Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:19362

2026-07-10 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.35346
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-10
Publicatiedatum
2026-07-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.35346
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervolgberoep grensdetentie art. 6 lid 3 Vw. Behandeling asielberoep en vovo niet binnen 13 weken-termijn, beroep gegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.495 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



Zaaknummer: NL26.35346

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in
de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).




Procesverloop


De minister heeft op 2 mei 2026 aan eiser de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.



Eiser heeft tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.



De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.



De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Zowel eiser als de minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 7 juli 2026;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.



Overwegingen

1. Eiser stelt de Srilankaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2003.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze vrijheidsontnemende maatregel al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 juni 2026 (in de zaak NL26.30121) volgt dat de vrijheidsontnemende maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 2025 volgt dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw zo kort mogelijk moet duren. Niet iedere langere duur van grensdetentie levert per definitie strijd op met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Maar dit neemt niet weg dat artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, dat de grondrechten van vreemdelingen beoogt te waarborgen, vereist dat de grensdetentie zo kort mogelijk duurt. Als door organisatorische problemen bij de rechtbank de behandeling van het asielberoep, dan wel van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zeer lang op zich laat wachten, kan dit leiden tot de conclusie dat de grensdetentie niet zo kort mogelijk duurt. De Afdeling heeft daarom een maximaal toegestane duur voor grensdetentie bepaald, ook al kan dat betekenen dat de minister het grensbewakingsbelang moet prijsgeven. De Afdeling heeft artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn zo uitgelegd dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in ieder geval te lang voortduurt na dertien weken vanaf de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.

4. In dit geval is de asielaanvraag ingediend op 2 mei 2026, op welke dag ook de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. De minister heeft op 17 mei 2026 een besluit op de asielaanvraag genomen. Op 24 mei 2026 heeft eiser beroep ingesteld tegen het asielbesluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Het asielberoep en de voorlopige voorziening zijn op 27 augustus 2026 op zitting gepland bij deze rechtbank en zittingsplaats. Om organisatorische redenen lukt het de rechtbank op dit moment niet het asielberoep op een eerdere zitting te plannen. De kans dat dit alsnog wel gaat lukken is dermate verwaarloosbaar dat ervan uit moet worden gegaan dat de behandeling van het beroep van eiser pas op 27 augustus 2026 zal plaatsvinden.

5. Bij deze stand van zaken moet er dus van worden uitgegaan dat eiser op het moment van de geplande behandeling van zijn asielberoep meer dan dertien weken op deze grondslag in grensdetentie zal verblijven en de vrijheidsontneming alsdan niet zo kort als mogelijk zal hebben geduurd als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Een verdere voortduring van de grensdetentie zal daarvoor evenmin voldoen aan het vereiste van te goeder trouw als bedoeld in artikel 5, eerst lid aanhef en onder f, van het EVRM.

6. Deze voorzienbare schending van beide artikelen is een belangrijke omstandigheid die de rechtbank bij de vraag naar de evenredigheid van de maatregel reeds nu in ogenschouw dient te nemen. De rechter moet (ambtshalve) immers alle relevante feiten en omstandigheden betrekken bij de vraag naar de rechtmatigheid van (het voortduren van) de


vrijheidsontneming. Zou de rechtbank deze omstandigheid niet in haar beoordeling (kunnen) meenemen, dan biedt de rechter ook geen effectieve rechtsbescherming.


7. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het door de minister ingeroepen grensbewakingsbelang niet zo zwaar weegt dat daarmee de voorziene te lange duur van grensdetentie kan worden gerechtvaardigd. Het voortduren van de bestreden maatregel is daarom met ingang van heden niet langer evenredig en daardoor onrechtmatig.

8. Anders dan eiser heeft bepleit, is de maatregel niet door een gebrek aan voortvarend handelen al eerder onrechtmatig geworden. De minister heeft binnen een week na het bericht van de rechtbank dat het asielberoep en verzoek om voorlopige voorziening op 27 augustus 2026 gepland stonden, verzocht om het naar voren halen van het verzoek om een voorlopige voorziening. Dat vindt de rechtbank voldoende voortvarend.

9. Het beroep is gegrond en de vrijheidsontnemende maatregel is vanaf vandaag onrechtmatig. De rechtbank ziet geen aanleiding om de bestreden maatregel al op een eerder moment onrechtmatig te achten. De rechtbank beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 7 juli 2026.

10. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is geworden op de dag dat ook de opheffing van de maatregel wordt bevolen, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan eiser schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).


Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:




Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.



ECLI:NL:RVS:2025:2925.


ECLI:CE:ECHR:2008:0129JUD001322903, rechtsoverweging 67.


ECLI:EU:C:2022:858, rechtsoverweging 87.