Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:19807
2026-06-10
Bestuursrecht; Belastingrecht
AWB - 25 _ 8472
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Leges. Verordening en tarieventabel juist bekend gemaakt. Verweerder was niet verplicht om eiser vóór het in behandeling nemen van de aanvraag te informeren of te waarschuwen over hoeveel leges eiser daarvoor verschuldigd zou zijn. Geen aanleiding tot vermindering van leges. Geen overschrijding van de opbrengstlimiet.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2019:1000 Hoge Raad 21-06-2019
- ECLI:NL:HR:2014:777 Hoge Raad 04-04-2014
- ECLI:NL:HR:2014:938 Hoge Raad 18-04-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.974 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/8472
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Teylingen, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 5 november 2025 op het bezwaar van eiser tegen de aanslag leges.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 24 maart 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het splitsen van een woning aan de [adres] (de aanvraag). Deze aanvraag is voortgekomen uit een handhavingsprocedure. Nadat de splitsing reeds was voltooid en daarop reacties vanuit de omgeving kwamen, is de aanvraag door eiser gedaan.
2. Bij brief van 3 april 2025 is eiser op de hoogte gesteld van de voortgang van de aanvraag.
3. Bij brief van 6 mei 2025 heeft verweerder eiser laten weten voornemens te zijn om de aanvraag te weigeren.
4. Met dagtekening 12 juni 2025 heeft verweerder aan eiser op basis van de ‘Verordening op de heffing en de invordering van leges Teylingen 2025’ (de Legesverordening) en de ‘Tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2025 Teylingen’ (de Tarieventabel) een aanslag leges opgelegd naar een bedrag van € 4.161, die als volgt is vastgesteld:
Artikel tarieventabel
Omschrijving
Bedrag
2.6
Bouwactiviteit (ruimtelijke deel)
€ 145,00
2.46.a.c
Beoordeling planologische strijdigheid voor buitenplanse omgevingsactiviteit
€ 4.016,00
€ 4.161,00
5. Op 21 juni 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de legesaanslag.
6. Bij uitspraak van 5 november 2025 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de legesaanslag gehandhaafd.
7. In geschil is of de aanslag leges terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.
8. Eiser stelt dat hij vooraf op geen enkel moment is geïnformeerd over de hoogte van het legesbedrag en dat daarmee het rechtszekerheids- en fair-playbeginsel is geschonden.
Verder stelt eiser dat de informatievoorziening van verweerder gebrekkig is of onvoldoende toegankelijk en dat de opgelegde factuur disproportioneel is nu er geen onderbouwing is verstrekt van de tijdsbesteding dan wel de kosten die op de legesfactuur staan vermeld.
9. Op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van onder andere het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. De eisen die artikel 217 van de Gemeentewet stelt aan de kenbaarheid van de maatstaven waarnaar gemeentebelastingen worden geheven, strekken onder meer ertoe dat de belastingverordening alle essentialia bevat waaruit de belastingschuldige de omvang van zijn belastingschuld kan afleiden. Tot die essentialia behoren bij de heffing van bouwleges mede de voorschriften voor het vaststellen van de bouwkosten, waarop de hoogte van die leges wordt gebaseerd (de heffingsmaatstaf). De Verordening en de Tarieventabel bevatten deze essentialia, waaruit eiser de omvang van zijn belastingschuld kan afleiden.
10. Het belastbare feit, de dienstverlening, bestaat niet uit het beslissen op de aanvraag, maar uit het in behandeling nemen van de aanvraag. Dit volgt uit artikel 2 van de Legesverordening en artikel 2.2 van de Tarieventabel. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning in behandeling is genomen, is op grond van de Legesverordening en de Tarieventabel sprake van een belastbaar feit en was verweerder bevoegd om aan eiser leges in rekening te brengen. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de daarvoor in rekening gebrachte leges in overeenstemming zijn met de Verordening en de daarbij behorende Tarieventabel.
11. Uit artikel 2, tweede lid, van de Bekendmakingswet, in samenhang met artikel 6 van de Bekendmakingswet, volgt dat het college van burgemeester en wethouders algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels en andere besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht bekendmaakt door deze te plaatsen in het gemeenteblad. De Verordening en de Tarieventabel zijn op 18 december 2024 gepubliceerd in het Gemeenteblad 2024, 532934 – en daarmee raadpleegbaar – een aantal maanden voordat eiser de aanvraag deed. Dit betekent dat eiser vooraf duidelijk had kunnen zijn welk bedrag aan leges hem voor het in behandeling nemen van de aanvraag in rekening zou worden gebracht. Verweerder was niet verplicht om eiser vóór het in behandeling nemen van de aanvraag te informeren of te waarschuwen over hoeveel leges eiser daarvoor verschuldigd zou zijn. Dat eiser dit niet of onvoldoende heeft onderkend komt voor zijn rekening en risico. Het lag op de weg van eiser zelf om zich te (laten) informeren over de aan een vergunning verbonden kosten, alvorens de aanvraag in te dienen. Deze mogelijkheid staat ook vermeld op de website. De stelling dat eiser niet kon weten hoe hoog het bedrag van de verschuldigde leges zou zijn, gaat niet op. Dat in zijn geval niet alleen leges berekend zouden worden voor de Bouwactiviteit van 2.6 van de Tarieventabel, maar ook voor de beoordeling planologische strijdigheid voor buitenplanse omgevingsactiviteit ex 2.46.a.c van de Tarieventabel, was voor eiser kenbaar vanwege het handhavingstraject waaruit deze aanvraag voortvloeit. Eiser was immers op de hoogte van de omstandigheid dat de splitsing niet binnen het bestemmingsplan paste en daarmee de vorenbedoelde beoordeling dus nodig was. Er bestaat in dit concrete geval dan ook, anders dan eiser bepleit, geen aanleiding om de leges te verminderen omdat eiser over de verschuldigdheid daarvan onvoldoende zou zijn geïnformeerd.
12. De stelling van eiser dat de in rekening gebrachte leges disproportioneel en niet controleerbaar zijn begrijpt de rechtbank aldus dat eiser heeft bedoeld te stellen dat de opbrengstlimiet wordt overschreden.
13. Op grond van artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet moeten legestarieven in verordeningen zodanig worden vastgesteld dat het totaal van de geraamde baten het totaal van de geraamde kosten niet te boven gaat. Bij de beoordeling of de opbrengstlimiet is overschreden, gelden voor de stelplicht en bewijslastverdeling de uitgangspunten die de Hoge Raad uiteen heeft gezet in zijn arresten van april 2014. Uit deze arresten volgt dat, als wordt aangevoerd dat de geraamde baten de geraamde lasten ter zake hebben overschreden, het primair aan verweerder is inzicht te verschaffen in de ramingen. Dat kan op basis van de begroting, maar ook op basis van andere gegevens. Daaruit vloeit noodzakelijk voort dat bij de vaststelling van tarieven niet ten aanzien van alle posten zekerheid of een volledig inzicht kan bestaan. Er kan niet worden verlangd dat van alle genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vast is gelegd hoe de kosten ter zake daarvan zijn geraamd.
14. Het verstrekken van nadere inlichtingen door verweerder wordt uitsluitend verlangd voor zover eiser voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake. Aan de nadere inlichtingen die verweerder in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat verweerder naar vermogen - dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is - duidelijk maakt op grond waarvan hij de door eiser opgeworpen twijfel betwist en waarom dus naar zijn oordeel de door eiser opgeworpen twijfel ongegrond is. Hierbij geldt voorts dat pas dan plaats is voor een correctie van de omvang van een raming, indien verweerder deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen. Verder is het zo dat, indien eiser stelt dat de door verweerder aangeleverde gegevens feitelijk onjuist zijn, op hem de bewijslast rust dit aannemelijk te maken.
15. Verweerder heeft in zijn nader stuk van 6 mei 2026 als bijlage “Memo: Kostendekkendheid omgevingsvergunningen Teylingen 2025” bijgevoegd. Hierin worden onder andere de geraamde kosten en inkomsten voor het jaar 2025 inzichtelijk gemaakt. Daaruit volgt een kostendekkendheid van de begroting van 45% en een gerealiseerde kostendekkendheid van 61%. Dat is naar het oordeel van de rechtbank in eerste instantie voldoende. Eiser heeft ten aanzien van de aard of omvang van de daarin geraamde kosten en inkomsten geen twijfel opgeworpen, en die is ook overigens bij de rechtbank niet gerezen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding aan de juistheid van de geraamde kosten te twijfelen dan wel daar anderszins nadere inlichtingen van verweerder te verlangen. Ook overigens zijn er geen feiten komen vast te staan op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat dat de geraamde opbrengsten uitgaan boven de geraamde lasten. De enkele stelling dat verweerder de gemaakte kosten niet nader heeft gespecificeerd is daartoe onvoldoende. De opbrengstlimiet is dan ook niet overschreden.
16. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 63.
ECLI:NL:HR:2019:1000, overweging 2.4.1.
Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777 en 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:938.
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/8472
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Teylingen, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 5 november 2025 op het bezwaar van eiser tegen de aanslag leges.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 24 maart 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het splitsen van een woning aan de [adres] (de aanvraag). Deze aanvraag is voortgekomen uit een handhavingsprocedure. Nadat de splitsing reeds was voltooid en daarop reacties vanuit de omgeving kwamen, is de aanvraag door eiser gedaan.
2. Bij brief van 3 april 2025 is eiser op de hoogte gesteld van de voortgang van de aanvraag.
3. Bij brief van 6 mei 2025 heeft verweerder eiser laten weten voornemens te zijn om de aanvraag te weigeren.
4. Met dagtekening 12 juni 2025 heeft verweerder aan eiser op basis van de ‘Verordening op de heffing en de invordering van leges Teylingen 2025’ (de Legesverordening) en de ‘Tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2025 Teylingen’ (de Tarieventabel) een aanslag leges opgelegd naar een bedrag van € 4.161, die als volgt is vastgesteld:
Artikel tarieventabel
Omschrijving
Bedrag
2.6
Bouwactiviteit (ruimtelijke deel)
€ 145,00
2.46.a.c
Beoordeling planologische strijdigheid voor buitenplanse omgevingsactiviteit
€ 4.016,00
€ 4.161,00
5. Op 21 juni 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de legesaanslag.
6. Bij uitspraak van 5 november 2025 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de legesaanslag gehandhaafd.
7. In geschil is of de aanslag leges terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.
8. Eiser stelt dat hij vooraf op geen enkel moment is geïnformeerd over de hoogte van het legesbedrag en dat daarmee het rechtszekerheids- en fair-playbeginsel is geschonden.
Verder stelt eiser dat de informatievoorziening van verweerder gebrekkig is of onvoldoende toegankelijk en dat de opgelegde factuur disproportioneel is nu er geen onderbouwing is verstrekt van de tijdsbesteding dan wel de kosten die op de legesfactuur staan vermeld.
9. Op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van onder andere het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. De eisen die artikel 217 van de Gemeentewet stelt aan de kenbaarheid van de maatstaven waarnaar gemeentebelastingen worden geheven, strekken onder meer ertoe dat de belastingverordening alle essentialia bevat waaruit de belastingschuldige de omvang van zijn belastingschuld kan afleiden. Tot die essentialia behoren bij de heffing van bouwleges mede de voorschriften voor het vaststellen van de bouwkosten, waarop de hoogte van die leges wordt gebaseerd (de heffingsmaatstaf). De Verordening en de Tarieventabel bevatten deze essentialia, waaruit eiser de omvang van zijn belastingschuld kan afleiden.
10. Het belastbare feit, de dienstverlening, bestaat niet uit het beslissen op de aanvraag, maar uit het in behandeling nemen van de aanvraag. Dit volgt uit artikel 2 van de Legesverordening en artikel 2.2 van de Tarieventabel. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning in behandeling is genomen, is op grond van de Legesverordening en de Tarieventabel sprake van een belastbaar feit en was verweerder bevoegd om aan eiser leges in rekening te brengen. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de daarvoor in rekening gebrachte leges in overeenstemming zijn met de Verordening en de daarbij behorende Tarieventabel.
11. Uit artikel 2, tweede lid, van de Bekendmakingswet, in samenhang met artikel 6 van de Bekendmakingswet, volgt dat het college van burgemeester en wethouders algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels en andere besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht bekendmaakt door deze te plaatsen in het gemeenteblad. De Verordening en de Tarieventabel zijn op 18 december 2024 gepubliceerd in het Gemeenteblad 2024, 532934 – en daarmee raadpleegbaar – een aantal maanden voordat eiser de aanvraag deed. Dit betekent dat eiser vooraf duidelijk had kunnen zijn welk bedrag aan leges hem voor het in behandeling nemen van de aanvraag in rekening zou worden gebracht. Verweerder was niet verplicht om eiser vóór het in behandeling nemen van de aanvraag te informeren of te waarschuwen over hoeveel leges eiser daarvoor verschuldigd zou zijn. Dat eiser dit niet of onvoldoende heeft onderkend komt voor zijn rekening en risico. Het lag op de weg van eiser zelf om zich te (laten) informeren over de aan een vergunning verbonden kosten, alvorens de aanvraag in te dienen. Deze mogelijkheid staat ook vermeld op de website. De stelling dat eiser niet kon weten hoe hoog het bedrag van de verschuldigde leges zou zijn, gaat niet op. Dat in zijn geval niet alleen leges berekend zouden worden voor de Bouwactiviteit van 2.6 van de Tarieventabel, maar ook voor de beoordeling planologische strijdigheid voor buitenplanse omgevingsactiviteit ex 2.46.a.c van de Tarieventabel, was voor eiser kenbaar vanwege het handhavingstraject waaruit deze aanvraag voortvloeit. Eiser was immers op de hoogte van de omstandigheid dat de splitsing niet binnen het bestemmingsplan paste en daarmee de vorenbedoelde beoordeling dus nodig was. Er bestaat in dit concrete geval dan ook, anders dan eiser bepleit, geen aanleiding om de leges te verminderen omdat eiser over de verschuldigdheid daarvan onvoldoende zou zijn geïnformeerd.
12. De stelling van eiser dat de in rekening gebrachte leges disproportioneel en niet controleerbaar zijn begrijpt de rechtbank aldus dat eiser heeft bedoeld te stellen dat de opbrengstlimiet wordt overschreden.
13. Op grond van artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet moeten legestarieven in verordeningen zodanig worden vastgesteld dat het totaal van de geraamde baten het totaal van de geraamde kosten niet te boven gaat. Bij de beoordeling of de opbrengstlimiet is overschreden, gelden voor de stelplicht en bewijslastverdeling de uitgangspunten die de Hoge Raad uiteen heeft gezet in zijn arresten van april 2014. Uit deze arresten volgt dat, als wordt aangevoerd dat de geraamde baten de geraamde lasten ter zake hebben overschreden, het primair aan verweerder is inzicht te verschaffen in de ramingen. Dat kan op basis van de begroting, maar ook op basis van andere gegevens. Daaruit vloeit noodzakelijk voort dat bij de vaststelling van tarieven niet ten aanzien van alle posten zekerheid of een volledig inzicht kan bestaan. Er kan niet worden verlangd dat van alle genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vast is gelegd hoe de kosten ter zake daarvan zijn geraamd.
14. Het verstrekken van nadere inlichtingen door verweerder wordt uitsluitend verlangd voor zover eiser voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake. Aan de nadere inlichtingen die verweerder in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat verweerder naar vermogen - dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is - duidelijk maakt op grond waarvan hij de door eiser opgeworpen twijfel betwist en waarom dus naar zijn oordeel de door eiser opgeworpen twijfel ongegrond is. Hierbij geldt voorts dat pas dan plaats is voor een correctie van de omvang van een raming, indien verweerder deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen. Verder is het zo dat, indien eiser stelt dat de door verweerder aangeleverde gegevens feitelijk onjuist zijn, op hem de bewijslast rust dit aannemelijk te maken.
15. Verweerder heeft in zijn nader stuk van 6 mei 2026 als bijlage “Memo: Kostendekkendheid omgevingsvergunningen Teylingen 2025” bijgevoegd. Hierin worden onder andere de geraamde kosten en inkomsten voor het jaar 2025 inzichtelijk gemaakt. Daaruit volgt een kostendekkendheid van de begroting van 45% en een gerealiseerde kostendekkendheid van 61%. Dat is naar het oordeel van de rechtbank in eerste instantie voldoende. Eiser heeft ten aanzien van de aard of omvang van de daarin geraamde kosten en inkomsten geen twijfel opgeworpen, en die is ook overigens bij de rechtbank niet gerezen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding aan de juistheid van de geraamde kosten te twijfelen dan wel daar anderszins nadere inlichtingen van verweerder te verlangen. Ook overigens zijn er geen feiten komen vast te staan op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat dat de geraamde opbrengsten uitgaan boven de geraamde lasten. De enkele stelling dat verweerder de gemaakte kosten niet nader heeft gespecificeerd is daartoe onvoldoende. De opbrengstlimiet is dan ook niet overschreden.
16. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 63.
ECLI:NL:HR:2019:1000, overweging 2.4.1.
Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777 en 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:938.