Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20147

2026-07-20 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.38946
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-20
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.38946
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervolgberoep bewaring art. 59b Vw. Wettelijke grondslag te laat gewijzigd, beroep gegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.428 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



Zaaknummer: NL26.38946


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister.




Procesverloop


De minister heeft op 22 juni 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.



Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.



De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.



De minister heeft op 8 juli 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.



De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.





Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1998.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 juli 2026 (NL26.35496) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

3. Eisers beroepsgrond dat de minister de wettelijke grondslag van de maatregel te laat heeft gewijzigd, slaagt. Eisers asielverzoek is bij besluit van 4 juli 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Naar aanleiding daarvan is in de uitspraak van 6 juli 2026 al overwogen dat de wettelijke grondslag van de maatregel in eisers geval moest worden gewijzigd, nu uit artikel 68, derde lid, onder a, van de Procedureverordening volgt dat het asielberoep geen schorsende werking heeft omdat eisers asielaanvraag in de versnelde procedure als kennelijk ongegrond is afgewezen en omdat nog niet is beslist op zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft dus geen rechtmatig verblijf meer en de maatregel kon niet langer blijven voortduren op deze grondslag.

4. In een zodanig geval heeft de minister twee dagen de tijd om de wettelijke grondslag van de bewaringsmaatregel te wijzigen. In eisers geval had de minister de grondslag van de maatregel dus uiterlijk op 6 juli 2026 moeten wijzigen naar artikel 59 van de Vw, maar uit het dossier blijkt dat de minister dit pas op 8 juli 2026 heeft gedaan. De bestreden maatregel heeft dus te lang voortgeduurd. Het beroep is gegrond.

5. Omdat de minister de wettelijke grondslag van de maatregel van bewaring twee dagen te laat heeft gewijzigd, is de maatregel onrechtmatig vanaf de dag dat de wettelijke grondslag niet meer van toepassing was. Hoewel de rechtmatigheid van de maatregel in de vorige procedure al moet worden geacht te zijn beoordeeld tot en met 6 juli 2026, de datum van het sluiten van het onderzoek in die procedure, volgt uit voorgaande dat maatregel in retrospectief onrechtmatig voortduurde vanaf 4 juli 2026. Op 6 juli 2026 kon de rechtbank immers nog niet tot dat oordeel komen, omdat bij wijziging van de wettelijke grondslag op die dag het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig zou zijn geweest. De onrechtmatigheid vanaf 4 juli 2026 was in dit geval derhalve enkel nadien vast te stellen.

De rechtbank ziet daarom aanleiding om schadevergoeding toe kennen over de periode
4 juli 2026 tot en met 8 juli 2026.


6. Gelet op voorgaande acht de rechtbank gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor vijf dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) maatregel van bewaring van 5 x € 120,- (verblijf in het detentiecentrum) = € 600,-.

7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.




Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3059.


ECLI:NL:RVS:2025:6279.