Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:19390

2026-07-13 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.37345
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-13
Publicatiedatum
2026-07-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.37345
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervolgberoep bewaring, informatieplicht, voortvarend handelen, zicht op uitzetting, beroep ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (2)

Volledige tekst

Volledige tekst (4.911 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.37345


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. G. Cambier).




Procesverloop


Verweerder heeft op 21 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.



Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.



Desgevraagd heeft verweerder op 10 juli 2026 een verweerschrift ingediend met daarbij een voortgangsrapportage.



Eiser heeft hierop gereageerd.



De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 13 juli 2026.





Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2000.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 juni 2026 (in de zaak NL26.30156) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 5 juni 2026.

4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Volgens eiser volgt uit de overgelegde voortgangsrapportage van 2 juni 2026 dat verweerder sinds 18 mei 2026 geen handelingen meer heeft verricht. In reactie op het overgelegde voortgangsrapport van 10 juli 2026 meent eiser dat verweerder de rechtbank onvolledig en niet tijdig heeft geïnformeerd over de voortgang van de uitzetting, hetgeen volgens eiser heeft geleid tot schending van de informatieplicht.

5. De rechtbank stelt vast dat het ontbreken van het zicht op uitzetting naar Marokko eerder is aangevoerd en beoordeeld in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 8 juni 2026. De situatie is sindsdien niet zodanig veranderd dat de rechtbank daarin aanleiding ziet om nu anders over de beroepsgrond te oordelen. Verder is niet gebleken dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit het voortgangsrapport van 10 juli 2026 blijkt dat verweerder sinds 5 juni 2026 nogmaals heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten en met eiser drie vertrekgesprekken zijn gevoerd.

6. Voor zover eiser stelt dat verweerder de rechtbank niet volledig en niet tijdig heeft geïnformeerd over de voortgang van de uitzetting en daarmee de informatieplicht heeft geschonden, volgt de rechtbank dit niet. De omstandigheid dat verweerder de voortgangsrapportage heeft aangevuld of geactualiseerd, betekent niet dat sprake is van een schending van de informatieplicht. Bovendien heeft eiser kennis kunnen nemen van de voortgangsrapportage en daarop inhoudelijk kunnen reageren. Er bestaat daarom geen reden om aan te nemen dat sprake is van enige vorm van schade in de belangen van eiser.

7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan op 13 juli 2026 door mr. mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



De uitspraak is bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.




ECLI:NL:RBDHA:2026:15459.