Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:19585
2026-06-24
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.32871
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring, eerste beroep, gronden voor de maatregel, zicht op overdracht, lichter middel, ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2003:AH9705 Raad van State 22-05-2003
- ECLI:NL:RVS:2015:674 Raad van State 23-02-2015
- ECLI:NL:RVS:2015:1309 Raad van State 10-04-2015
- ECLI:EU:C:2014:1320
- ECLI:EU:C:2022:858
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.263 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32871
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. Van der Burg).
Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Z. Karem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Gronden voor de maatregel
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser heeft alle zware en lichte gronden betwist en stelt dat er daarom onvoldoende gronden zijn voor de maatregel van bewaring. Vanwege het ontbreken van voldoende gronden voor de maatregel van bewaring, vindt eiser dat de inbewaringstelling onrechtmatig heeft plaatsgevonden.
3. Wat eiser heeft aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Eiser heeft over zware grond 3a betoogd dat deze hem niet tegengeworpen had mogen worden, omdat het enkel niet hebben van een paspoort en visum niet betekent dat eiser onrechtmatig Nederland is binnengereisd. Bovendien lag eisers identiteitskaart in Duitsland. De rechtbank overweegt in dit kader dat eiser als persoon met de Iraakse nationaliteit is gehouden om bij binnenkomst in Nederland over een paspoort met een visum dan wel een machtiging tot voorlopig verblijf te beschikken. Nu eiser over geen van deze documenten beschikte bij binnenkomst in Nederland, is deze grond feitelijk juist. Daarom kon deze aan de maatregel ten grondslag worden gelegd.
4. Verder heeft eiser de lichte grond 4c betwist, omdat eiser bereid is terug te keren naar Duitsland en meewerkt. Voor de toepassing van de lichte grond 4c is echter alleen relevant of eiser een vaste woon- en verblijfplaats heeft en verweerder het onttrekkingsrisico voldoende heeft toegelicht. Het is feitelijk juist dat eiser niet beschikt over een adres in de Basisregistratie Personen (BRP-adres). Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat dit betekent dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AH9705). Bovendien heeft eiser niet anderszins aannemelijk gemaakt dat hij, ondanks het niet beschikken over een BRP-adres, wel een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is het onttrekkingsrisico dat uit deze omstandigheid voortkomt in de voorliggende maatregel voldoende gemotiveerd door verweerder. Aangezien de zware grond 3a en lichte grond 4c de maatregel voldoende dragen, hoeft de rechtbank de overige gronden niet meer te bespreken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op overdracht
5. Eiser betoogt dat er geen zicht op overdracht bestaat in zijn geval: er is geen sprake van enig zicht op vrijlating of überhaupt duidelijkheid over zijn situatie.
6. De rechtbank overweegt dat er nog geen claimakkoord is ontvangen van de Duitse autoriteiten. Echter betekent het ontbreken van dit claimakkoord niet dat er geen sprake van een zicht op overdracht. Ook zijn er geen andere omstandigheden die de rechtbank aanleiding geven om tot het oordeel te komen dat er geen zicht op overdacht is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
7. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij zelfstandig naar Duitsland wil vertrekken. Eiser verwijst in dit verband naar artikel 59c van de Vw en betoogt dat een meldplicht passender zou zijn geweest. Verder stelt eiser dat hij onvoldoende de gelegenheid heeft gekregen om feiten en omstandigheden naar voren te brengen ter onderbouwing van zijn standpunt dat een lichter middel afdoende zou zijn geweest. Ook valt de bewaring hem heel zwaar.
8. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit de gronden van de maatregel een significant onttrekkingsrisico blijkt. Bovendien zijn de omstandigheden waarin eiser is aangetroffen, te weten in een trailer met het oog op illegale uitreis naar het Verenigd Koninkrijk, in het bijzonder redengevend voor de rechtbank om van een onttrekkingsrisico uit te gaan. Gezien het onttrekkingsrisico dat van eiser uitgaat, biedt een lichter middel zoals een meldplicht onvoldoende waarborg dat de eisers Dublinoverdracht daadwerkelijk zal plaatsvinden. Verder oordeelt de rechtbank dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad in het gehoor om zijn zienswijze over de maatregel van bewaring te geven, omdat de verhorend ambtenaar aan eiser heeft gevraagd: ‘Welke redenen kunt u mij geven om u niet in vreemdelingenbewaring te stellen?’. Hiernaast heeft eiser verklaard in goede gezondheid te verkeren. De rechtbank constateert dat er een sterk onttrekkingsrisico aanwezig is, dat er geen omstandigheden zijn die inbewaringstelling onredelijk bezwarend maken en dat eiser voldoende de mogelijkheid heeft gehad om te beargumenteren waarom een lichter middel passender zou zijn geweest. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32871
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. Van der Burg).
Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Z. Karem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Gronden voor de maatregel
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser heeft alle zware en lichte gronden betwist en stelt dat er daarom onvoldoende gronden zijn voor de maatregel van bewaring. Vanwege het ontbreken van voldoende gronden voor de maatregel van bewaring, vindt eiser dat de inbewaringstelling onrechtmatig heeft plaatsgevonden.
3. Wat eiser heeft aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Eiser heeft over zware grond 3a betoogd dat deze hem niet tegengeworpen had mogen worden, omdat het enkel niet hebben van een paspoort en visum niet betekent dat eiser onrechtmatig Nederland is binnengereisd. Bovendien lag eisers identiteitskaart in Duitsland. De rechtbank overweegt in dit kader dat eiser als persoon met de Iraakse nationaliteit is gehouden om bij binnenkomst in Nederland over een paspoort met een visum dan wel een machtiging tot voorlopig verblijf te beschikken. Nu eiser over geen van deze documenten beschikte bij binnenkomst in Nederland, is deze grond feitelijk juist. Daarom kon deze aan de maatregel ten grondslag worden gelegd.
4. Verder heeft eiser de lichte grond 4c betwist, omdat eiser bereid is terug te keren naar Duitsland en meewerkt. Voor de toepassing van de lichte grond 4c is echter alleen relevant of eiser een vaste woon- en verblijfplaats heeft en verweerder het onttrekkingsrisico voldoende heeft toegelicht. Het is feitelijk juist dat eiser niet beschikt over een adres in de Basisregistratie Personen (BRP-adres). Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat dit betekent dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AH9705). Bovendien heeft eiser niet anderszins aannemelijk gemaakt dat hij, ondanks het niet beschikken over een BRP-adres, wel een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is het onttrekkingsrisico dat uit deze omstandigheid voortkomt in de voorliggende maatregel voldoende gemotiveerd door verweerder. Aangezien de zware grond 3a en lichte grond 4c de maatregel voldoende dragen, hoeft de rechtbank de overige gronden niet meer te bespreken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op overdracht
5. Eiser betoogt dat er geen zicht op overdracht bestaat in zijn geval: er is geen sprake van enig zicht op vrijlating of überhaupt duidelijkheid over zijn situatie.
6. De rechtbank overweegt dat er nog geen claimakkoord is ontvangen van de Duitse autoriteiten. Echter betekent het ontbreken van dit claimakkoord niet dat er geen sprake van een zicht op overdracht. Ook zijn er geen andere omstandigheden die de rechtbank aanleiding geven om tot het oordeel te komen dat er geen zicht op overdacht is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
7. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij zelfstandig naar Duitsland wil vertrekken. Eiser verwijst in dit verband naar artikel 59c van de Vw en betoogt dat een meldplicht passender zou zijn geweest. Verder stelt eiser dat hij onvoldoende de gelegenheid heeft gekregen om feiten en omstandigheden naar voren te brengen ter onderbouwing van zijn standpunt dat een lichter middel afdoende zou zijn geweest. Ook valt de bewaring hem heel zwaar.
8. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit de gronden van de maatregel een significant onttrekkingsrisico blijkt. Bovendien zijn de omstandigheden waarin eiser is aangetroffen, te weten in een trailer met het oog op illegale uitreis naar het Verenigd Koninkrijk, in het bijzonder redengevend voor de rechtbank om van een onttrekkingsrisico uit te gaan. Gezien het onttrekkingsrisico dat van eiser uitgaat, biedt een lichter middel zoals een meldplicht onvoldoende waarborg dat de eisers Dublinoverdracht daadwerkelijk zal plaatsvinden. Verder oordeelt de rechtbank dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad in het gehoor om zijn zienswijze over de maatregel van bewaring te geven, omdat de verhorend ambtenaar aan eiser heeft gevraagd: ‘Welke redenen kunt u mij geven om u niet in vreemdelingenbewaring te stellen?’. Hiernaast heeft eiser verklaard in goede gezondheid te verkeren. De rechtbank constateert dat er een sterk onttrekkingsrisico aanwezig is, dat er geen omstandigheden zijn die inbewaringstelling onredelijk bezwarend maken en dat eiser voldoende de mogelijkheid heeft gehad om te beargumenteren waarom een lichter middel passender zou zijn geweest. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.