Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20031

2026-07-17 Bestuursrecht; Omgevingsrecht SGR 25/7604
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/7604
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep tegen een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming om, ten behoeve van het aanleggen van een ecologische structuur, nesten en rustplaatsen van de ransuil opzettelijk te beschadigen, te vernielen of weg te nemen, en voor het opzettelijk verstoren, beschadigen of vernielen van voorplantingsplaatsen en rustplaatsen van de watervleermuis. De rechtbank is van oordeel dat het college het belang van de bescherming van de flora en fauna aan de ontheffing ten grondslag heeft mogen leggen. Ook heeft het college voldoende gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn en het streven naar een gunstige staat van instandhouding niet in gevaar komt. Het beroep is daarom ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (35.625 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 25/7604


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
Stichting [eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres
(gemachtigde: mr. C.W. van der Ven),


en


het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland
(gemachtigde: mr. J. Jongman).

Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: Gemeente Rijswijk (gemachtigde:
mr. S.T.J. Olierook) en [derde-partij] B.V. uit [plaats 2] (gemachtigde: mr. C.J.H. Delissen).


Samenvatting


1. Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (het college) heeft aan de gemeente Rijswijk (de gemeente) een ontheffing verleend om nesten en rustplaatsen van de ransuil opzettelijk te beschadigen, te vernielen of weg te nemen, en voor het opzettelijk verstoren, beschadigen of vernielen van voorplantingsplaatsen en rustplaatsen van de watervleermuis. Deze ontheffing is geldig tot en met 31 december 2040. Eiseres is het niet eens met het verlenen van de ontheffing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de ontheffing heeft mogen verlenen.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de ontheffing heeft mogen verlenen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2. Met het besluit van 11 september 2025 heeft het college een ontheffing (de ontheffing) verleend als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, en 3.8, eerste lid van de Wet natuurbescherming (Wnb).



2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de ontheffing. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De gemeente Rijswijk heeft een schriftelijke reactie ingediend.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eiseres deelgenomen: [naam 1] , bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Namens het college zijn [naam 2] en de gemachtigde van het college verschenen. Namens de gemeente hebben aan de zitting deelgenomen: [naam 3] , [naam 4] en de gemachtigde, vergezeld door [naam 5] (ecoloog bij [bedrijfsnaam] B.V.). Namens [derde-partij] B.V. heeft [naam 6] aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door de gemachtigde van [derde-partij] B.V..





Beoordeling door de rechtbank



De totstandkoming van het bestreden besluit

3. De gemeente is van plan het [gebied] te ontwikkelen. In het gebied zal een ecologische structuur worden gerealiseerd en zullen in de rest van het gebied woningen worden gebouwd. Uit verschillende ecologische onderzoeken blijkt, kort gezegd, dat de werkzaamheden een negatief effect kunnen hebben op de in het gebied aanwezige nestplaatsen, roestplaatsen en foerageergebied van de ransuil en op de in het gebied aanwezige essentiële vliegroute van de watervleermuis. Dit zijn beschermde diersoorten. De gemeente heeft daarom op 22 augustus 2023 een ontheffing aangevraagd om nesten of rustplaatsen van de ransuil opzettelijk te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Ook heeft de gemeente Rijswijk een ontheffing aangevraagd om de watervleermuis opzettelijk te verstoren en de voorplantingsplaatsen en rustplaatsen van de watervleermuis te beschadigen of vernielen.



3.1.
Na eerder (op 27 mei 2024) een conceptbeschikking te hebben genomen, heeft het college op 1 april 2025 een ontwerpbeschikking genomen. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een zienswijze in te dienen.



3.2.
Vervolgens heeft het college op 11 september 2025 de definitieve ontheffing verleend. Hierin heeft het college zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat er geen bevredigende alternatieven zijn en de ontheffing nodig is ter bescherming van de flora en fauna (ontheffing ransuil) en nodig is in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijk habitats en in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van reden van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten (ontheffing watervleermuis). Ook zal de ontheffing volgens het college – gelet op de daarin opgenomen voorschriften – niet leiden tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de ransuil en de watervleermuis. De ontheffing is geldig tot en met 31 december 2040. Verder heeft het college aan de ontheffing verschillende (monitorings-)voorschriften verbonden, onder meer met het oog op de effectiviteit van de alternatieve nest- en roestplaatsen van de ransuil.





Is het beroep van eiseres ontvankelijk?

4. De rechtbank moet ambtshalve toetsen of het beroep van eiseres ontvankelijk is. Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard. In dat kader wijst het college op het “Reparatiewetsvoorstel Varkens in Nood-arrest”. Daaruit volgt volgens het college dat artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wél van toepassing is, in de gevallen waar het toepassen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure niet wettelijk verplicht is. Dat is in deze zaak het geval. Omdat eiseres geen zienswijze heeft ingediend, kan zij daarom geen beroep instellen, aldus het college.




4.1.
De rechtbank overweegt het volgende. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft naar aanleiding van het Varkens in Nood-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021 geoordeeld dat – in afwachting van een oplossing door de wetgever – in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is toegepast, artikel 6:13 van de Awb niet wordt tegengeworpen aan belanghebbenden. Ook zaken over besluiten op grond van de Wet natuurbescherming beschouwt de Afdeling als omgevingsrechtelijke zaken.



4.2.
Dat de wetgever inmiddels het “Reparatiewetsvoorstel Varkens in Nood-arrest” heeft gepubliceerd, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat daarmee artikel 6:13 van de Awb aan eiseres kan worden tegengeworpen. Het wetsvoorstel is immers nog niet aangenomen. De rechtbank betrekt daarbij dat de Afdeling Advisering van de Raad van State op 28 april 2026 heeft geadviseerd om dit wetsvoorstel niet in te dienen bij de Tweede Kamer, tenzij het is aangepast. De rechtbank ziet dan ook geen grond om in dit geval – vooruitlopend op een definitieve oplossing door de wetgever – artikel 6:13 van de Awb aan eiseres tegen te werpen. De rechtbank zal het beroep dan ook inhoudelijk behandelen.



Overgangsrecht omgevingswet en toetsingskader

5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een ontheffing is ingediend op 22 augustus 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.




5.1.
De voor de beoordeling van dit beroep relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.



Provinciaal beleid niet betrokken bij de besluitvorming


6. Eiseres heeft in haar beroepschrift in de inleiding op de beroepsgronden (paragraaf 4.1 van het beroepschrift) ‘vooraf’ opgemerkt dat het college bij de besluitvorming het “Richtinggevend kader soortenbeleid” en het “Natuurbeheerplan Zuid-Holland” had moeten betrekken. De gemachtigde van eiseres heeft in haar reactie op het verweerschrift aangegeven dat dit enkel een opmerking betreft en geen beroepsgrond is. De rechtbank zal daar daarom niet inhoudelijk op ingaan in de uitspraak.



Is de ontheffing nodig ter bescherming van de flora en fauna?


7. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte de bescherming van flora en fauna ten grondslag heeft gelegd aan de ontheffing voor de ransuil en de watervleermuis. Dit wettelijke belang ziet immers op de situatie waarin een van deze soorten een bedreiging zou vormen voor andere flora en fauna, bijvoorbeeld door predatie. Dit volgt volgens eiseres ook uit de Richtsnoeren van de Europese Commissie (hierna: de richtsnoeren). Door op deze manier woningbouw doorgang te laten vinden, wordt de bescherming van de wilde flora en fauna misbruikt, aldus eiseres. Zelfs als je de aanleg van de voorziene ecologische structuur zou beschouwen als het beschermen van de flora en fauna, had het college deze ontheffing nog steeds niet op deze grondslag kunnen verlenen. De voorgenomen activiteit die ten grondslag ligt aan de ontheffingsaanvraag ziet volgens eiseres immers niet op het realiseren van een ecologische structuur, maar op het realiseren van woningen.



7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de aanleg van de ecologische structuur het doel van de ingreep is, en daarmee ook de ontheffingsgrondslag vormt. Dat dit onlosmakelijk samenhangt met het bouwen van woningen doet daar niet aan af. Verder wijst het college erop dat bijvoorbeeld de dotterbloem, de argusvlinder, de nachtegaal, de egel en ook de ransuil zelf profiteren van het aanleggen van de ecologische structuur en dat de lokale staat van instandhouding van deze soorten hierdoor wordt verbeterd.



7.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Het college heeft aan de ontheffing voor de watervleermuis niet alleen de bescherming van de wilde flora en fauna ten grondslag gelegd, maar ook het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, te weten: het woningtekort en de hoge druk op de woningmarkt. In haar reactie op het verweerschrift heeft eiseres te kennen gegeven dat betaalbare woningbouw inderdaad is aan te merken als dwingende reden van groot openbaar belang. Aangezien één wettelijk belang voldoende is om aan dit criterium te voldoen, zal de rechtbank niet ingaan op het betoog dat het college niet (ook) de bescherming van de wilde flora en fauna aan de ontheffing voor de watervleermuis ten grondslag heeft mogen leggen.



7.3.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het college de bescherming van flora of fauna ten grondslag heeft mogen leggen aan de ontheffing voor de ransuil. In dat kader stelt de rechtbank voorop dat – zoals ook uit de richtsnoeren blijkt – een afweging moet worden gemaakt tussen het belang van de bescherming van de ene soort en het belang van het schaden van de andere soort. Daarbij speelt evenredigheid een rol: de teweeggebrachte nadelen moet in verhouding staan tot de nagestreefde doelen. Dat in de door eiseres genoemde richtsnoeren het voorbeeld van predatie wordt genoemd, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze ontheffingsgrond alleen van toepassing is in het geval dat de ene soort predeert op de andere soort.



7.4.
De rechtbank overweegt daarover het volgende. Zoals de gemeente ter zitting heeft toegelicht en ook blijkt uit het dossier is de ontwikkeling van de natuur het uitgangspunt geweest bij de ontwikkeling van het gebied. Op basis van de reeds aanwezige kwaliteiten, de potentiële natuurwaarden, en de noodzakelijke ecologische samenhang is voor het gebied een groenblauw raamwerk vastgesteld. Om gefundeerd en objectief te kunnen komen tot dit raamwerk is de nadruk gelegd op de leefgebiedsfuncties van de natuurtypen voor de door de provincie Zuid-Holland aangewezen icoonsoorten. De basisgedachte van icoonsoorten is dat ze een bepaald leefgebied met habitatkenmerken vertegenwoordigen en daarom ook indicatief zijn voor het voorkomen van allerlei andere planten en dieren (de begeleidende soorten). Als de kwaliteit, omvang en/of samenhang van het leefgebied van een bepaalde icoonsoorten wordt vergroot of verbeterd, dan profiteren de begeleidende soorten hier ook van. Voor het samenstellen van de lijst met mogelijk in het gebied voorkomende icoonsoorten is onder meer gebruik gemaakt van landelijke en regionale verspreidingsatlassen, de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en broedvogelinventarisaties. Het raamwerk voorziet in de noodzakelijke ecologische en landschappelijke samenhang, die robuust genoeg is om de biodiversiteit te behouden, te ontwikkelen en versterken. De ecologische structuurkaart vormt een ecologische onderlegger en programma van eisen bij de ruimtelijke ontwikkelingen.



7.5.
De ecologische structuur bestaat uit drie natuurtypen: bos- en parknatuur, water- en moerasnatuur, en stadsnatuur. In de ‘Uitwerking ecologische structuur Pasgeld’ van 14 juli 2023 is opgenomen voor welke (iconische) doelsoorten de ecologische structuur wordt gerealiseerd. Voor ‘water en moerasnatuur’ zijn dat: bittervoorn, dotterbloem, rietorchis, meervleermuis, watervleermuis, glassnijder en argusvlinder. Voor ‘bos en parknatuur’ zijn dat: egel, merel, boomklever, nachtegaal, rosse vleermuis, weidehommel, wilde hyacint, ransuil, haas en paddestoelen. Voor ‘stadsnatuur’ zijn dat de doelsoorten: huismuis, gierzwaluw, weidehommel, egel en merel. Vervolgens zijn per deelgebied maatregelen uitgewerkt, waarbij is toegelicht aan welke aandachtspunten en aan welke doelsoorten deze maatregelen bijdragen. Verder is de brief van 28 november 2024 (beantwoording aanvullende vragen) voor een aantal van deze soorten onderbouwd dat na uitvoering van de inrichtingsmaatregelen voor de ecologische structuur de lokale staat van instandhouding zal verbeteren van zeer/matig ongunstig naar gunstig. Ook de staat van instandhouding van de ransuil zal er door de inrichtingsmaatregelen op vooruitgaan.



7.6.
Binnen de ecologische structuur is onder meer ingezet op een bosloper en een parkloper: twee robuuste verbindingszones die dwars door het groen en het stedelijk gebieden lopen. Het college heeft in dat verband toegelicht dat de Lange Kleiweg (waar de bosloper is voorzien) een belangrijke verbindingszone vormt tussen de bos- en parknatuur van het Elsenburgerbos en de drassige Driehoek. Deze bosloper wordt volgens het college beter in staat geacht de beoogde ecologische functie te vervullen dan de groenstrook waarin het nest en de roestplaats van de ransuil aanwezig zijn, onder meer omdat de huidige groenstrook niet of nauwelijks aansluit op verbindende elementen in de omgeving. De boogde bosloper is waardevoller, omdat deze beter aansluit op de groenstructuren in de omgeving en passeerbaar is voor grondgebonden fauna.



7.7.
De rechtbank is van oordeel dat het college haar keuzes in dit verband goed heeft onderbouwd en voldoende heeft aangetoond dat het aanleggen van de ecologische structuur in de voorziene vorm en locatie ten goede komt aan de doelsoorten (en de begeleidende soorten), en er ecologisch gezien geen goede redenen zijn om de groenstrook met de roestplaats en het nest van de ransuil bij de ecologische structuur te betrekken. De rechtbank acht daarbij van belang dat de staat van instandhouding van veel van de doelsoorten matig tot zeer ongunstig is. Eiseres heeft verder niet onderbouwd dat de inrichting van de ecologische structuur en de voorgeschreven maatregelen geen daadwerkelijke en effectieve bijdrage leveren aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding van de doelsoorten. Daarbij komt dat – hoewel bij de latere uitwerking van de ecologische structuur een aantal soorten (waaronder de ransuil en de watervleermuis) zijn toegevoegd als doelsoort van de ecologische structuur – de ransuil en de watervleermuis op zichzelf geen door de provincie aangewezen icoonsoorten zijn. Gelet op de samenhang tussen het realiseren van de ecologische structuur en de voorziene woningbouw in de rest van het gebied, kan de rechtbank het college volgen in de afweging dat het beschadigen en vernielen van één nestplaats en één roestplaats van de ransuil in dit geval minder zwaar weegt dan het beschermen van de doelsoorten van de ecologische structuur, en daarom nodig is ter bescherming van de flora en fauna.



7.8.
De beroepsgrond slaagt niet.



Andere bevredigende oplossingen?

8. Eiseres betoogt dat het oorspronkelijke bestemmingsplan uit 2010 met 575 woningen een alternatief is waarmee het ransuil-habitat niet wordt aangetast. Het college laat financiële motieven ten onrechte zwaarder wegen dan het behoud van de groenstrook inclusief nest- en roestplaats van de ransuil. Een ander alternatief is volgens eiseres om de geplande woningen iets naar het zuiden te verschuiven (locaties H8 en H9, waarop bedrijven zijn voorzien). In dat geval zouden er geen beschermde natuurwaarden vernietigd worden en zou een Wnb-ontheffing niet eens nodig zijn. Volgens eiseres heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom minder woningen, minder grote woningen, verdichting, hoogbouw of andere locaties geen andere bevredigende oplossing zijn, of dat de ecologische structuur niet op een andere manier kan worden gerealiseerd en gefinancierd.




8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het gaat om een integrale gebiedsontwikkeling die voorziet in het aanleggen van een ecologische structuur en daarnaast ook ruimte laat voor andere voorziene en noodzakelijk geachte ontwikkelingen zoals woningbouw. Het doel van de ingreep is het verbeteren van de lokale staat van instandhouding van een aantal kwetsbare soorten, door middel van het aanleggen van de ecologische structuur. Daardoor worden de leefgebieden van kwetsbare soorten met elkaar verbonden. Buiten de ecologische structuur worden woningen gebouwd, ook om de ecologische structuur te kunnen financieren. Het gebied dat nu als ecologische structuur is aangewezen is het meest geschikt voor de kwetsbare soorten waarvoor deze ecologische structuur is bedoeld, en dus ook geschikter dan het gebied waar de ransuil zich bevindt. Daarom bestaat er geen andere oplossing dan het aantasten van de beschermde verblijfplaatsen van de ransuil. Verder voorziet het oorspronkelijke bestemmingsplan uit 2010 (“Sion – ’t Haantje”) niet in 575, maar in 1650 woningen, zonder de aanleg van de ecologische structuur. Alleen al daarom is dat geen bevredigende oplossing. Ook het verplaatsen van de woningen naar gronden met een bedrijfsbestemming is niet mogelijk. Woningen zijn immers geluids- en geurgevoelige objecten en deze gronden vallen binnen gebiedsaanduiding ‘milieuzone – geurzone’ en ‘geluidzone – industrie 2’.



8.2.
De gemeente heeft er in haar schriftelijke reactie – samengevat weergegeven – eveneens op gewezen dat er minder woningen mogelijk worden gemaakt ten opzichte van de oorspronkelijke plannen, zodat de ecologische structuur kan worden gerealiseerd. Het voorgestelde alternatief om de woningen te realiseren op bedrijfsbestemmingen is onuitvoerbaar, omdat woningen volgens de planregels daar niet zijn toegestaan.



8.3.
De rechtbank stelt in dit kader voorop dat de vraag of geen andere bevredigende oplossing bestaat moet worden afgezet tegen het doel van de ingreep. Het doel van de ontheffing is het realiseren van een ecologische structuur in het [gebied] ten behoeve van een aantal icoonsoorten, waarbij het overige – voor de natuur minder waardevolle – deel van het gebied wordt gebruikt om woningen te realiseren.



8.4.
De rechtbank overweegt dat in het kader van de beroepsgrond over de noodzaak van de ontheffing uitvoerig is ingegaan op de vorm en indeling van de ecologische structuur. Daarmee heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom het verplaatsen van de bosloper naar de groenstrook waar het nest en de roestplaats van de ransuil zich bevinden, geen andere bevredigende oplossing is.



8.5.
Aan eiseres kan worden toegegeven dat het aanleggen van alleen de ecologische structuur de nestplaats en roestplaats van de ransuil niet zou aantasten. Het college heeft echter voldoende gemotiveerd dat het realiseren van woningen op de – voor de natuur minder waardevolle – delen van het gebied, randvoorwaardelijk is om de ecologische structuur te kunnen realiseren. De rechtbank neemt daarbij de toelichting van het college in aanmerking dat het realiseren van de ecologische structuur een flinke kostenpost is. Het uitbreiden van de ecologische structuur ten koste van de voorziene woningbouw op de locatie van het ransuilennest zou een tekort van ongeveer 18 miljoen opleveren. Het realiseren van minder woningen zou tot gevolg hebben dat de ecologische structuur niet (volledig) gerealiseerd kan worden, waardoor het doel daarvan in gevaar komt.



8.6.
Voor zover eiseres heeft gewezen op het oorspronkelijke bestemmingsplan “Sion – ’t Haantje”, overweegt de rechtbank dat dit bestemmingsplan voorzag in meer woningen dan nu worden gerealiseerd en juist niet voorzag in het aanleggen van de ecologische structuur. Ook het verplaatsen van de woningen naar gronden met een bedrijfsbestemming is naar het oordeel van de rechtbank terecht niet aangemerkt als alternatief, nu dat niet mogelijk is vanwege de bestaande geluid- en geurcontouren. Voor zover eiseres in zijn algemeenheid heeft betoogd dat minder woningen, minder grote woningen, verdichting, of hoogbouw ook bevredigende alternatieven zijn, is de rechtbank van oordeel dat eiseres daarmee niet heeft onderbouwd dat deze alternatieven in dit concrete geval als bevredigende alternatieven kunnen worden aangemerkt.



8.7.
De beroepsgrond slaagt niet.





Staat van instandhouding en monitoring

9. Eiseres betoogt dat de staat van instandhouding van de ransuil als broedvogel zeer ongunstig is. Het college heeft onvoldoende zekerheid geboden dat – ook met de voorgeschreven mitigerende maatregelen ten aanzien van de ransuil én het verbeteren van de biotoop door de aanleg van de ecologische structuur – de staat van instandhouding van de ransuil door de verleende ontheffing niet verder verslechtert. In dat verband wijst eiseres erop met de werkzaamheden mag worden begonnen voordat monitoring heeft plaatsgevonden en dat ransuilen zeer honkvast zijn en zich niet gemakkelijk elders vestigen. Volgens eiseres moet eerst komen vast te staan dat de ecologische structuur daadwerkelijk bijdraagt aan het erbovenop helpen van de doelsoorten, waaronder de ransuil. Daarom is het volgens eiseres noodzakelijk dat eerst de ecologische structuur wordt aangelegd, vóórdat de ontheffing kan worden uitgevoerd.




9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de zeer ongunstige staat van instandhouding van de ransuil nog niet betekent dat de ontheffing niet kan worden verleend. Volgens het college blijkt uit de ecologische onderzoeken die zijn uitgevoerd duidelijk dat de ecologische structuur gaat werken en daadwerkelijk een bijdrage zal leveren aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding van de doelsoorten. Daarvoor is het niet noodzakelijk dat de ecologische structuur eerst wordt aangelegd. Verder wordt volgens het college door de uitvoering van de ontheffing de staat van instandhouding van de ransuil lokaal zelfs verbeterd. In dat kader wijst het college erop dat er in de omgeving voldoende alternatieve nest- en roestplaatsen zijn en de aanleg van de ecologische structuur zal zorgen voor een toename van verschillende soorten muizen, die het voedsel van de ransuil vormen. Verder kan het college op grond van voorschrift 11 aanvullende maatregelen opleggen als de monitoringsresultaten daartoe aanleiding geven.



9.2.
De rechtbank volgt het standpunt van het college. Met de verwijzing naar het de brief van 28 november 2024 van [bedrijfsnaam] waarin aanvullende vragen van het college worden beantwoord, en het rapport ‘Uitwerking ecologische structuur Pasgeld’ van 14 juli 2023 van [bedrijfsnaam] heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat de aanleg van de ecologische structuur ten goede zal komen aan de daarin beschreven doelsoorten, waaronder de ransuil. Daarin is toegelicht dat de gemeente, naast de maatregelen die zijn getroffen om de effecten op de ransuil te mitigeren en te compenseren, de ransuil heeft aangewezen als doelsoort voor de realisatie van de ecologische structuur. Daarom zijn er bij de realisatie van de ecologische structuur maatregelen beoogd ten gunste van de ransuil. Deze maatregelen bestaan vooral uit het verbeteren van het foerageergebied door het toevoegen van meer natuurlijke elementen. Daardoor ontstaat meer oppervlakte aan optimaal foerageergebied en meer variatie in prooiaanbod. In dat kader is van belang dat het gebied zo wordt ingericht en beheerd dat het voldoet aan het habitat van veldmuizen, gewone bosmuizen en aardmuizen, en deze soorten samen meer dan 92% van het dieet van de lokale ransuilen beslaan. Dit is gebleken uit een braakbalonderzoek dat in september 2022 is uitgevoerd met braakballen afkomstig van de ransuilen in het plangebied. Met de voorgenomen maatregelen gaat de kwaliteit van het leefgebied van de ransuil er dus op vooruit en wordt een toename verwacht van de lokale verspreiding van de ransuil, inclusief een betere reproductie. Eiseres heeft geen contra-expertise overgelegd, waaruit blijkt dat dit niet zo is. Dat eiseres twijfelt over de effectiviteit, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond voor het oordeel dat het college deze rapporten niet aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen.



9.3.
Voor zover eiseres nog heeft betoogd dat ook de maatregelen die specifiek gericht zijn op de ransuil onvoldoende zijn geborgd, overweegt de rechtbank het volgende. In het bestreden besluit zijn voorschriften opgenomen (voorschriften 9-11) die specifiek zien op de ransuil. Hierin is - onder meer - opgenomen dat de alternatieve voorzieningen en uitwijkmogelijkheden functioneel moeten zijn gedurende de periode waarvoor deze worden ingezet. Verder moet het ongeschikt maken van het nest van de ransuil buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, en de winterroestplaats buiten de winterroestperiode. Dit ongeschikt maken dient onder begeleiding van een ecologische deskundige te gebeuren. Ook moet voor aanvang van het kappen/verplaatsen van de bomen een ecologische check worden uitgevoerd om vast te stellen dat de ransuil niet in het gebied aanwezig is. De werkzaamheden mogen pas starten als door de deskundige is vastgesteld dat de ransuil in het gebied afwezig is. Ten slotte moeten de alternatieve nest- en winterroestplaatsen gemonitord worden conform een nog op te stellen en goed te keuren monitoringsplan. Het college heeft in het bestreden besluit randvoorwaarden opgenomen waar de monitoring aan moet voldoen. De rechtbank neemt daarbij de toelichting van de ecoloog ter zitting in aanmerking dat ransuilen gebruikmaken van oude nesten van andere vogels, zoals kraaien. Deze nesten waaien weleens uit een boom. In zulke gevallen zal de ransuil ook op zoek gaan naar een geschikt alternatief. In dat verband acht de rechtbank nog van belang dat in het ‘Activiteitenplan Pasgeld en De Schoffel in Rijswijk’ van [bedrijfsnaam] van 31 juli 2023 is toegelicht dat tijdens een inventarisatie in 2022 in het plangebied 76 nesten gevonden zijn die geschikt zijn voor de ransuil om in te broeden en dat bij twee van deze nesten ook braakballen zijn gevonden van de ransuil. Dit duidt erop dat de ransuil de alternatieve nesten ook daadwerkelijk kan vinden. De stelling van eiseres dat het algemeen bekend is dat ransuilen niet gemakkelijk elders nestelen, doet daar niet aan af, omdat eiseres deze stelling niet heeft onderbouwd. Gelet op het vorenstaande heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende geborgd dat de ontheffing niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de ransuil.



9.4.
De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen


10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



BIJLAGE – Juridisch kader



Toetsingskader Ransuil

De ransuil is in het wild levende vogel als bedoeld in artikel 3.1 van de Wnb (en artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Op grond van artikel 3.1, tweede lid van de Wnb is het verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van ransuilen te vernielen of te beschadigen, of nesten van ransuilen weg te nemen.



Op grond van artikel 3.3, eerste lid, van de Wnb kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in artikel 3.1 van de Wnb.



Op grond van artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb wordt een ontheffing of vrijstelling uitsluitend verleend indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
b. zij is nodig:

1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
4°. ter bescherming van flora of fauna;
5°. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of
6°. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.



Toetsingskader watervleermuis

De watervleermuis is genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn. Op grond van artikel 3.5, tweede en vierde lid, van de Wnb is het daarom verboden om watervleermuizen opzettelijk te verstoren en om de voorplantingsplaatsen of rustplaatsen van watervleermuizen te beschadigen of te vernielen.



Op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Wnb kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in artikel 3.5, van de Wnb.



Op grond van artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb, wordt een ontheffing of vrijstelling uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
b. zij is nodig:

1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
2°. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
4°. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of
5°. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.


Artikel 3.3, eerste lid, Wnb ziet op de ontheffing voor de ransuil en 3.8, eerste lid, Wnb op de ontheffing voor de watervleermuis.


Artikel 3.3, vierde lid, aanhef en onder b, onderdeel 4o, van de Wnb.


Artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder b, onderdeel 2o, van de Wnb.


Artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder b, onderdeel 3o, van de Wnb.


ECLI:EU:C:2021:7


Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:786), r.o. 4.8 en 4.9.


https://www.raadvanstate.nl/adviezen/@152393/w16-25-00197-ii/


“Richtsnoeren inzake de strikte bescherming van diersoorten van communautair belang uit hoofde van de habitatrichtlijn”, Mededeling van de Commissie (2021/C496/01).


In het bijzonder de stukken: ‘Ecologische structuur Pasgeld Rijswijk’ van 12 april 2021, ‘Uitwerking ecologische structuur Pasgeld’ van 14 juli 2023, ‘Activiteitenplan Pasgeld en De Schoffel in Rijswijk’ van 31 juli 2023, en de beantwoording van de aanvullende vragen in de brief van 28 november 2024.


https://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/icoonsoorten/



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1547).