat eiser twee keer heeft geweigerd mee te werken aan een presentatie bij de Senegalese autoriteiten en in het algemeen heeft gesteld niet te willen meewerken aan terugkeer. De rechtbank is van oordeel dat met deze gang van zaken niet is gebleken dat de maatregel al vanaf 19 mei 2026 onrechtmatig was.
Vervolgens volgt de rechtbank het betoog van eiser dat de maatregel in ieder geval vanaf 2 juli 2026 onrechtmatig was, niet. Uit het model M120 van 7 juli 2026 blijkt dat in de avond op 2 juli bericht is ontvangen van de ambassade van Senegal dat er onvoldoende informatie is om de nationaliteit van eiser vast te stellen. De rechtbank volgt de toelichting van de minister dat er toen geen actie meer kon worden ondernomen op dit bericht, gelet op het tijdstip van ontvangst van het bericht. De bewaring is de volgende dag, 3 juli 2026, door de minister opgeheven, nadat hij op deze dag de belangen van eiser heeft afgewogen tegen de belangen van de minister. Met die gang van zaken kan niet gesproken worden van een onrechtmatige bewaring vanaf 2 juli 2026.
4. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat een schadevergoeding kan worden toegekend voor vier dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 4 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 480,-.
5. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 840,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1253.
Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 6 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4791.
Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 14 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9127.
Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 26 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:13754.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34828
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
1.1.
De minister heeft op 12 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.2.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.3.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4.
De minister heeft op 6 juli 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. Daarnaast heeft de minister een schadevergoeding aangeboden aan eiser voor het vier dagen ten onrechte hebben verbleven in een huis van bewaring. Volgens de minister had de maatregel namelijk op 3 juli 2026 moeten worden opgeheven.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. De oplegging van de maatregel is getoetst bij uitspraak van 27 januari 2026. Het voortduren van de maatregel van bewaring is getoetst bij uitspraak van 6 maart 2026, bij uitspraak van 14 april 2026 en bij uitspraak van 26 mei 2026. Uit de uitspraak van 26 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 19 mei 2026, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. Eiser voert aan dat er al vóór 3 juli 2026 geen concreet zicht op uitzetting meer was. Volgens eiser blijkt uit het feit dat er ook een laissez-passer-traject (lp-traject) naar Gambia is uitgezet, dat het lp-traject naar Senegal kennelijk geen kans van slagen had. De autoriteiten van Senegal hebben vijf maanden na de oplegging van de maatregel van bewaring nog steeds geen lp verstrekt. Daarom is de maatregel van bewaring vanaf 19 mei 2026 onrechtmatig. Subsidiair vindt eiser dat de minister de maatregel in ieder geval vanaf 2 juli 2026 onrechtmatig moet verklaren, omdat op die dag bericht is ontvangen van de Senegalese autoriteiten dat er geen lp verstrekt kan worden. Daarom had de minister vanaf die datum schadevergoeding moeten betalen.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft tijdens de zitting uitgebreid toegelicht dat uit informatie van de Dienst Terugkeer & Vertrek blijkt dat bij het vertrekgesprek dat op 9 juni 2026 met eiser is gevoerd een landsvertegenwoordiger van Senegal aanwezig is geweest. De landsvertegenwoordiger heeft geconstateerd dat eiser de Mandika-taal spreekt en dat het op basis daarvan aannemelijker zou kunnen zijn dat eiser uit Gambia komt dan uit Senegal. Daarom is er op 22 juni 2026 een aanvullend terugkeerbesluit genomen voor zowel Senegal als voor Gambia en is er op 23 juni 2026 een lp aangevraagd bij de Gambiaanse autoriteiten. Dat er ook een lp is aangevraagd bij de Gambiaanse autoriteiten betekent niet dat er geen zicht op uitzetting meer zou bestaan ten aanzien van Senegal. Ook dat was nog een mogelijkheid. De rechtbank volgt deze toelichting. In het model M120 van 7 juli 2026 staat dat er op 26 juni 2026 nog schriftelijk gerappelleerd is bij de Senegalese autoriteiten. Vervolgens is er op 2 juli 2026 een reactie van de ambassade van Senegal gekomen dat er op dat moment onvoldoende informatie is om de nationaliteit van eiser te bevestigen. Dat betekent dat Senegal niet kenbaar heeft gemaakt nooit een lp te zullen vertrekken maar dat er op dat moment onvoldoende informatie was. Dat heeft er ook mee te maken dat eiser twee keer heeft geweigerd mee te werken aan een presentatie bij de Senegalese autoriteiten en in het algemeen heeft gesteld niet te willen meewerken aan terugkeer. De rechtbank is van oordeel dat met deze gang van zaken niet is gebleken dat de maatregel al vanaf 19 mei 2026 onrechtmatig was.
Vervolgens volgt de rechtbank het betoog van eiser dat de maatregel in ieder geval vanaf 2 juli 2026 onrechtmatig was, niet. Uit het model M120 van 7 juli 2026 blijkt dat in de avond op 2 juli bericht is ontvangen van de ambassade van Senegal dat er onvoldoende informatie is om de nationaliteit van eiser vast te stellen. De rechtbank volgt de toelichting van de minister dat er toen geen actie meer kon worden ondernomen op dit bericht, gelet op het tijdstip van ontvangst van het bericht. De bewaring is de volgende dag, 3 juli 2026, door de minister opgeheven, nadat hij op deze dag de belangen van eiser heeft afgewogen tegen de belangen van de minister. Met die gang van zaken kan niet gesproken worden van een onrechtmatige bewaring vanaf 2 juli 2026.
4. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat een schadevergoeding kan worden toegekend voor vier dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 4 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 480,-.
5. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 840,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1253.
Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 6 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4791.
Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 14 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9127.
Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 26 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:13754.