Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:19861
2026-06-17
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/706462 / JE RK 26-977
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing (na spoed)
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.495 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/706462 / JE RK 26-977
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing (na spoed)
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
beiden wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.J.W. de Water uit Leiderdorp,
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Op 4 juni 2026 heeft mr. W.G. de Boer, kinderrechter in deze rechtbank,
mondeling (buiten kantooruren) beslist dat:
[minderjarige] voorlopig onder toezicht wordt gesteld van de gecertificeerde instelling van 4 juni 2026 tot 5 juni 2026 om 17.00 uur;
de gecertificeerde instelling gemachtigd is om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 4 juni 2026 tot 5 juni 2026 om 17.00 uur;
de behandeling van het verzoek voor het overige wordt aangehouden tot het verzoek, met nadere onderbouwing, schriftelijk bij de rechtbank is ingediend.
1.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 juni 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 18 juni 2026 en voor dezelfde periode een machtiging verleend [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.3.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 5 juni 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.4.
Op 17 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders met hun advocaat;
- [naam 1] , namens de Raad;
- [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2De feiten
2.1.
Voor een overzicht van de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 5 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] voelt zich niet gezien, gehoord en begrepen door de ouders. Hij verschilt in visie met de ouders over gebeurtenissen uit het verleden en dit leidt regelmatig tot heftige escalaties in huis. [minderjarige] laat daarbij verbaal en fysiek agressief gedrag zien. Het lukt de ouders niet om de andere kinderen, zichzelf en [minderjarige] veilig te houden in de thuissituatie. De situaties binnen het gezin blijven escaleren. [minderjarige] is op 3 juni 2026 door de politie aangehouden vanwege een bedreiging en huiselijk geweld. De Raad vindt de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing nodig om de veiligheid in het gezin te waarborgen en zicht te krijgen op de onderliggende problematiek van [minderjarige] .
4De standpunten
4.1.
Door en namens de ouders wordt ingestemd met het verzoek. De moeder begrijpt niet goed hoe het zo ver heeft kunnen komen.
Zij noemt de problemen met de wachtlijsten en vindt dat de noodzakelijke hulpverlening te lang op zich heeft laten wachten. Ook maakt zij zich ernstige zorgen over de schoolgang van [minderjarige] . Nu [minderjarige] niet naar school gaat heeft hij weinig stabiliteit en structuur. De ouders zien de noodzaak van de maatregelen wel in. Zij hopen dat [minderjarige] snel weer op een veilig manier terug naar huis kan.
4.2.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. Er zal op korte termijn een jongerencoach voor [minderjarige] worden ingezet. Die zal met [minderjarige] gaan kijken naar passende dagbesteding en het volgen van onlineonderwijs. De intentie is om spoedig terug naar huis te werken, maar dat moet wel op een veilige manier kunnen. De gecertificeerde instelling zal bekijken welke mogelijkheden er in [plaats] , waar hij nu verblijft, zijn om snel zicht te krijgen op de onderliggende problematiek van [minderjarige] , het daarop inzetten van passende hulpverlening en zij zal zich ook focussen op ouderbegeleiding.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
[minderjarige] vertoont ernstig zorgelijk gedrag thuis. De kinderrechter maakt zich ernstig zorgen over de veiligheid in de thuissituatie en de toename van het aantal escalaties. Hoewel de ouders bereid en welwillend zijn, is de hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende effectief gebleken, terwijl de moeder ook gezegd heeft dat de wachtlijsten in de hulpverlening een goede aanpak hebben vertraagd.
De kinderrechter acht de verzochte maatregelen daarom passend en noodzakelijk om de veiligheid van het gezin te waarborgen en beter zicht te krijgen op de onderliggende problematiek.
Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van drie maanden.
Het is positief dat er een vaste jeugdbeschermer bij het gezin betrokken is, nu dit tegenwoordig in de meeste zaken ter zitting niet het geval blijkt te zijn wegens een groot tekort aan jeugdbeschermers.
Ook is positief dat er al plannen zijn voor de hulp die snel moet worden ingezet.
De kinderrechter hoopt dat [minderjarige] vanuit [plaats] zijn schooljaar positief kan afronden en dat hij op termijn ook weer op een veilige manier terug naar huis kan.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 18 juni 2026 tot 4 september 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 18 juni 2026 tot 4 september 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van T.A.A. Hilhorst als griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/706462 / JE RK 26-977
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing (na spoed)
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
beiden wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.J.W. de Water uit Leiderdorp,
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Op 4 juni 2026 heeft mr. W.G. de Boer, kinderrechter in deze rechtbank,
mondeling (buiten kantooruren) beslist dat:
[minderjarige] voorlopig onder toezicht wordt gesteld van de gecertificeerde instelling van 4 juni 2026 tot 5 juni 2026 om 17.00 uur;
de gecertificeerde instelling gemachtigd is om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 4 juni 2026 tot 5 juni 2026 om 17.00 uur;
de behandeling van het verzoek voor het overige wordt aangehouden tot het verzoek, met nadere onderbouwing, schriftelijk bij de rechtbank is ingediend.
1.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 juni 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 18 juni 2026 en voor dezelfde periode een machtiging verleend [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.3.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 5 juni 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.4.
Op 17 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders met hun advocaat;
- [naam 1] , namens de Raad;
- [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2De feiten
2.1.
Voor een overzicht van de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 5 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] voelt zich niet gezien, gehoord en begrepen door de ouders. Hij verschilt in visie met de ouders over gebeurtenissen uit het verleden en dit leidt regelmatig tot heftige escalaties in huis. [minderjarige] laat daarbij verbaal en fysiek agressief gedrag zien. Het lukt de ouders niet om de andere kinderen, zichzelf en [minderjarige] veilig te houden in de thuissituatie. De situaties binnen het gezin blijven escaleren. [minderjarige] is op 3 juni 2026 door de politie aangehouden vanwege een bedreiging en huiselijk geweld. De Raad vindt de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing nodig om de veiligheid in het gezin te waarborgen en zicht te krijgen op de onderliggende problematiek van [minderjarige] .
4De standpunten
4.1.
Door en namens de ouders wordt ingestemd met het verzoek. De moeder begrijpt niet goed hoe het zo ver heeft kunnen komen.
Zij noemt de problemen met de wachtlijsten en vindt dat de noodzakelijke hulpverlening te lang op zich heeft laten wachten. Ook maakt zij zich ernstige zorgen over de schoolgang van [minderjarige] . Nu [minderjarige] niet naar school gaat heeft hij weinig stabiliteit en structuur. De ouders zien de noodzaak van de maatregelen wel in. Zij hopen dat [minderjarige] snel weer op een veilig manier terug naar huis kan.
4.2.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. Er zal op korte termijn een jongerencoach voor [minderjarige] worden ingezet. Die zal met [minderjarige] gaan kijken naar passende dagbesteding en het volgen van onlineonderwijs. De intentie is om spoedig terug naar huis te werken, maar dat moet wel op een veilige manier kunnen. De gecertificeerde instelling zal bekijken welke mogelijkheden er in [plaats] , waar hij nu verblijft, zijn om snel zicht te krijgen op de onderliggende problematiek van [minderjarige] , het daarop inzetten van passende hulpverlening en zij zal zich ook focussen op ouderbegeleiding.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
[minderjarige] vertoont ernstig zorgelijk gedrag thuis. De kinderrechter maakt zich ernstig zorgen over de veiligheid in de thuissituatie en de toename van het aantal escalaties. Hoewel de ouders bereid en welwillend zijn, is de hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende effectief gebleken, terwijl de moeder ook gezegd heeft dat de wachtlijsten in de hulpverlening een goede aanpak hebben vertraagd.
De kinderrechter acht de verzochte maatregelen daarom passend en noodzakelijk om de veiligheid van het gezin te waarborgen en beter zicht te krijgen op de onderliggende problematiek.
Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van drie maanden.
Het is positief dat er een vaste jeugdbeschermer bij het gezin betrokken is, nu dit tegenwoordig in de meeste zaken ter zitting niet het geval blijkt te zijn wegens een groot tekort aan jeugdbeschermers.
Ook is positief dat er al plannen zijn voor de hulp die snel moet worden ingezet.
De kinderrechter hoopt dat [minderjarige] vanuit [plaats] zijn schooljaar positief kan afronden en dat hij op termijn ook weer op een veilige manier terug naar huis kan.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 18 juni 2026 tot 4 september 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 18 juni 2026 tot 4 september 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van T.A.A. Hilhorst als griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).