Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:19662
2026-04-02
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.60842, NL25.60843 en NL26.9351
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin Slovenië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, AIDA, artikel 17 Dv, beroep tegen verlengingsbesluit, onderduiken.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18966 Rechtbank Den Haag 10-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2022:3630 Raad van State 14-12-2022
- ECLI:NL:RVS:2024:2935 Raad van State 17-07-2024
- ECLI:EU:C:2019:218
- ECLI:NL:RVS:2023:16 Raad van State 05-01-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.903 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.60842 (beroep tegen Asiel-Dublin/overdrachtsbesluit), NL25.60843 (voorlopige voorziening) en NL26.9351 (beroep tegen verlengingsbesluit).
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
(gemachtigde: mr. C.H.R. Vink).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (NL25.60842). De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 december 2025 niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de aanvraag en heeft bepaald dat eiser wordt overgedragen binnen zes maanden na het claimakkoord.
1.2.
Bij besluit van 12 februari 2026 (het verlengingsbesluit) heeft verweerder de overdrachtstermijn verlengd tot 18 maanden op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege onderduiken.
1.3.
Eiser heeft op 12 februari 2026 tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld (NL26.9351).
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.5.
Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.60843) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1979 en heeft de Turkse nationaliteit. Op
14 augustus 2025 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Slovenië asiel heeft aangevraagd. Slovenië is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
3. Verweerder heeft de termijn voor overdracht overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd omdat sprake is van onderduiken.
4. De rechtbank stelt allereest vast dat ondanks de zogenoemde ‘mob-melding’ er sprake is van procesbelang. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven nog contact te hebben gehad met eiser.
Het beroep tegen het Asiel-Dublin/overdrachtsbesluit (NL25.60842)
Wat vindt eiser in beroep?
5. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat ten aanzien van Slovenië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser verwijst naar een uitspraak van zittingsplaats Amsterdam en naar de AIDA-rapporten van mei 2024 en juli 2025. Deze dateren van na de uitspraken van de Afdeling waar verweerder in het bestreden besluit naar heeft verwezen en nopen tot een nadere onderzoekplicht voor verweerder. Eiser heeft hierbij gewezen op de mogelijkheid dat de opvangomstandigheden niet voldoen aan de vereisten van de Opvangrichtlijn. Ook is het niet duidelijk of er in Slovenië nog sprake is van een effectief rechtsmiddel tegen een mogelijke schending van artikel 3 EVRM of artikel 4 van het Handvest nu vluchtelingenadviseurs kunnen worden ontslagen als zij informatie over hun cliënten niet delen met het Ministerie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Slovenië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat inmiddels door verweerder hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam, zodat deze nog niet definitief is. De verwijzing naar voornoemde uitspraak leidt verder niet tot de conclusie dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat eisers stellingen over de mogelijke problemen in de Sloveense opvangvoorzieningen en het Sloveense beleid omtrent vluchtelingenadviseurs, evenals de verwijzing naar de AIDA-rapporten, onvoldoende zijn voor de conclusie dat de bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid is behaald of dat er daadwerkelijk sprake is van een systeemfout in de Sloveense asiel- en opvangprocedure. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het aannemen van een nadere onderzoeksplicht voor verweerder. Daarnaast hebben de Sloveense autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd het asielverzoek in behandeling te nemen en is Slovenië onder meer partij is bij het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en de richtlijnen van de Europese Unie op het gebied van het asielrecht. Van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de Sloveense asielprocedure, opvangvoorzieningen, of anderszins beklaagt bij de (hogere) Sloveense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Sloveense autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.
Artikel 17 van de Dublinverordening
9. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, nu deze niet zijn onderbouwd of zo bijzonder waren dat deze daartoe hadden genoopt.
10. Het gevolg is dat eiser wordt overgedragen binnen zes maanden na het claimakkoord van Slovenië.
Het beroep tegen het verlengingsbesluit (NL26.9351)
Wat vindt eiser in beroep?
11. Eiser betwist dat er sprake is geweest van onderduiken. Gemachtigde van eiser heeft recentelijk nog contact met eiser gehad en die heeft bevestigd dat hij nog in de opvang zat. Verweerder heeft in het besluit volstaan met een mededeling dat eiser vertrokken is, zonder nadere onderbouwing.
Onderduiken
12. De rechtbank stelt vast dat verweerder per brief van 16 januari 2026 heeft laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij zich niet opnieuw heeft gemeld bij de opvanglocatie. Daarnaast heeft verweerder nog een printscreen overgelegd waaruit volgt dat eiser op 11 februari 2026 zelfstandig zijn woonruimte heeft verlaten. Voor onderduiken is volgens vaste rechtspraak, onder verwijzing naar het arrest Jawo, vereist dat een vreemdeling doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten blijft. De Afdeling heeft overwogen dat uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat artikel 29, tweede lid van de Dublinverordening zo uitgelegd moet worden dat verweerder er – als de overdracht niet kan worden uitgevoerd omdat de betrokken vreemdeling zijn toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de autoriteiten daarvan op de hoogte te brengen – van mag uitgaan dat hij de bedoeling had onder te duiken om de overdracht te voorkomen, op voorwaarde dat hij zich bewust was van zijn verplichtingen. Het is aan de betrokken vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij een dergelijke bedoeling niet had en dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid. Hierin is eiser niet geslaagd. De enkele ontkenning dat eiser niet was ondergedoken is onvoldoende. De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft onderbouwd dat er geen sprake was van onderduiken. Hij is ook niet verschenen bij het vertrekgesprek van 12 februari 2026. De rechtbank volgt de stelling van verweerder ter zitting dat eiser wel was geïnformeerd over zijn verplichtingen, gelet op het ondertekende M35-H formulier. Verder was eiser niet op zitting aanwezig om een nadere toelichting te geven.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat de beroepen ongegrond zijn en de besluiten van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen en de overdrachtstermijn te verlengen, in stand blijven.
11. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht.
Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
ECLI:NL:RBDHA:2025:18966.
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630 en van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2935.
ECLI:EU:C:2019:218.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:16.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.60842 (beroep tegen Asiel-Dublin/overdrachtsbesluit), NL25.60843 (voorlopige voorziening) en NL26.9351 (beroep tegen verlengingsbesluit).
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
(gemachtigde: mr. C.H.R. Vink).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (NL25.60842). De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 december 2025 niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de aanvraag en heeft bepaald dat eiser wordt overgedragen binnen zes maanden na het claimakkoord.
1.2.
Bij besluit van 12 februari 2026 (het verlengingsbesluit) heeft verweerder de overdrachtstermijn verlengd tot 18 maanden op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege onderduiken.
1.3.
Eiser heeft op 12 februari 2026 tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld (NL26.9351).
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.5.
Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.60843) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1979 en heeft de Turkse nationaliteit. Op
14 augustus 2025 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Slovenië asiel heeft aangevraagd. Slovenië is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
3. Verweerder heeft de termijn voor overdracht overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd omdat sprake is van onderduiken.
4. De rechtbank stelt allereest vast dat ondanks de zogenoemde ‘mob-melding’ er sprake is van procesbelang. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven nog contact te hebben gehad met eiser.
Het beroep tegen het Asiel-Dublin/overdrachtsbesluit (NL25.60842)
Wat vindt eiser in beroep?
5. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat ten aanzien van Slovenië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser verwijst naar een uitspraak van zittingsplaats Amsterdam en naar de AIDA-rapporten van mei 2024 en juli 2025. Deze dateren van na de uitspraken van de Afdeling waar verweerder in het bestreden besluit naar heeft verwezen en nopen tot een nadere onderzoekplicht voor verweerder. Eiser heeft hierbij gewezen op de mogelijkheid dat de opvangomstandigheden niet voldoen aan de vereisten van de Opvangrichtlijn. Ook is het niet duidelijk of er in Slovenië nog sprake is van een effectief rechtsmiddel tegen een mogelijke schending van artikel 3 EVRM of artikel 4 van het Handvest nu vluchtelingenadviseurs kunnen worden ontslagen als zij informatie over hun cliënten niet delen met het Ministerie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Slovenië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat inmiddels door verweerder hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam, zodat deze nog niet definitief is. De verwijzing naar voornoemde uitspraak leidt verder niet tot de conclusie dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat eisers stellingen over de mogelijke problemen in de Sloveense opvangvoorzieningen en het Sloveense beleid omtrent vluchtelingenadviseurs, evenals de verwijzing naar de AIDA-rapporten, onvoldoende zijn voor de conclusie dat de bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid is behaald of dat er daadwerkelijk sprake is van een systeemfout in de Sloveense asiel- en opvangprocedure. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het aannemen van een nadere onderzoeksplicht voor verweerder. Daarnaast hebben de Sloveense autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd het asielverzoek in behandeling te nemen en is Slovenië onder meer partij is bij het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en de richtlijnen van de Europese Unie op het gebied van het asielrecht. Van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de Sloveense asielprocedure, opvangvoorzieningen, of anderszins beklaagt bij de (hogere) Sloveense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Sloveense autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.
Artikel 17 van de Dublinverordening
9. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, nu deze niet zijn onderbouwd of zo bijzonder waren dat deze daartoe hadden genoopt.
10. Het gevolg is dat eiser wordt overgedragen binnen zes maanden na het claimakkoord van Slovenië.
Het beroep tegen het verlengingsbesluit (NL26.9351)
Wat vindt eiser in beroep?
11. Eiser betwist dat er sprake is geweest van onderduiken. Gemachtigde van eiser heeft recentelijk nog contact met eiser gehad en die heeft bevestigd dat hij nog in de opvang zat. Verweerder heeft in het besluit volstaan met een mededeling dat eiser vertrokken is, zonder nadere onderbouwing.
Onderduiken
12. De rechtbank stelt vast dat verweerder per brief van 16 januari 2026 heeft laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij zich niet opnieuw heeft gemeld bij de opvanglocatie. Daarnaast heeft verweerder nog een printscreen overgelegd waaruit volgt dat eiser op 11 februari 2026 zelfstandig zijn woonruimte heeft verlaten. Voor onderduiken is volgens vaste rechtspraak, onder verwijzing naar het arrest Jawo, vereist dat een vreemdeling doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten blijft. De Afdeling heeft overwogen dat uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat artikel 29, tweede lid van de Dublinverordening zo uitgelegd moet worden dat verweerder er – als de overdracht niet kan worden uitgevoerd omdat de betrokken vreemdeling zijn toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de autoriteiten daarvan op de hoogte te brengen – van mag uitgaan dat hij de bedoeling had onder te duiken om de overdracht te voorkomen, op voorwaarde dat hij zich bewust was van zijn verplichtingen. Het is aan de betrokken vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij een dergelijke bedoeling niet had en dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid. Hierin is eiser niet geslaagd. De enkele ontkenning dat eiser niet was ondergedoken is onvoldoende. De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft onderbouwd dat er geen sprake was van onderduiken. Hij is ook niet verschenen bij het vertrekgesprek van 12 februari 2026. De rechtbank volgt de stelling van verweerder ter zitting dat eiser wel was geïnformeerd over zijn verplichtingen, gelet op het ondertekende M35-H formulier. Verder was eiser niet op zitting aanwezig om een nadere toelichting te geven.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat de beroepen ongegrond zijn en de besluiten van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen en de overdrachtstermijn te verlengen, in stand blijven.
11. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht.
Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
ECLI:NL:RBDHA:2025:18966.
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630 en van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2935.
ECLI:EU:C:2019:218.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:16.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.