Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:1976
2026-01-30
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.2594
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring. Buiten zitting. Beroep ongegrond. Referte.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2022:667 Raad van State 07-03-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.365 tekens)
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.2594
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 20 januari 2026 de gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 23 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 26 januari 2026.
Overwegingen
Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw. In dit artikel staat dat, indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, het belang van de openbare orde geacht wordt de bewaring van de vreemdeling te vorderen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling schept deze grondslag een rechtsvermoeden dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert.1
Eiser refereert zich aan het oordeel van de rechtbank en voert geen gronden aan. De minister heeft desgevraagd aangegeven dat eiser op 27 januari 2026 zal terugkeren naar Italië.
1. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:667.
3. De rechtbank is (ambtshalve) niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 januari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.2594
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 20 januari 2026 de gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 23 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 26 januari 2026.
Overwegingen
Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw. In dit artikel staat dat, indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, het belang van de openbare orde geacht wordt de bewaring van de vreemdeling te vorderen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling schept deze grondslag een rechtsvermoeden dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert.1
Eiser refereert zich aan het oordeel van de rechtbank en voert geen gronden aan. De minister heeft desgevraagd aangegeven dat eiser op 27 januari 2026 zal terugkeren naar Italië.
1. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:667.
3. De rechtbank is (ambtshalve) niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 januari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.