Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:19656
2026-07-16
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Awb 26-1564
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vovo. Minister verzet zich niet, voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe. De voorzieningenrechter kent geen proceskostenvergoeding toe. Verzoekster heeft namelijk zelf het verzoekschrift en een nadere motivering ingediend. De gemachtigde heeft zich pas daarna gesteld. Dit maakt dat de gemachtigde geen proceshandelingen heeft verricht die op grond van het Bpb in aanmerking komen voor vergoeding.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2022:92 Raad van State 13-01-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.271 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: Awb 26/1564
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juli 2026 in de zaak tussen
[naam], verzoekster,V-nummer: [nummer],
mede namens haar minderjarige zoon,V-nummer: [nummer],(gemachtigde: mr. A.A. Agayev),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. D. Post).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening.
1.1.
De minister heeft met het besluit van 26 januari 2026 de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen. Aan verzoekster is daarbij, met verwijzing naar het op 27 november 2023 opgelegde terugkeerbesluit, een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
1.2.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen om de behandeling van het bezwaar in Nederland te mogen afwachten.
1.3.
De minister heeft op 7 juli 2026 per brief laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek en geeft toestemming de zaak buiten zitting af te doen. Verzoekster heeft op 8 juli 2026 aangegeven af te zien van de zitting en de rechtbank verzocht de zaak op de stukken af te doen. De rechtbank doet daarom uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
Omdat de minister zich niet verzet tegen de toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletstelen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoekster en haar minderjarige zoon niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.
Conclusie en gevolgen
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet de minister het griffierecht aan verzoekster vergoeden.
3.1.
De voorzieningenrechter kent geen proceskostenvergoeding toe. Verzoekster heeft namelijk zelf het verzoekschrift en een nadere motivering ingediend. De gemachtigde heeft zich pas daarna gesteld. Dit maakt dat de gemachtigde geen proceshandelingen heeft verricht die op grond van het Bpb in aanmerking komen voor vergoeding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort en verzoekster en haar minderjarige zoon niet mogen worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Veenstra – van der Veen, griffier, op 16 juli 2026, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Algemene wet bestuursrecht.
Besluit proceskosten bestuursrecht.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 13 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:92), r.o. 4.1.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: Awb 26/1564
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juli 2026 in de zaak tussen
[naam], verzoekster,V-nummer: [nummer],
mede namens haar minderjarige zoon,V-nummer: [nummer],(gemachtigde: mr. A.A. Agayev),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. D. Post).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening.
1.1.
De minister heeft met het besluit van 26 januari 2026 de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen. Aan verzoekster is daarbij, met verwijzing naar het op 27 november 2023 opgelegde terugkeerbesluit, een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
1.2.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen om de behandeling van het bezwaar in Nederland te mogen afwachten.
1.3.
De minister heeft op 7 juli 2026 per brief laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek en geeft toestemming de zaak buiten zitting af te doen. Verzoekster heeft op 8 juli 2026 aangegeven af te zien van de zitting en de rechtbank verzocht de zaak op de stukken af te doen. De rechtbank doet daarom uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
Omdat de minister zich niet verzet tegen de toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletstelen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoekster en haar minderjarige zoon niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.
Conclusie en gevolgen
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet de minister het griffierecht aan verzoekster vergoeden.
3.1.
De voorzieningenrechter kent geen proceskostenvergoeding toe. Verzoekster heeft namelijk zelf het verzoekschrift en een nadere motivering ingediend. De gemachtigde heeft zich pas daarna gesteld. Dit maakt dat de gemachtigde geen proceshandelingen heeft verricht die op grond van het Bpb in aanmerking komen voor vergoeding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort en verzoekster en haar minderjarige zoon niet mogen worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Veenstra – van der Veen, griffier, op 16 juli 2026, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Algemene wet bestuursrecht.
Besluit proceskosten bestuursrecht.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 13 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:92), r.o. 4.1.