Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20070
2026-06-22
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.7747
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Derdelander Oekraïne. Het beginsel van non-refoulement staat niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Beroep ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2024:32 Raad van State 17-01-2024
- ECLI:EU:C:2024:892
- ECLI:NL:RVS:2025:4178 Raad van State 02-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:4508 Rechtbank Den Haag 29-03-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.262 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7747
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.W. IJland),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 11 augustus 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het terugkeerbesluit.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is als gevolg van deze invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RBT) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
4. Op 14 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. De minister heeft vervolgens het besluit van 14 augustus 2023 ingetrokken, omdat dit onrechtmatig was opgelegd. Eiser heeft het beroep en de voorlopige voorziening ingetrokken.
5. Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister hem een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met het onderhavige zaaknummer NL24.7747. Een verzoek om een voorlopige voorziening is hangende dit beroep bij wijze van ordemaatregel toegewezen.
6. Op 11 augustus 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken en aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd.
7. De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen: I.D.O. Onwuegbuchu.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid
8. Het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 vervangt het terugkeerbesluit van 7 februari 2024. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep daarom ook betrekking op het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025.
9. Omdat de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dat terugkeerbesluit. De rechtbank zal het beroep daartegen daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van de proceskosten ten aanzien van de intrekking van het terugkeerbesluit van 7 februari 2024. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 16.
Het oordeel van de rechtbank
10. De rechtbank stelt vast dat eiser geen (nieuwe) beroepsgronden heeft ingediend tegen het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025. Bij bericht van 6 maart 2026 heeft eiser de rechtbank laten weten dat hij op de zitting wil spreken over de gevaarlijke situatie in zijn land van herkomst en zijn persoonlijke omstandigheden, als aanvulling op de overige juridische gronden van het beroep. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser op de zitting heeft toegelicht dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft desgevraagd bevestigd dat dit het enige geschilpunt is.
Artikel 3 van het EVRM
11. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat de minister verplicht is om te toetsen aan artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft ter onderbouwing gewezen op het arrest Ararat van 17 oktober 2024 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Eiser heeft tijdens de zitting verder aangevoerd dat zijn asielaanvraag niet buiten behandeling gesteld kon worden op grond van de brief waarin hij werd verzocht te bevestigen of hij nog belangstelling had voor asielbescherming.
12. De rechtbank overweegt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 september 2025. Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij er zich van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico op ernstige schade loopt. Hierbij acht de rechtbank van belang dat door eiser op geen enkele wijze is geconcretiseerd waarom de algemene veiligheidssituatie in Nigeria – zoals eiser naar voren heeft gebracht in zijn zienswijze – maakt dat hij niet terug kan keren. Verder heeft eiser geen omstandigheden naar voren gebracht in beroep waaruit volgt dat hij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister heeft een geactualiseerde refoulementbeoordeling uitgevoerd, maar in het aangevoerde geen aanleiding gezien voor het aannemen van een reëel risico op schade als bedoeld in artikel 3 EVRM. De rechtbank kan de minister hierin volgen. De rechtbank is op basis van de haar ter kennis staande elementen ook niet gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, foltering of onmenselijke dan wel vernederende behandeling. Het beginsel van non-refoulement staat dus niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit.
14. Ook het gegeven dat de asielaanvraag van eiser bij besluit van 14 augustus 2023 buiten behandeling is gesteld, staat niet aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg. Eiser heeft namelijk geen beroep ingesteld tegen het besluit waarin zijn asielaanvraag buiten behandeling is gesteld, zodat dit besluit in rechte vast staat. Slechts in zeer bijzondere omstandigheden kan van die formele rechtskracht worden afgeweken. Dergelijke omstandigheden zijn niet aangevoerd en overigens ook niet gebleken. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het besluit van 11 augustus 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft.
15. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
15. Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in (onder andere) de zaak NL24.7749 de voorziening getroffen dat het verboden is om eiser uit te zetten. Met deze uitspraak vervalt die voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, onder sub c, van de Awb.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 augustus 2025 ongegrond; en
- veroordeelt de minister tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 22 juni 2026.
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen
van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter
bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen
van de consequenties van de opvang van deze personen.
Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
Bij de rechtbank geregistreerd met het zaaknummer NL23.28135 respectievelijk NL23.28136.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de
Afdeling) van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
NL24.7749.
Arrest van het Hof van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
ECLI:NL:RVS:2025:4178.
ECLI:NL:RBDHA:2024:4508.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7747
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.W. IJland),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 11 augustus 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het terugkeerbesluit.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is als gevolg van deze invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RBT) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
4. Op 14 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. De minister heeft vervolgens het besluit van 14 augustus 2023 ingetrokken, omdat dit onrechtmatig was opgelegd. Eiser heeft het beroep en de voorlopige voorziening ingetrokken.
5. Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister hem een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met het onderhavige zaaknummer NL24.7747. Een verzoek om een voorlopige voorziening is hangende dit beroep bij wijze van ordemaatregel toegewezen.
6. Op 11 augustus 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken en aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd.
7. De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen: I.D.O. Onwuegbuchu.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid
8. Het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 vervangt het terugkeerbesluit van 7 februari 2024. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep daarom ook betrekking op het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025.
9. Omdat de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dat terugkeerbesluit. De rechtbank zal het beroep daartegen daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van de proceskosten ten aanzien van de intrekking van het terugkeerbesluit van 7 februari 2024. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 16.
Het oordeel van de rechtbank
10. De rechtbank stelt vast dat eiser geen (nieuwe) beroepsgronden heeft ingediend tegen het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025. Bij bericht van 6 maart 2026 heeft eiser de rechtbank laten weten dat hij op de zitting wil spreken over de gevaarlijke situatie in zijn land van herkomst en zijn persoonlijke omstandigheden, als aanvulling op de overige juridische gronden van het beroep. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser op de zitting heeft toegelicht dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft desgevraagd bevestigd dat dit het enige geschilpunt is.
Artikel 3 van het EVRM
11. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat de minister verplicht is om te toetsen aan artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft ter onderbouwing gewezen op het arrest Ararat van 17 oktober 2024 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Eiser heeft tijdens de zitting verder aangevoerd dat zijn asielaanvraag niet buiten behandeling gesteld kon worden op grond van de brief waarin hij werd verzocht te bevestigen of hij nog belangstelling had voor asielbescherming.
12. De rechtbank overweegt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 september 2025. Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij er zich van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico op ernstige schade loopt. Hierbij acht de rechtbank van belang dat door eiser op geen enkele wijze is geconcretiseerd waarom de algemene veiligheidssituatie in Nigeria – zoals eiser naar voren heeft gebracht in zijn zienswijze – maakt dat hij niet terug kan keren. Verder heeft eiser geen omstandigheden naar voren gebracht in beroep waaruit volgt dat hij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister heeft een geactualiseerde refoulementbeoordeling uitgevoerd, maar in het aangevoerde geen aanleiding gezien voor het aannemen van een reëel risico op schade als bedoeld in artikel 3 EVRM. De rechtbank kan de minister hierin volgen. De rechtbank is op basis van de haar ter kennis staande elementen ook niet gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, foltering of onmenselijke dan wel vernederende behandeling. Het beginsel van non-refoulement staat dus niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit.
14. Ook het gegeven dat de asielaanvraag van eiser bij besluit van 14 augustus 2023 buiten behandeling is gesteld, staat niet aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg. Eiser heeft namelijk geen beroep ingesteld tegen het besluit waarin zijn asielaanvraag buiten behandeling is gesteld, zodat dit besluit in rechte vast staat. Slechts in zeer bijzondere omstandigheden kan van die formele rechtskracht worden afgeweken. Dergelijke omstandigheden zijn niet aangevoerd en overigens ook niet gebleken. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het besluit van 11 augustus 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft.
15. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
15. Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in (onder andere) de zaak NL24.7749 de voorziening getroffen dat het verboden is om eiser uit te zetten. Met deze uitspraak vervalt die voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, onder sub c, van de Awb.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 augustus 2025 ongegrond; en
- veroordeelt de minister tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 22 juni 2026.
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen
van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter
bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen
van de consequenties van de opvang van deze personen.
Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
Bij de rechtbank geregistreerd met het zaaknummer NL23.28135 respectievelijk NL23.28136.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de
Afdeling) van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
NL24.7749.
Arrest van het Hof van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
ECLI:NL:RVS:2025:4178.
ECLI:NL:RBDHA:2024:4508.