Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:19356

2026-07-21 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht SGR 25/7816
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-21
Publicatiedatum
2026-07-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/7816
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Zvw. Verdragsbijdrage. Geen sprake van prevalerend recht. Horen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.613 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 25/7816


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen



[eiser], uit [woonplaats], België, eiser
(gemachtigde: [gemachtigde]),


en




het Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder
(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).




Inleiding


1. In het besluit van 7 maart 2025 heeft verweerder eiser bericht dat hij met ingang van 1 januari 2022 op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) als verdragsgerechtigde is aangemerkt en dat hij vanaf die datum een verdragsbijdrage (ook wel: buitenlandbijdrage) verschuldigd is.



1.1.
In het besluit van 22 april 2025 heeft de Sociale verzekeringsbank (Svb) eiser bericht dat vanaf mei 2025 de verdragsbijdrage wordt ingehouden op zijn pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).



1.2.
In het besluit van 23 juli 2025 heeft verweerder eiser bericht dat hij reeds met ingang van 1 januari 2020 op grond van de Zvw als verdragsgerechtigde is aangemerkt en dat hij vanaf die datum een verdragsbijdrage verschuldigd is.



1.3.
In het besluit van 18 september 2025 op de bezwaren van eiser heeft verweerder zijn besluiten gehandhaafd.



1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.5.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank



De totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1942, heeft de Nederlandse nationaliteit en woont sinds 1994 in België. Hij ontvangt al geruime tijd een AOW-pensioen van de Svb.



2.1.
De Christelijke Mutualiteit (CM), eisers Belgische zorgverzekeringsinstelling, heeft op 28 februari 2025 aan verweerder via digitaal bericht S071 verzocht eiser per 1 januari 2022 in te schrijven als verdragsgerechtigde. Met digitaal bericht S072 van 7 maart 2025 heeft verweerder die inschrijving aan CM bevestigd. Daarna heeft verweerder in het besluit van 7 maart 2025 vastgesteld dat eiser per 1 januari 2022 verdragsgerechtigd is, wat betekent dat hij recht heeft op medische zorg in zijn woonland België en dat de kosten voor die zorg voor rekening van Nederland komen. Eiser moet hiervoor een verdragsbijdrage betalen die wordt ingehouden op zijn AOW-pensioen.



2.2.
In het besluit van 22 april 2025 heeft de Svb eiser bericht dat die verdragsbijdrage met ingang van mei 2025 wordt ingehouden op het AOW-pensioen van eiser.



2.3.
Eiser heeft tegen de besluiten van 7 maart 2025 en 22 april 2025 bezwaar gemaakt.



2.4.
CM heeft verweerder op 13 maart 2025 een nieuw digitaal bericht gestuurd. Met dat bericht heeft CM verweerder verzocht om eiser per 1 januari 2020 in te schrijven als verdragsgerechtigde. Verweerder heeft CM gevraagd of het eerdere inschrijvingsverzoek van 28 februari 2025 ten onrechte is verstuurd. CM heeft hierop met digitaal bericht S073 aan verweerder bericht dat eisers activiteit reeds op 31 december 2019 is stopgezet en hij dan ook reeds per 1 januari 2020 moet worden ingeschreven. Naar aanleiding van dit bericht heeft verweerder in het besluit van 23 juli 2025 de ingangsdatum van het verschuldigd zijn van de verdragsbijdrage gewijzigd in 1 januari 2020. Verweerder heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb eisers bezwaar van rechtswege mede gericht geacht tegen het besluit van 23 juli 2025 waarin het besluit van 7 maart 2025 is gewijzigd.



2.6.
In het bestreden besluit heeft verweerder zijn primaire besluiten gehandhaafd.



Geen besluit?

3. Eiser voert aan dat verweerder in het besluit vermeldt dat het verdragsrecht van rechtswege geldt en er geen keuzerecht bestaat. Volgens eiser lijkt het er dan ook op dat verweerder geen besluit heeft genomen. Als dat zo zou zijn, had verweerder niet een rechtsmiddelenclausule hoeven op te nemen onder het besluit, had verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren en dient de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.




3.1.
De rechtbank overweegt hierover dat de vaststelling dat eiser is aan te merken als verdragsgerechtigde en dat hij daarom verdragsbijdrage is verschuldigd, een besluit is in de zin van de Awb. Dit is immers gericht op rechtsgevolg, aangezien eiser als gevolg daarvan een verdragsbijdrage moet betalen. Eisers betoog slaagt niet.



Eisers bezwaar tegen de verplichting tot betaling van de verdragsbijdrage


4. Eiser voert aan dat hij niet verdragsgerechtigd is. Verweerder stelt ten onrechte dat hij zijn beroepsactiviteiten heeft stopgezet op 31 december 2019. Eiser werkt namelijk als zelfstandige en daarom heeft hij een Belgisch prevalerend recht. Hij werkt als kapper, ook nadat zijn AOW-pensioen is ingegaan. Hij is aangesloten bij de Nationale Hulpkas, het socialezekerheidsfonds van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ). De Belgische belastingadministratie en RSVZ, en eisers klanten weten dat hij werkzaamheden verricht. Verweerder verschuilt zich achter de mededelingen van CM en vertrouwt er ten onrechte op dat CM haar onderzoek goed doet. CM en verweerder hebben nooit onderzocht of eiser werkzaamheden verricht. CM heeft in het bericht in bijlage 9 van de stukken nog vermeld dat eiser zijn activiteiten is gestopt per 31 december 2019, maar in een latere verklaring van CM, in bijlage 16 van de stukken, is over die activiteit niets meer opgenomen. Dat eiser werkt blijkt uit het feit dat hij daarover personenbelasting betaalt, dat de Belastingdienst de inkomsten opneemt in de berekening van het “niet in Nederland belastbaar inkomen”, dat RSVZ een A1-verklaring over de werkzaamheden heeft afgegeven over de periode 2020-2025, en dat verweerder de inkomsten opneemt in de heffingsgrondslag van de verdragsbijdrage over 2024. Ook blijkt het uit het onderzoek Wlz. Verder kan eiser cliënten laten getuigen dat de werkzaamheden plaatsvinden. Verweerder negeert echter dat laatste bericht van CM.



Toetsingskader


5. Op grond van artikel 24 van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) heeft een rechthebbende op een wettelijk pensioen of uitkering die in een andere lidstaat van de Europese Unie is gaan wonen, recht op medische zorg in het woonland, ten laste van het pensioenland, voor zover die gepensioneerde in zijn woonland geen persoonlijk recht heeft op zorg.



5.1.
Op grond van artikel 30 van Vo 883/2004 mag vervolgens het pensioenland op de pensioenen van deze gepensioneerden een bijdrage inhouden, indien de kosten voor medische zorg voor rekening komen van het pensioenland.



5.2.
Op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw zijn de in het buitenland wonende personen die recht hebben op zorg in hun woonland ten laste van Nederland een zogeheten buitenlandbijdrage verschuldigd. De wijze waarop die bijdrage wordt berekend, is neergelegd in artikel 6.3.1 tot en met 6.3.4 van de Regeling Zorgverzekering.



5.3.
De verplichting om een bijdrage te betalen is vastgelegd in artikel 69, tweede lid, van de Zvw. Dit is een bepaling die dwingend van karakter is. De Zvw kent geen hardheidsclausule of coulanceregeling.



Is eiser de verdragsbijdrage verschuldigd?

6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in België woont en in elk geval sinds 1 januari 2020 AOW-pensioen uit Nederland ontvangt. Eiser heeft op grond van artikel 24 van Vo 883/2004 in België recht op medische zorg voor rekening van Nederland. De verzekeringsinstelling in België, de CM, heeft dit recht op zorg op 18 april 2025 via het document S073 bevestigd. Hieruit volgt dat eiser op grond van artikel 24 Vo 883/2004 verdragsgerechtigd is. Dit is dwingend recht en eiser kan zich hieraan dan ook niet onttrekken. Dit betekent dat aan eiser zorg wordt verleend in zijn woonland ten laste van Nederland.




6.1.
Eiser stelt dat hij werkzaamheden als kapper verricht in België en daarom geen verdragsbijdrage verschuldigd is. Dit betoog slaagt niet. Niet gebleken is dat in het geval van eiser sprake is van een prevalerend recht. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Eiser heeft op 23 maart 2026 een brief aan de rechtbank gestuurd, met in de bijlage een A1-verklaring over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2025. Daaruit blijkt dat hij al vanaf 1 januari 2020 werkzaam is in België. Dit heeft tot gevolg dat tussen partijen niet meer in geschil is dat eiser ook na de ingangsdatum van zijn AOW-pensioen in België werk als zelfstandige heeft verricht. Verweerder heeft CM in een formulier H001 gevaagd of de A1-verklaring voor CM aanleiding is om eiser als verdragsgerechtigde voor de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2025 af te melden wegens prevalerend recht in België. CM heeft hierop gereageerd in een formulier H002 van 30 april 2025. CM stelt zich op het standpunt dat dit gaat over een activiteit als zelfstandige na pensioenleeftijd en dat dat geen recht geeft op inschrijving volgens de Belgische wetgeving.



6.2.
Verweerder mag afgaan op de hierboven vermelde verklaring van CM in het formulier H002. Dat betekent dat geen sprake is van een prevalerend recht, dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser verdragsgerechtigd is en dat eiser op grond van artikel 69, tweede lid, Zvw daarom een verdragsbijdrage is verschuldigd.



6.3.
Aangezien eiser verdragsgerechtigd is en een verdragsbijdrage moet betalen, dient medische zorg in België kosteloos aan eiser te worden verleend. Eisers gemachtigde heeft ter zitting gesteld dat eiser toch in België voor die medische zorg heeft moet betalen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat hij daarmee dubbel zou betalen voor die zorg en dat dat niet juist is. Van de kant van verweerder is ter zitting toegezegd dat zal worden nagegaan of eiser het benodigde document S1 heeft gekregen, en of eiser dat heeft ingevuld en het heeft laten beoordelen door het bevoegde orgaan. Verder heeft verweerder ter zitting meegedeeld dat eiser de vanaf 2020 gemaakte medische kosten nog bij het CAK kan declareren.



Inhouding van de verdragsbijdrage op het AOW-pensioen


7. Tegen de inhouding van de verdragsbijdrage op het AOW-pensioen heeft eiser geen zelfstandige gronden aangevoerd. Gelet daarop zal de rechtbank hierop niet nader ingaan.

Hoorplicht

8. Eiser betoogt dat hij ten onrechte niet gehoord is voorafgaand aan het nemen van de besluiten van 7 maart 2025 en 23 juli 2025. In dat verband verwijst eiser tevens naar artikel 41 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest). De rechtbank ziet in de omstandigheid dat eiser voorafgaande aan de primaire besluiten niet is gehoord, onvoldoende aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Voor zover al sprake was van een verzuim bij de voorbereiding van de besluiten van 7 maart 2025 en 23 juli 2025 heeft verweerder dat verzuim voldoende hersteld in de bezwaarfase. In de bezwaarprocedure is eiser immers in de gelegenheid gesteld om gegevens en bewijsstukken in het geding te brengen ter ondersteuning van de stelling dat eiser in België verzekerd is, en dat dus sprake is van een prevalerend recht. Van die mogelijkheid heeft eiser echter geen gebruik gemaakt, ook niet in de procedure bij de rechtbank. Ook heeft eiser geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in de bezwaarprocedure te worden gehoord. Uiteindelijk heeft verweerder naar aanleiding van het beroepschrift van eiser schriftelijk contact opgenomen bij de CM om (nogmaals) de juistheid van de vaststelling dat eiser verdragsgerechtigd is, te verifiëren, zoals blijkt uit overweging 6.1.







Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr.I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.














griffier


rechter







de rechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen






Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) van 7 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1342.


Zie de uitspraak van de CRVB van 17 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:569.