Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20146

2026-07-17 Bestuursrecht SGR 25/3989
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/3989
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

verzoek tot overbrenging uit Afghanistan op grond van de Tolkenregeling - eiser heeft als ASG-bewaker gewerkt van 2007 tot 2010 - ECLI:NL:RVS:2026:1869 - geen sprake van hoog profiel werkzaamheden en actueel gevaar - ECLI:NL:RVS:2026:1945 - geen sprake van toezeggingen in de Staat van Consulaire 2024 - evenredigheid - beroep ongegrond.

Citeert (10)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.035 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 25/3989


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit Afghanistan, eiser
(gemachtigde: mr. A. Heida),


en




de minister van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. B.S. Jaasma).




Inleiding


1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek tot overbrenging uit Afghanistan.



1.1
Eiser heeft verweerder per e-mail verzocht om overbrenging vanuit Afghanistan naar Nederland, op grond van de zogenoemde Tolkenregeling.



1.2
Verweerder heeft dit verzoek met het primaire besluit van 16 mei 2023 afgewezen.



1.3
Met het bestreden besluit van 6 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.



1.4
Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.5
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.6
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Eiser is aan het einde van de zitting vanuit Afghanistan telefonisch ingebeld, bijgestaan door de tolk A. Popal. Namens verweerder is ook verschenen: mr. A.J.M. Zwiep, ambtenaar werkzaam bij het ministerie van Defensie.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Eiser heeft op 27 maart 2023, aangevuld op 26 april 2023, aan verweerder verzocht om hem en zijn gezinsleden over te brengen vanuit Afghanistan naar Nederland en heeft hierbij een beroep gedaan op de Tolkenregeling. Eiser stelt van 2007 tot 2010 gewerkt te hebben als bewaker voor de Afghan Security Guard Company (hierna: ASG) ten behoeve van de Nederlandse militaire missie in Afghanistan.



Wat heeft verweerder besloten?



3. Verweerder is in het bestreden besluit bij de afwijzing van het verzoek gebleven. Verweerder acht aannemelijk dat eiser als ASG-bewaker werkzaamheden heeft verricht in de periode van 2007 tot 2010 ten behoeve van de Nederlandse militaire missie. De werkzaamheden van eiser kunnen volgens verweerder echter niet worden gekwalificeerd als hoog profiel werkzaamheden als bedoeld in de Tolkenregeling. Verder heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een actuele (hedendaagse) dreiging die ook gerelateerd is aan de verrichte werkzaamheden ten behoeve van de Nederlandse militaire missie. Verweerder concludeert dat eiser niet voldoet aan de criteria van de Tolkenregeling en daarmee dus niet in aanmerking komt voor overbrenging naar Nederland.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?

4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van het verzoek tot overbrenging en voert ten eerste aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd geconcludeerd heeft dat eiser geen werkzaamheden met hoog profiel heeft verricht als ASG-bewaker. Eiser was op de Nederlandse basis in [kamp] werkzaam op de wachttorens van het kamp, als bewaker van de poort en op checkpoints tussen het kamp en een kleinere basis verderop. Vanuit de wachttorens was eiser zichtbaar voor personen buiten het kamp. ASG-bewakers checkten talibangevangenen in en uit. Eiser was daarom ook zichtbaar voor de Taliban gevangenen in het kamp en hun familieleden. Bij de poort was ook contact met andere Afghanen. Eiser verliet ook regelmatig de basis, onder andere naar zeer druk bezochte plekken zoals de bazaar. Eiser wijst ter onderbouwing ook op een verklaring van voormalig ASG-commandant [commandant 1] . Daarnaast heeft eiser gewezen op een verklaring van de plaatsvervangend commandant [commandant 2] , waaruit blijkt dat ASG soms ook betrokken was bij gevechten met de Taliban. Kort gezegd waren ASG-bewakers volgens eiser zichtbaar voor de lokale bevolking en Talibanstrijders en werden zij geassocieerd met de Nederlandse missie.


4.1
Ook heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van een actuele, directe en persoonlijke bedreiging van eiser vanwege zijn werk voor ASG. Eiser leeft nog steeds ondergedoken, omdat hij van familie en vrienden hoort dat hij nog steeds gezocht wordt door de Taliban. Via anderen is hij diverse malen bedreigd door de Taliban. Er is hiervoor geen andere reden te bedenken dan zijn ASG-werkzaamheden. Eiser wijst in dit kader ook op een krantenartikel van NRC van 2 juli 2025, waaruit volgt dat de Taliban negatieve aandacht heeft voor ASG-bewakers en zoekacties naar hen uitvoert. Ook wijst eiser op een Kamerbrief uit 2023 waarin naar voren komt dat verweerder de aanvragen van ASG-bewakers opnieuw gaat beoordelen vanwege de aanhoudende signalen over mogelijk gevaar richting deze groep. Het enkele feit dat ASG-bewakers niet meer als risicogroep zijn aangemerkt in het landenbeleid voor Afghanistan maakt ook niet dat er geen dreiging meer voor eiser is. In dit kader wijst eiser op een bron van EUAA, waaruit volgt dat personen geassocieerd met buitenlandse troepen in Afghanistan risico lopen op vervolging en naar een bron van UNHCR, waaruit volgt dat er bij deze groep sprake is van prima facie vluchtelingschap. Verweerder heeft deze landeninformatie onvoldoende betrokken bij de beoordeling. Eiser vindt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk gevaar loopt in Afghanistan door zijn werk voor ASG.



4.2
Eiser vindt het criterium van extra zichtbaarheid en vereenzelviging van personen met de Nederlandse missie onevenredig en niet in lijn met de realiteit in Afghanistan. Met dit criterium hanteert verweerder geen noodzakelijk en geschikt middel om de personen die in aanmerking komen voor overbrenging naar Nederland af te bakenen. Naast de onevenredigheid van het criterium zelf, leidt de toepassing daarvan in dit concrete geval ook tot onevenredige gevolgen. Eiser en zijn gezin lopen gevaar en hun belangen moeten zwaar wegen. Veel ex-medewerkers van ASG zijn al vermoord door de Taliban.



4.3
Tot slot voert eiser aan dat verweerder ten onrechte concludeert dat er voor hem geen aanspraak bestaat op overbrenging op grond van de Staat van het Consulaire 2024. Hierin staat dat het Kabinet uitvoering wil geven aan de motie van het [kamerlid] door een (in omvang en tijd) afgebakende groep Afghaanse bewakers die zich voor Nederland hebben ingezet voor overbrenging in aanmerking te laten komen. Anders dan verweerder meent, is hier sprake van een toezegging en niet alleen van een voornemen tot overbrengen. Ook vindt eiser dat het nieuwe kabinet dit beleid niet zomaar kon beëindigen en acht dit in strijd met de rechtszekerheid. Eiser verwijst in dit kader naar een uitlating van de Nationale Ombudsman en voert ook aan dat door deze beleidswijziging sprake is van ongelijke behandeling van ambassademedewerkers en dat eiser bovendien zijn aanvraag heeft ingediend voordat dit beleid gewijzigd werd en hierdoor dus ten onrechte is benadeeld.

5. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek van eiser tot overbrenging naar Nederland heeft mogen afwijzen. De rechtbank overweegt daarover het volgende.



De Tolkenregeling



7. De Tolkenregeling bestaat uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de Ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Veiligheid en Justitie (nu: Justitie en Veiligheid). De Tolkenregeling vermeldt dat met deze werkafspraken wordt beoogd om de taakverdeling tussen deze ministeries vast te leggen. Deze werkafspraken zijn van toepassing op voormalige lokale medewerkers die een substantiële periode – dat wil zeggen niet op incidentele basis – ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht, en die als gevolg hiervan aannemelijk kunnen maken dat zij persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben.



7.1
Uit recente uitspraken van de Afdeling volgt dat er twee groepen zijn die onder de Tolkenregeling vallen, namelijk personen die ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht en daardoor persoonlijk gevaar lopen (de eerste groep) en anderen die werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan of ten behoeve van een Nederlandse functionaris in het kader van een internationale missie of politiemissie in Afghanistan en daardoor gevaar lopen (de tweede groep). Het is aan een verzoeker om aannemelijk te maken dat hij zulke werkzaamheden heeft verricht en als gevolg daarvan gevaar loopt. Bij personen die ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht, neemt het bevoegde bestuursorgaan eerder aan dat zij als gevolg daarvan gevaar lopen. Andere personen moeten aannemelijk maken dat zij werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan, dat zij gevaar lopen en dat dit gevaar het gevolg is van die werkzaamheden.



7.2
Uit voornoemde jurisprudentie volgt verder dat het bij ‘hoog profiel werkzaamheden’ gaat om werkzaamheden waarbij Nederland een persoon op individuele basis in een specifieke positie heeft geplaatst waarin hij extra zichtbaar was en werd vereenzelvigd met de Nederlandse missie. Hierbij moet worden gedacht aan tolken, genderspecialisten, persoonlijke bewakers of persoonlijke chauffeurs. Voormalig bewakers van ASG hebben over het algemeen geen ‘hoog profiel werkzaamheden’ verricht, omdat Nederland hen niet op individuele basis in een specifieke positie heeft geplaatst waarin zij vertrouwelijke of gevoelige informatie hebben gekregen.



Hoog profiel werkzaamheden?



8. Niet in geschil is dat eiser in de periode 2007-2010 ten behoeve van de Nederlandse militaire missie in Afghanistan werkzaamheden heeft verricht als bewaker van ASG. Partijen verschillen ten eerste van mening over de inhoud van de werkzaamheden en over het antwoord op de vraag of eiser daarmee ‘hoog profiel werkzaamheden’ heeft verricht.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen concluderen dat eiser geen hoog profiel werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank overweegt daarover het volgende.



9.1
In het bestreden besluit heeft verweerder uiteengezet dat de ASG een Afghaans beveiligingsbedrijf was dat van 2006 tot en met 2010 beveiligingswerkzaamheden voor de kampementen van de Nederlandse eenheden verrichtte. De werkzaamheden van ASG-bewakers bestonden voornamelijk uit het bemensen van de toegangspoort en het controleren van identiteitsbewijzen van bezoekende (buitenlandse en Afghaanse) functionarissen en burgers, het bemensen van de wachttorens van de kampementen en het lopen of met voertuigen rijden van beveiligingspatrouilles, om ongewenste bezoekers of andere bedreigingen te signaleren. De ASG-bewakers tezamen waren een relatief grotere groep in aantal die rouleerde in werkzaamheden.



9.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij andere werkzaamheden heeft verricht dan de ‘standaard’ werkzaamheden van ASG-bewakers. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser op de hoorzitting in bezwaar heeft aangegeven dat hij voornamelijk de wachttoren heeft bemand en dat eiser toen niet heeft bevestigd, zoals in bezwaar naar voren was gebracht en door verweerder wordt bestreden, dat hij ter beveiliging meeging met Nederlandse militairen of politiefunctionarissen als zij naar dorpen gingen voor het doen van huiszoekingen of het inkopen van voorraden. Op de zitting bij de rechtbank heeft eiser verteld dat zijn werkzaamheden bestonden uit het beveiligen van het kamp. Eiser vertelde dat hij de toren heeft bewaakt en dat hij is ingezet om een route te beveiligen. Ook op de zitting heeft eiser dus reguliere werkzaamheden van ASG-bewakers omschreven.



9.3
Voor zover namens eiser naar voren is gebracht dat ASG-bewakers Talibangevangenen in- en uitcheckten, en zichtbaar waren voor Talibangevangen en hun familieleden, geldt het volgende. Verweerder heeft toegelicht dat Talibanleden niet hebben kunnen zien welke personen bij de toegangspoort stonden te controleren, omdat zij na gevangenneming direct werden geblinddoekt door special forces. Ook heeft verweerder toegelicht dat het verblijf van Talibanleden in het kamp heel kort was, en dat het niet zo was dat zij in het kamp werden vrijgelaten en de ASG-bewakers konden zien. Hoe dan ook volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de stelling van eiser niet dat eiser zelf op individuele basis in een specifieke positie is geplaatst waarin hij vertrouwelijke of gevoelige informatie heeft gekregen.



9.4
Ook de verwijzing van eiser naar de positiepaper van [commandant 2] maakt dit oordeel niet anders. Uit de positiepaper volgt dat ASG-bewakers zorgden voor de fysieke bezetting van de tactische positie Roller Coaster Hill en dat ASG-bewakers terugvochten wanneer de Taliban Roller Coaster Hill aanviel. Ook wanneer Kamp [kamp] werd aangevallen door de Taliban met mortieren en raketten bleven ASG-bewakers hun positie op de wachttorens behouden. De rechtbank stelt voorop dat eiser niet heeft verklaard dat hij heeft gevochten tegen de Taliban. Verder overweegt de rechtbank dat uit de inhoud van het positiepaper niet valt af te leiden dat ASG-bewakers samen met Nederlandse militairen tactische operaties uitvoerden en dat voornoemde werkzaamheden eerder deel uit lijken te maken van de bewakingswerkzaamheden. Dat sprake was van continue contactmomenten tussen ASG en betrokkenen bij de Taliban is niet gebleken. Uit de positie paper volgt – anders dan eiser stelt - geen wezenlijk ander beeld van de werkzaamheden van ASG-bewakers dan door verweerder in de bestreden besluitvorming geschetst. Uit de inhoud van het positiepapier volgt dus eveneens niet dat eiser zelf op individuele basis in een specifieke positie is geplaatst waarin hij vertrouwelijke of gevoelige informatie heeft gekregen.



9.5
Verweerder heeft ook mogen tegenwerpen dat de werkzaamheden van ASG-bewakers niet vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van tolken, die wel als hoog profiel werkzaamheden worden aangemerkt. Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat tolken Nederlandse militaire commandanten of functionarissen vergezelden in hun bezoeken aan lokale overheidsfunctionarissen en aan commandanten van de Afghan National Army (ANA) en daarbij tot taak hadden voor deze functionarissen te vertalen. Zij traden daarmee letterlijk op als 'spreekbuis' van de Nederlandse militairen. Met name in gesprekken met ANA-commandanten werd operationeel vertrouwelijke informatie besproken, waaronder tegen Taliban-strijders gerichte operaties. Tolken verplaatsten zich meestal samen met de Nederlandse militair in één voertuig waardoor zij 'fysiek' gezamenlijk zichtbaar waren. Verder is van belang dat een zeer beperkt aantal tolken beschikbaar was per Nederlands militair hoofdkwartier wat impliceert dat een tolk regelmatig in die hoedanigheid kon worden waargenomen.



9.6
Niet in geschil is dat ASG-bewakers in enige mate zichtbaar zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat dit alleen onvoldoende is om te concluderen dat eiser hoog profiel werkzaamheden heeft verricht in de zin van de Tolkenregeling en om die reden in aanmerking dient te komen voor overbrenging naar Nederland. Dit geldt ook voor de door eiser geschetste omstandigheid dat ASG-bewakers regelmatig de basis verlieten, bijvoorbeeld om de bazaar te bezoeken of in het kader van verlof.



9.7
Concluderend heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een specifieke positie is gebracht waarin hij extra zichtbaar is geweest en daarom vereenzelvigd wordt met de voormalige Nederlandse missie in Afghanistan. Van hoog profiel werkzaamheden is daarmee geen sprake.



Gevaar als gevolg van de werkzaamheden



10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich eveneens op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gevaar loopt, en ook niet dat dit gevaar verband houdt met zijn werkzaamheden voor ASG. Verweerder heeft in dit kader mogen tegenwerpen dat eiser geen concrete en actuele aanwijzingen heeft kunnen overleggen over dit gestelde gevaar. De enkele verklaring van eiser dat hij ondergedoken leeft en dat hij van derden heeft gehoord dat hij gezocht wordt door de Taliban, is onvoldoende. Deze stelling is niet verder aangevuld met concreet bewijs die bedreigingen naar eiser vanwege de Taliban en het oorzakelijke verband met eisers eerdere werkzaamheden voor ASG aannemelijk maken. De huidige situatie in Afghanistan maakt ook niet dat verweerder eerder moet aannemen dat een persoon gevaar loopt. De verwijzingen naar bronnen van EUAA en UNHCR leiden niet tot een ander oordeel, nu deze niet op eiser persoonlijk zien.



Evenredigheid



11. Naar het oordeel van de rechtbank is het door verweerder gehanteerde criterium van extra zichtbaarheid en vereenzelviging met de Nederlandse missie niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zoals de Afdeling recent nog heeft overwogen, kent de inspanningsverplichting die de betrokken bestuursorganen zichzelf hebben opgelegd met de Tolkenregeling geen wettelijke grondslag. Het gaat om buitenwettelijk en begunstigend beleid en bij het opstellen van zulk beleid hebben bestuursorganen veel beleidsruimte. Aan personen die buiten dit beleid vallen, wordt niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben. De betrokken bestuursorganen hebben er daarom voor mogen kiezen om het beleid in de Tolkenregeling zo vast te stellen en af te bakenen. De rechtbank is met de Afdeling van oordeel dat dergelijk beleid niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en ziet in het betoog van eiser geen aanknopingspunten om hiervan af te wijken.



11.1
Er is naar het oordeel van de rechtbank verder niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat het beleid in dit concrete geval zodanig onevenredig uitpakt dat verweerder de komst van eiser naar Nederland alsnog had moeten faciliteren. De stelling van eiser dat hij gevaar loopt is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder van het beleid had moeten afwijken. De vrees voor onmenselijke of vernederende behandeling in Afghanistan levert geen bijzondere omstandigheid op. Verweerder schendt niet de fundamentele rechten van personen die buiten het beleid vallen als hij hun overkomst naar Nederland niet faciliteert.



De Kamerbrief en de Staat van het Consulaire 2024



12. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder eiser niet voor overbrenging in aanmerking heeft hoeven laten komen op grond van de inhoud van de Kamerbrief van 19 december 2023, dan wel een passage in de Staat van het Consulaire 2024. Uit deze bronnen volgt dat het toenmalige kabinet de intentie had om een aanvullende regeling tot stand te laten komen op grond waarvan een in omvang en tijd afgebakende groep Afghaanse bewakers die zich voor Nederland hebben ingezet voor overbrenging in aanmerking te laten komen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hier sprake is van een toezegging. Zoals ook volgt uit voornoemde jurisprudentie van de Afdeling bevat de in de Staat van het Consulaire uitgesproken intentie immers geen toezegging die specifiek tot eiser is gericht. Hij heeft daaraan dus niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat verweerder hem zou overbrengen naar Nederland.

13. De beroepsgronden slagen niet.





Conclusies en gevolgen


14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het verzoek van eiser heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.











Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock-Molendijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.


















griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep


Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak staat hierboven met een stempel vermeld.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Werkafspraken tolken 2014, zie deze link naar het betreffende document: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2023/09/18/werkafspraken-tolken-2014


Zie de brief van toenmalig minister van Defensie Ollongren aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 19 december 2023, zie deze link: https://open.overheid.nl/documenten/4064b3a5-76cc-4519-9e73-3b81fd789d3b/file.


EUAA: Country Guidance Afghanistan, januari 2023, pagina 59, zie deze link: https://www.euaa.europa.eu/sites/default/files/publications/2023-03/2023_Country_Guidance_Afghanistan_EN.pdf.


UNHCR: Guidance note on the international protection needs of people fleeing Afghanistan, update I , februari 2023: Guidance Note on the International Protection Needs of People Fleeing Afghanistan (Update I) | Refworld (https://www.refworld.org/policy/countrypos/unhcr/2023/en/124216?__cf_chl_f_tk=dmaFJ4E6x9iku3KsBqviXpzyW7rVqrML8zerwJiHlRo-1782995807-1.0.1.1-eqN8alZNVwrRjL7yYWJ65xvQzIkf_4EyM50DO9SHELo).


De Staat van het Consulaire 2024 van het ministerie van Buitenlandse Zaken, zie deze link: https://open.overheid.nl/documenten/7e445e2e-9f8c-4429-9e87-d05b1a5b6d62/file


Zie de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1869 en ECLI:NL:RVS:2026:1945.


ECLI:NL:RVS:2026:1869, r.o. 5.2.3 en 5.4.


ECLI:NL:RVS:2026:1869, r.o. 5.2.4 en 5.2.5.


ECLI:NL:RVS:2026:1869, r.o. 5.2.4.


ECLI:NL:RVS:2026:1869, r.o. 5.4.


ECLI:NL:RVS:2026:1945, r.o. 6.1.


ECLI:NL:RVS:2026:1869, r.o. 5.3.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4329.


ECLI:NL:RVS:2026:1945, r.o. 7.1.