Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:19572

2026-03-20 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.27593
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-20
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.27593
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eiseres heeft een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf gedaan om bij haar meerderjarige dochter en minderjarige kleindochter in Nederland te kunnen verblijven. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister geen familie- en gezinsleven heeft mogen aannemen tussen eiseres en haar meerderjarige dochter zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ook heeft de minister volgens de rechtbank mogen vinden dat geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar kleindochter. Omdat de minister geen familie- en gezinsleven tussen de familieleden hoefde aan te nemen, hoefde de minister ook geen belangenafweging te maken. Het beroep is ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.549 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: NL25.27593


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister de aanvraag van eiseres om bij haar dochter en kleindochter in Nederland te verblijven mocht afwijzen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag om gezinshereniging in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

4. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.

5. De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, referent, J.A. Matti als tolk en de gemachtigde van de minister.



Beoordeling door de rechtbank



Het bestreden besluit


6. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat tussen eiseres en referent geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dit omdat geen sprake is van omstandigheden die maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen eiseres en referent. De minister neemt tussen eiseres en haar kleindochter [naam] (kleindochter) ook geen beschermingswaardig familieleven aan. Dit omdat geen sprake is van omstandigheden die maken dat er hechte persoonlijke banden zijn tussen eiseres en haar kleindochter.



Het standpunt van eiseres


7. Eiseres voert aan dat de minister geen integrale beoordeling heeft gemaakt van alle omstandigheden die relevant zijn voor de vraag sprake is van beschermingswaardig familieleven tussen haar en referent en tussen haar en haar kleindochter. Eiseres voert aan dat zij altijd met referent en haar kleindochter heeft samengewoond en dat dit een sterke aanwijzing is dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Ook kan de minister volgens eiseres niet aan haar tegenwerpen dat zij niet langer met referent en haar kleindochter samenwoont, omdat dit het gevolg is van een vluchtsituatie uit Syrië. Verder voert eiseres aan dat zij volledig financieel afhankelijk is van referent. Ook is eiseres emotioneel afhankelijk van referent en haar kleindochter. Zij heeft elke dag contact met referent en haar kleindochter en zij videobellen regelmatig. Verder is eiseres gezien haar depressie en de daarbij benodigde zorg ook van referent afhankelijk. Referent helpt eiseres eraan te herinneren dat zij haar medicijnen neemt en voldoende eet en drinkt. Referent komt niet toe aan haar eigen leven met haar gezin, omdat alles in het teken staat van (de zorg voor en zorgen over) eiseres. De minister stelt volgens eiseres ten onrechte dat bijkomende elementen van afhankelijkheid niet op afstand kunnen ontstaan en wijst er ook op dat sprake moet zijn van een reële en substantiële afhankelijkheid en niet van exclusieve of volstrekte afhankelijkheid. Tenslotte had de minister een belangenafweging moeten maken, omdat sprake is van beschermingswaardig familieleven tussen eiseres en referent en tussen eiseres en haar kleindochter.



Bijkomende elementen van afhankelijkheid (eiseres en referent)


8. De rechtbank overweegt dat tussen meerderjarige familieleden familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM kan bestaan als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de beoordeling, of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, van feitelijke aard is waarbij de minister een brede beoordeling moet maken en alle individuele omstandigheden van de vreemdeling moet betrekken. De minister heeft bij het wegen van de feiten en omstandigheden beoordelingsruimte en dus toetst de rechtbank dit terughoudend. Voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid is niet vereist dat een vreemdeling exclusief afhankelijk is van een referent en zonder referent niet zelfstandig kan functioneren.

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tussen eiseres en referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan en dat daarmee geen sprake is van familieleven tussen hen zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank vindt voor dat oordeel de volgende omstandigheden van belang.



Samenwonen


10. Eiseres heeft altijd met referent en de echtgenoot van referent samengewoond in Syrië. In 2015 is het gezin gevlucht uit Syrië naar Turkije waar zij twee jaar hebben verbleven. Tijdens dit verblijf in Turkije is de dochter van referent geboren (de kleindochter van eiseres). De echtgenoot van referent is uit Turkije vertrokken en heeft een verblijfsvergunning in Nederland gekregen. Referent en de kleindochter van eiseres zijn vervolgens in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen.

11. De minister heeft in het bestreden besluit niet betwist dat eiseres en referent in Syrië en Turkije hebben samengewoond. Daar staat echter tegenover dat referent de keuze heeft gemaakt om eiseres in Turkije achter te laten en zich te herenigen met haar echtgenoot in Nederland met als gevolg dat zij de afgelopen zeven jaar niet meer met eiseres heeft samengewoond. Verder kan de rechtbank de stelling van eiseres niet volgen dat de minister rekening had moeten houden met de gedwongen scheiding als gevolg van een vluchtsituatie. Eiseres en referent hebben na hun vertrek uit Syrië twee jaar in Turkije verbleven. Referent heeft Turkije vervolgens verlaten om zich te herenigen met haar echtgenoot in Nederland. Van een gedwongen scheiding als gevolg van een vluchtsituatie was dus geen sprake.



Financiële afhankelijkheid



12. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar financiële afhankelijkheid van referent een aantal stukken overgelegd waaronder een werkgeversverklaring en loonstroken van de echtgenoot van referent. Ook heeft eiseres een aantal bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat referent en haar echtgenoot meerdere keren geld hebben opgenomen en dit aan diverse personen in Turkije hebben gestuurd.
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat met de overgelegde documenten niet aannemelijk is gemaakt dat zij financieel afhankelijk is van referent en haar echtgenoot. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat eiseres het geld ook daadwerkelijk ontvangt, ook niet van derden in haar omgeving. Bovendien kan, zoals de minister in het bestreden besluit heeft gesteld, de financiële afhankelijkheid ook op afstand worden voortgezet als daarvan sprake zou zijn.




Medische afhankelijkheid


14. Eiseres stelt dat zij depressief is en daarom afhankelijk is van referent om haar eraan te herinneren haar medicijnen te nemen en voldoende te eten en te drinken. De minister betwist niet dat eiseres lijdt aan een depressie. De minister betwist wel dat aannemelijk is geworden dat die depressie tot gevolg heeft dat eiseres van referent afhankelijk is van medische zorg en praktische ondersteuning, waaronder het herinneren aan het nemen van medicijnen en het voldoende eten en drinken. De rechtbank kan dit standpunt van de minister volgen. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat of welke medicijnen zij moet nemen. Ook uit de door eiseres overgelegde verklaring van haar psychiater kan niet worden opgemaakt dat eiseres afhankelijk is van referent. De rechtbank is met de minister van oordeel dat uit deze verklaring alleen blijkt dat het wenselijk is dat eiseres een sociaal netwerk heeft of sociale ondersteuning krijgt van haar familieleden. Uit de stukken blijkt dat de zus van referent nog in Turkije woont. Dat de zus van referent geen zorg kan verlenen, omdat zij druk is met haar werk en studie heeft eiseres enkel gesteld en niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt.



Emotionele afhankelijkheid


15. De rechtbank begrijpt dat eiseres en referent graag met elkaar herenigd willen worden. De minister heeft zich echter op het standpunt kunnen stellen dat dit niet ongebruikelijk is tussen ouders en hun kinderen, ook als zij meerderjarig zijn. Bovendien bestaat er geen objectieve belemmering voor referent om het familieleven in Turkije uit te oefenen of om eiseres te blijven bezoeken in Turkije.



Conclusie bijkomende elementen


16. De minister heeft in het bestreden besluit alle door eiseres naar voren gebrachte relevante omstandigheden betrokken bij de beoordeling van de vraag of tussen eiseres en referent sprake is van beschermingswaardig familieleven. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar stelling dat de minister de gestelde omstandigheden onvoldoende in samenhang heeft meegewogen en dat geen op het geval toegespitste beoordeling is gemaakt. De minister heeft zich in het bestreden besluit namelijk deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres de gestelde financiële en medische afhankelijkheid onvoldoende heeft onderbouwd. De minister heeft daarbij ook betrokken dat eiseres en referent de afgelopen zeven jaar niet meer samenwonen en dat dit het gevolg is geweest van een vrijwillige keuze van referent. Verder heeft de minister betrokken dat de wens van referent om met eiseres herenigd te worden niet de gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie overstijgt. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en dus ook geen familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.



Hechte persoonlijke banden (eiseres en haar kleindochter)


17. Eiseres voert verder aan dat er tussen haar en haar kleindochter hechte persoonlijke banden bestaan waardoor sprake is van familieleven tussen hen. Eiseres wijst op de periode van samenwoning in Turkije, het hechte contact en op twee uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

18. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleindochter en dat dus geen sprake is van beschermingswaardig familieleven tussen hen zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De minister heeft in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd dat het feit dat eiseres en haar kleindochter twee jaar hebben samengewoond in Turkije, dat zij op afstand regelmatig contact hebben via videobellen en elkaar soms bezoeken onvoldoende is om te spreken van hechte persoonlijke banden. Verder is ook niet gebleken dat referent en haar echtgenoot tijdens de periode van samenwoning in Turkije niet voor de kleindochter van eiseres konden zorgen of dat eiseres zorg- en opvoedtaken op zich nam. De verwijzingen van eiseres naar twee uitspraken van het EHRM veranderen het oordeel van de rechtbank niet, omdat deze uitspraken gaan over situaties waarin de ouders van een kind niet langer voor hem konden zorgen en het kind uit huis is geplaatst waardoor de verzorgende rol en het belang van contact met de grootouder toenam. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat de ouders van de kleindochter van eiseres (referent en haar echtgenoot) altijd voor haar hebben gezorgd.



Belangenafweging


19. Omdat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van familieleven tussen eiseres en referent dan wel tussen eiseres en haar kleindochter hoefde hij geen belangenafweging te maken in het kader van artikel 8 van het EVRM.



Conclusie en gevolgen


20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag om gezinshereniging in stand kan blijven. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op: 20 maart 2026






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.


Uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275.


Uitspraak van het EHRM van 11 oktober 2016 (T.S. and J.J. v. Norway), ECLI:CE:ECHR:2016:1011DEC001563315 en de uitspraak van het EHRM van 9 juni 1998 (Bronda v. Italy), ECLI:CE:ECHR:1998:0609JUD002243093.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3315.