Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:19802
2026-06-10
Bestuursrecht; Belastingrecht
AWB - 23 _ 4906
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
30%-regeling. Gelet op hetgeen is geoordeeld in het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2026 is de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling en het beperkte overgangsrecht in het geval van eiser rechtmatig. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Geen sprake van een individuele en buitensporige last. Ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2026:123 Hoge Raad 13-02-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.311 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/4906
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft eisers verzoek om toepassing van de zogenoemde 30%-regeling als bedoeld in artikel 10ea, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 afgewezen.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2023 de afwijzing gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
De zaak is ter zitting van 23 april 2024 op gezamenlijk verzoek van partijen aangehouden in afwachting van een arrest van de Hoge Raad. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] en mr. [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser was van 1 oktober 2016 tot 1 september 2021 in dienstbetrekking werkzaam bij PwC.
2. Met dagtekening 26 juli 2017 is aan eiser een “Beschikking 30%-regeling” (30%beschikking) gegeven voor zijn tewerkstelling bij PwC met een looptijd van 1 oktober 2016 tot en met 31 augustus 2023.
3. In de 30%-beschikking staat vermeld:
“Deze beschikking is afgegeven op grond van de in het verzoek verstrekte gegevens, en is geldig onder voorbehoud van wijziging in wet- en regelgeving.”
4. In juni 2018 heeft de Belastingdienst aan belastingplichtigen met een 30%-beschikking een brief gestuurd om hen te informeren over het voornemen van het kabinet om per 1 januari 2019 de looptijd van de 30%-regeling te verkorten van acht naar vijf jaar.
5. Bij Wet van 19 december 2018 (Belastingplan 2019) is met ingang van 1 januari 2019 in de delegatiebepaling van (destijds) artikel 31a, lid 7, van de Wet op de loonbelasting 1964 geregeld dat de 30%-regeling voor een werknemer gedurende ten hoogste vijf jaar kan gelden. In artikel XIV van het Belastingplan 2019 is een overgangsbepaling opgenomen die inhoudt dat voor de werknemer die uiterlijk op 31 december 2018 een vergoeding genoot waarop volgens de toen geldende wettelijke regeling de 30%-regeling van toepassing was met een maximumlooptijd van acht of tien jaar, die eerdere regeling van toepassing blijft tot en met uiterlijk 31 december 2020 (het overgangsrecht).
6. In december 2018 heeft de Belastingdienst aan belastingplichtigen met een 30%beschikking een brief gestuurd om hen te informeren dat het wetsvoorstel over de 30%-regeling is aangenomen en wat de gevolgen daarvan zijn voor de looptijd van de 30%-regeling. In die brief staat onder meer:
“Wat is uw nieuwe einddatum van de 30%-regeling?
De nieuwe einddatum van de 30%-regeling hangt af van de einddatum op uw
beschikking. Er geldt een overgangsregeling. In het overzicht ziet u wat de nieuwe
einddatum is.
Einddatum op uw beschikking
valt in:
De nieuwe einddatum is:
2019 of 2020
de einddatum op uw beschikking
2021, 2022 of 2023
31 december 2020
2024 of later
de einddatum op uw beschikking minus 3 jaar
(…)”
7. Verweerder heeft geen nieuwe beschikking aan eiser gegeven waarop een gewijzigde einddatum is vermeld.
8. Per 1 september 2021 is eiser in dienstbetrekking getreden bij Deloitte. Eiser en Deloitte hebben verzocht om toepassing van de 30%-regeling per 1 september 2021 (het verzoek).
9. Met dagtekening 3 juni 2022 heeft verweerder het verzoek afgewezen omdat de einddatum van de 30%-beschikking op grond van het overgangsrecht 31 december 2020 is en er dus geen resterende looptijd meer is per 1 september 2021.
Geschil 10. In geschil is of het verzoek terecht is afgewezen.
11. Eiser stelt dat het verzoek ten onrechte is afgewezen en de 30%-beschikking geldig is tot en met 31 augustus 2023. De verkorting van de looptijd van de 30%-beschikking is volgens eiser onrechtmatig aangezien het beperkte overgangsrecht in strijd is met algemene rechtsbeginselen en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 1 EP EVRM). Eiser stelt ernstig getroffen te zijn door de materieel terugwerkende kracht van de wet.
12. Verweerder stelt dat het verzoek terecht is afgewezen gelet op de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling, waardoor de 30%-beschikking eindigde op 31 december 2020. Verweerder wijst op het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2026 waarin is geoordeeld dat het overgangsrecht rechtmatig is.
Beoordeling van het geschil
13. Gelet op hetgeen is geoordeeld in het voornoemde arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2026 is de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling en het beperkte overgangsrecht rechtmatig. De 30%-beschikking van eiser eindigde dus op 31 december 2020, zodat het verzoek terecht is afgewezen wegens het ontbreken van resterende looptijd. In de procedure voor de Hoge Raad voerde de belastingplichtige evenals eiser aan dat de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling naar vijf jaar en het beperkte overgangsrecht in strijd zijn met algemene rechtsbeginselen (het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel) en met artikel 1 EP EVRM en verdragsbepalingen die discriminatie verbieden. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep ongegrond verklaard en opgemerkt dat de oordelen gelden ongeacht de oorspronkelijke looptijd van de 30%-regeling (tien jaar dan wel acht jaar), en ook ongeacht de begin- en einddatum die zijn genoemd in de beschikking waarbij toepassing van de 30%-regeling is toegestaan. De Hoge Raad heeft onder rechtsoverweging 4.4. expliciet opgemerkt dat ook in gevallen waarin de looptijd van de 30%-regeling en de begin- dan wel einddatum volgens de beschikking een andere is dan in dit geval, geen aanleiding bestaat het beperkte overgangsrecht van artikel XIV van het Belastingplan 2019 buiten toepassing te laten wegens strijd met algemene rechtsbeginselen of met verdragsrecht.
14. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Van een individuele en buitensporige last acht de rechtbank geen sprake. De rechtbank begrijpt dat de verkorting van de looptijd van de 30%-beschikking voor eiser onverwacht en teleurstellend was. Uit eisers verklaring volgt dat dit op financieel en persoonlijk vlak invloed op hem heeft gehad. Dit maakt echter niet dat de wet buiten toepassing moet blijven. Voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie ziet de rechtbank geen aanleiding.
15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
Proceskosten
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Stb. 2018, 504.
ECLI:NL:HR:2026:123.
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/4906
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft eisers verzoek om toepassing van de zogenoemde 30%-regeling als bedoeld in artikel 10ea, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 afgewezen.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2023 de afwijzing gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
De zaak is ter zitting van 23 april 2024 op gezamenlijk verzoek van partijen aangehouden in afwachting van een arrest van de Hoge Raad. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] en mr. [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser was van 1 oktober 2016 tot 1 september 2021 in dienstbetrekking werkzaam bij PwC.
2. Met dagtekening 26 juli 2017 is aan eiser een “Beschikking 30%-regeling” (30%beschikking) gegeven voor zijn tewerkstelling bij PwC met een looptijd van 1 oktober 2016 tot en met 31 augustus 2023.
3. In de 30%-beschikking staat vermeld:
“Deze beschikking is afgegeven op grond van de in het verzoek verstrekte gegevens, en is geldig onder voorbehoud van wijziging in wet- en regelgeving.”
4. In juni 2018 heeft de Belastingdienst aan belastingplichtigen met een 30%-beschikking een brief gestuurd om hen te informeren over het voornemen van het kabinet om per 1 januari 2019 de looptijd van de 30%-regeling te verkorten van acht naar vijf jaar.
5. Bij Wet van 19 december 2018 (Belastingplan 2019) is met ingang van 1 januari 2019 in de delegatiebepaling van (destijds) artikel 31a, lid 7, van de Wet op de loonbelasting 1964 geregeld dat de 30%-regeling voor een werknemer gedurende ten hoogste vijf jaar kan gelden. In artikel XIV van het Belastingplan 2019 is een overgangsbepaling opgenomen die inhoudt dat voor de werknemer die uiterlijk op 31 december 2018 een vergoeding genoot waarop volgens de toen geldende wettelijke regeling de 30%-regeling van toepassing was met een maximumlooptijd van acht of tien jaar, die eerdere regeling van toepassing blijft tot en met uiterlijk 31 december 2020 (het overgangsrecht).
6. In december 2018 heeft de Belastingdienst aan belastingplichtigen met een 30%beschikking een brief gestuurd om hen te informeren dat het wetsvoorstel over de 30%-regeling is aangenomen en wat de gevolgen daarvan zijn voor de looptijd van de 30%-regeling. In die brief staat onder meer:
“Wat is uw nieuwe einddatum van de 30%-regeling?
De nieuwe einddatum van de 30%-regeling hangt af van de einddatum op uw
beschikking. Er geldt een overgangsregeling. In het overzicht ziet u wat de nieuwe
einddatum is.
Einddatum op uw beschikking
valt in:
De nieuwe einddatum is:
2019 of 2020
de einddatum op uw beschikking
2021, 2022 of 2023
31 december 2020
2024 of later
de einddatum op uw beschikking minus 3 jaar
(…)”
7. Verweerder heeft geen nieuwe beschikking aan eiser gegeven waarop een gewijzigde einddatum is vermeld.
8. Per 1 september 2021 is eiser in dienstbetrekking getreden bij Deloitte. Eiser en Deloitte hebben verzocht om toepassing van de 30%-regeling per 1 september 2021 (het verzoek).
9. Met dagtekening 3 juni 2022 heeft verweerder het verzoek afgewezen omdat de einddatum van de 30%-beschikking op grond van het overgangsrecht 31 december 2020 is en er dus geen resterende looptijd meer is per 1 september 2021.
Geschil 10. In geschil is of het verzoek terecht is afgewezen.
11. Eiser stelt dat het verzoek ten onrechte is afgewezen en de 30%-beschikking geldig is tot en met 31 augustus 2023. De verkorting van de looptijd van de 30%-beschikking is volgens eiser onrechtmatig aangezien het beperkte overgangsrecht in strijd is met algemene rechtsbeginselen en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 1 EP EVRM). Eiser stelt ernstig getroffen te zijn door de materieel terugwerkende kracht van de wet.
12. Verweerder stelt dat het verzoek terecht is afgewezen gelet op de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling, waardoor de 30%-beschikking eindigde op 31 december 2020. Verweerder wijst op het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2026 waarin is geoordeeld dat het overgangsrecht rechtmatig is.
Beoordeling van het geschil
13. Gelet op hetgeen is geoordeeld in het voornoemde arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2026 is de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling en het beperkte overgangsrecht rechtmatig. De 30%-beschikking van eiser eindigde dus op 31 december 2020, zodat het verzoek terecht is afgewezen wegens het ontbreken van resterende looptijd. In de procedure voor de Hoge Raad voerde de belastingplichtige evenals eiser aan dat de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling naar vijf jaar en het beperkte overgangsrecht in strijd zijn met algemene rechtsbeginselen (het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel) en met artikel 1 EP EVRM en verdragsbepalingen die discriminatie verbieden. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep ongegrond verklaard en opgemerkt dat de oordelen gelden ongeacht de oorspronkelijke looptijd van de 30%-regeling (tien jaar dan wel acht jaar), en ook ongeacht de begin- en einddatum die zijn genoemd in de beschikking waarbij toepassing van de 30%-regeling is toegestaan. De Hoge Raad heeft onder rechtsoverweging 4.4. expliciet opgemerkt dat ook in gevallen waarin de looptijd van de 30%-regeling en de begin- dan wel einddatum volgens de beschikking een andere is dan in dit geval, geen aanleiding bestaat het beperkte overgangsrecht van artikel XIV van het Belastingplan 2019 buiten toepassing te laten wegens strijd met algemene rechtsbeginselen of met verdragsrecht.
14. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Van een individuele en buitensporige last acht de rechtbank geen sprake. De rechtbank begrijpt dat de verkorting van de looptijd van de 30%-beschikking voor eiser onverwacht en teleurstellend was. Uit eisers verklaring volgt dat dit op financieel en persoonlijk vlak invloed op hem heeft gehad. Dit maakt echter niet dat de wet buiten toepassing moet blijven. Voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie ziet de rechtbank geen aanleiding.
15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
Proceskosten
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Stb. 2018, 504.
ECLI:NL:HR:2026:123.