Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:19316
2026-03-04
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.26969
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eiser komt uit Suriname en wil bij zijn partner in Nederland verblijven. De minister heeft de aanvraag afgewezen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag niet in stand kan blijven, omdat de minister de hoorplicht heeft geschonden. Het beroep is gegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2022:1918 Raad van State 06-07-2022
- ECLI:NL:RVS:2024:1188 Raad van State 27-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4911 Raad van State 04-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.383 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26969
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat de vraag of de minister eisers aanvraag voor gezinshereniging mocht afwijzen en of hij eiser had moeten horen in bezwaar. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag niet in stand kan blijven en dat de minister eiser had moeten horen. Het beroep is gegrond. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 24 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
6. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat referent niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan (het zogeheten middelenvereiste). Referent ontvangt inkomen uit arbeid als zelfstandige, maar dit is niet genoeg om te voldoen aan het normbedrag. Ook blijkt uit de overgelegde stukken niet dat de te verwachten winst zodanig hoog is dat referent op termijn wel aan het normbedrag zal voldoen. Verder heeft de minister de aanvraag in het primaire besluit van 24 oktober 2024 afgewezen, omdat geen sprake is van gezinsleven tussen eiser en referent zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De minister is daarvan in het bestreden besluit teruggekomen en neemt daarin wel aan dat sprake is van gezinsleven tussen eiser en referent. De minister heeft in het bestreden besluit vervolgens een belangenafweging gemaakt en heeft geconcludeerd dat de belangen van eiser en referent om hun gezinsleven in Nederland uit te oefenen niet zwaar genoeg wegen om aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen. Het bezwaar is volgens de minister kennelijk ongegrond en daarom is eiser in de bezwaarfase niet gehoord.
Het standpunt van eiser
7. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase en verwijst naar de uitspraak van 6 juli 2022 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Daarbij wijst eiser erop dat pas in de bezwaarfase een beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM wordt aangenomen en ook in die fase voor het eerst in dat kader een belangenafweging wordt gemaakt. Volgens eiser had de minister moeten horen om er zeker van te zijn dat alle feiten en omstandigheden die voor de belangenafweging van belang zijn ook kenbaar zijn bij de minister. Verder voert eiser aan dat referent nooit een beroep heeft gedaan op de openbare kas en dat zij altijd genoeg geld heeft verdiend om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Bovendien zal referent op korte termijn voldoen aan het normbedrag, omdat zij meer is gaan werken en zij financiële ondersteuning kan krijgen van haar zus en zoon.
Het oordeel van de rechtbank
8. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 waar eiser naar verwijst, blijkt dat als uitgangspunt geldt dat een bezwaarmaker wordt gehoord over zijn bezwaar. Een uitzondering op dit uitgangspunt is als op voorhand duidelijk is dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kan leiden. Ook de werkinstructie 2022/20 benoemt dat de hoorplicht een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftprocedure, te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarin een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Daarbij wordt als voorbeeld gewezen op zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt.
9. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit voor het eerst gezinsleven heeft aangenomen tussen eiser en referent waarna in het bestreden besluit voor het eerst een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM. Bij het maken van deze belangenafweging moet de minister alle relevante feiten en omstandigheden betrekken en deze afwegen tegen de belangen van de Nederlandse staat.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in dit geval ten onrechte afgezien van het horen van eiser. Doordat de minister eiser niet heeft gehoord, heeft de minister de belangenafweging uitsluitend gebaseerd op feiten en omstandigheden die op dat moment bekend waren uit de overgelegde gegevens. Omdat in het primaire besluit nog werd aangenomen dat er geen sprake is van gezinsleven tussen eiser en referent is het begrijpelijk dat eiser in het bezwaarschrift vooral op dat punt zijn bezwaren kenbaar heeft gemaakt en geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die van belang zijn voor de belangenafweging. Door eiser niet te horen doet de minister daarom in zekere zin de aanname in het bestreden besluit dat er geen andere feiten en omstandigheden zijn die betrokken zouden moeten worden bij de belangenafweging. Hiermee miskent de minister het belang van het horen in bezwaar, juist daar waar het gaat om het vaststellen van de relevante feiten en omstandigheden, zoals ook is benadrukt in de eigen werkinstructie van de minister en de genoemde jurisprudentie van de Afdeling.
11. Bovendien gaat de minister door deze werkwijze voorbij aan de functie van het horen in bezwaar ten opzichte van de hoorzitting in beroep. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat de minister in het bestreden besluit vooral de banden van eiser met Suriname heeft betrokken, terwijl in beroep is gewezen op de nauwe banden van eiser met Nederland en bijvoorbeeld daar woonachtige vrienden en familie van eiser. Dit zijn omstandigheden die bij uitstek in een hoorzitting in bewaar nader besproken en onderzocht hadden kunnen worden.
12. De rechtbank ziet gelet hierop en op de aard van het gebrek ook geen reden om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
13. Verder ziet de rechtbank ook geen aanleiding om de beroepsgronden te bespreken die zijn gericht tegen de afwijzing op grond van het middelenvereiste. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat eiser zowel in bezwaar als in beroep heeft gewezen op ontwikkelingen aangaande het inkomen van referent. In het kader van de volledige heroverweging die bij het nieuw te nemen besluit moet plaatsvinden, ligt het voor de hand dat op dat moment ook bezien wordt in hoeverre de situatie van referent is veranderd en in hoeverre de eventuele nadere onderbouwing van die situatie de beoordeling van het middelenvereiste anders doet uitvallen.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond omdat de minister eiser ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op de aard van het geconstateerde gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding voor finale geschilbeslechting.
15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
16. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 21 mei 2025;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, rechtsoverweging 5.4 en de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4911, rechtsoverweging 6.2.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26969
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat de vraag of de minister eisers aanvraag voor gezinshereniging mocht afwijzen en of hij eiser had moeten horen in bezwaar. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag niet in stand kan blijven en dat de minister eiser had moeten horen. Het beroep is gegrond. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 24 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
6. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat referent niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan (het zogeheten middelenvereiste). Referent ontvangt inkomen uit arbeid als zelfstandige, maar dit is niet genoeg om te voldoen aan het normbedrag. Ook blijkt uit de overgelegde stukken niet dat de te verwachten winst zodanig hoog is dat referent op termijn wel aan het normbedrag zal voldoen. Verder heeft de minister de aanvraag in het primaire besluit van 24 oktober 2024 afgewezen, omdat geen sprake is van gezinsleven tussen eiser en referent zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De minister is daarvan in het bestreden besluit teruggekomen en neemt daarin wel aan dat sprake is van gezinsleven tussen eiser en referent. De minister heeft in het bestreden besluit vervolgens een belangenafweging gemaakt en heeft geconcludeerd dat de belangen van eiser en referent om hun gezinsleven in Nederland uit te oefenen niet zwaar genoeg wegen om aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen. Het bezwaar is volgens de minister kennelijk ongegrond en daarom is eiser in de bezwaarfase niet gehoord.
Het standpunt van eiser
7. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase en verwijst naar de uitspraak van 6 juli 2022 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Daarbij wijst eiser erop dat pas in de bezwaarfase een beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM wordt aangenomen en ook in die fase voor het eerst in dat kader een belangenafweging wordt gemaakt. Volgens eiser had de minister moeten horen om er zeker van te zijn dat alle feiten en omstandigheden die voor de belangenafweging van belang zijn ook kenbaar zijn bij de minister. Verder voert eiser aan dat referent nooit een beroep heeft gedaan op de openbare kas en dat zij altijd genoeg geld heeft verdiend om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Bovendien zal referent op korte termijn voldoen aan het normbedrag, omdat zij meer is gaan werken en zij financiële ondersteuning kan krijgen van haar zus en zoon.
Het oordeel van de rechtbank
8. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 waar eiser naar verwijst, blijkt dat als uitgangspunt geldt dat een bezwaarmaker wordt gehoord over zijn bezwaar. Een uitzondering op dit uitgangspunt is als op voorhand duidelijk is dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kan leiden. Ook de werkinstructie 2022/20 benoemt dat de hoorplicht een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftprocedure, te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarin een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Daarbij wordt als voorbeeld gewezen op zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt.
9. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit voor het eerst gezinsleven heeft aangenomen tussen eiser en referent waarna in het bestreden besluit voor het eerst een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM. Bij het maken van deze belangenafweging moet de minister alle relevante feiten en omstandigheden betrekken en deze afwegen tegen de belangen van de Nederlandse staat.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in dit geval ten onrechte afgezien van het horen van eiser. Doordat de minister eiser niet heeft gehoord, heeft de minister de belangenafweging uitsluitend gebaseerd op feiten en omstandigheden die op dat moment bekend waren uit de overgelegde gegevens. Omdat in het primaire besluit nog werd aangenomen dat er geen sprake is van gezinsleven tussen eiser en referent is het begrijpelijk dat eiser in het bezwaarschrift vooral op dat punt zijn bezwaren kenbaar heeft gemaakt en geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die van belang zijn voor de belangenafweging. Door eiser niet te horen doet de minister daarom in zekere zin de aanname in het bestreden besluit dat er geen andere feiten en omstandigheden zijn die betrokken zouden moeten worden bij de belangenafweging. Hiermee miskent de minister het belang van het horen in bezwaar, juist daar waar het gaat om het vaststellen van de relevante feiten en omstandigheden, zoals ook is benadrukt in de eigen werkinstructie van de minister en de genoemde jurisprudentie van de Afdeling.
11. Bovendien gaat de minister door deze werkwijze voorbij aan de functie van het horen in bezwaar ten opzichte van de hoorzitting in beroep. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat de minister in het bestreden besluit vooral de banden van eiser met Suriname heeft betrokken, terwijl in beroep is gewezen op de nauwe banden van eiser met Nederland en bijvoorbeeld daar woonachtige vrienden en familie van eiser. Dit zijn omstandigheden die bij uitstek in een hoorzitting in bewaar nader besproken en onderzocht hadden kunnen worden.
12. De rechtbank ziet gelet hierop en op de aard van het gebrek ook geen reden om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
13. Verder ziet de rechtbank ook geen aanleiding om de beroepsgronden te bespreken die zijn gericht tegen de afwijzing op grond van het middelenvereiste. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat eiser zowel in bezwaar als in beroep heeft gewezen op ontwikkelingen aangaande het inkomen van referent. In het kader van de volledige heroverweging die bij het nieuw te nemen besluit moet plaatsvinden, ligt het voor de hand dat op dat moment ook bezien wordt in hoeverre de situatie van referent is veranderd en in hoeverre de eventuele nadere onderbouwing van die situatie de beoordeling van het middelenvereiste anders doet uitvallen.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond omdat de minister eiser ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op de aard van het geconstateerde gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding voor finale geschilbeslechting.
15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
16. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 21 mei 2025;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, rechtsoverweging 5.4 en de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4911, rechtsoverweging 6.2.