Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:19118
2026-07-21
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
SGR 24/10051
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
afwijzing van twee aanvragen om bijstand. Onduidelijke woon- en leefsituatie.
Citeert (4)
- ECLI:NL:CRVB:2022:1384 Centrale Raad van Beroep 20-06-2022
- ECLI:NL:CRVB:2018:2449 Centrale Raad van Beroep 07-08-2018
- ECLI:NL:CRVB:2016:4872 Centrale Raad van Beroep 20-12-2016
- ECLI:NL:CRVB:2025:385 Centrale Raad van Beroep 28-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.688 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/10051 en 25/1239
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H. Oldenhof),
en
het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten
(gemachtigde: mr. N. Mustafic).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van twee aanvragen van eiser om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat beide beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
SGR 24/10051
2. Eiser heeft op 21 maart 2024 een bijstandsuitkering aangevraagd. Het college heeft de aanvraag met het besluit van 4 april 2024 afgewezen. Met het besluit van 22 november 2024 (bestreden besluit 1) op eisers bezwaar is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
SGR 25/1239
2.3.
Eiser heeft op 1 augustus 2024 opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd. Het college heeft de aanvraag in het besluit van 5 augustus 2024 afgewezen. Met het besluit van 17 januari 2025 (bestreden besluit 2) op het bezwaar van eiser is het college – onder aanvulling van de motivering - bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 2.
2.5.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft beide beroepen op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers gemachtigde en namens het college [naam 1] .
Beoordeling door de rechtbank
SGR 24/10051
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 12 maart 2024 heeft eiser zich gemeld voor een bijstandsuitkering.
3.1.
De consulent van de gemeente heeft eiser bij brief van 12 maart 2024 uitgenodigd voor een gesprek over de aanvraag op 21 maart 2024. Eiser diende de in de brief gevraagde gegevens en het ingevulde aanvraagformulier mee te nemen naar het gesprek. Op het aanvraagformulier heeft eiser vermeld dat hij woont op het adres [adres] (het opgegeven adres), dat hij uitkering wenst per 26 februari 2024 vanwege verhuizing op die datum naar [gemeente] en dat hij inwoont op het opgegeven adres bij een vriend, tevens eigenaar van de woning, de heer [naam 2] . Verder heeft eiser afschriften van zijn betaalrekening ingeleverd.
3.2.
Uit de stukken en de rapportage van de betreffende consulent van de gemeente blijkt het volgende. Uit de bankafschriften blijkt dat eiser vanaf het moment van de verhuizing op 26 februari 2024 tot en met 17 maart 2024 geen pintransactie heeft gedaan in de gemeente. Er zijn alleen pintransacties te zien in Den Haag en in Katwijk. Op 28 maart 2024 heeft de consulent samen met een collega onaangekondigd een huisbezoek op het opgegeven adres geprobeerd af te leggen, maar de deur werd niet open gedaan. Bij brief van 28 maart 2024 is eiser een uitnodiging gestuurd voor een gesprek over zijn aanvraag op 4 april 2024. In de brief is hem verzocht een aantal stukken mee te nemen. De brief van 28 maart 2024 is aangetekend verzonden, maar is niet in ontvangst genomen en is niet afgehaald bij het Post NL afhaalpunt. Eiser is niet verschenen op 4 april 2024. Eiser heeft zich niet afgemeld voor het gesprek. Eiser heeft ook niet de gevraagde gegevens ingediend.
3.3.
In het besluit van 4 april 2024 heeft het college eisers aanvraag om een bijstandsuitkering afgewezen. Het college stelt zich daarbij op het standpunt dat het recht op bijstand niet is vast te stellen aangezien eiser onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woon- en leefsituatie.
3.4.
Uit de rapportage van de consulent van 25 april 2024 blijkt dat het college, naar aanleiding van eisers bezwaarschrift tegen het besluit van 4 april 2024, eiser telefonisch heeft uitgenodigd voor een gesprek op 24 april 2024. Eiser is op 24 april 2024 verschenen en er is een gesprek met hem gevoerd. Tijdens het gesprek heeft de consulent eiser meegedeeld dat aansluitend aan het gesprek een huisbezoek op het opgegeven adres zal plaatsvinden. Eiser heeft na bedenktijd meegedeeld dat huisbezoek niet mogelijk is omdat de huiseigenaar niet thuis is. Hij heeft een huissleutel, maar heeft die niet bij zich. Eiser gaf aan dat het huisbezoek wel de volgende dag om 9.00 uur kon plaatsvinden. Dit was voor de consulent geen optie, omdat dan de woonsituatie kan zijn aangepast. Omdat eiser een huisbezoek aansluitend aan het gesprek heeft geweigerd, is het opgegeven adres niet bezocht.
3.5.
In bestreden besluit 1 is het besluit van 4 april 2024 gehandhaafd.
Wat voert eiser aan?
4. Eiser voert aan dat hij wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres en recht heeft op bijstand. Hij ontvangt zijn post op het opgegeven adres en reageert op de betreffende brieven. Dat bij een onaangekondigd huisbezoek de deur niet is opengedaan, kan worden verklaard door het feit dat hij niet vaak thuis is. Ook is mogelijk aangebeld op het verkeerde adres. De woning van eiser is te bereiken via de achterkant van de woning. Tijdens het gesprek op 24 april 2024 is bij eiser onduidelijkheid ontstaan over de verstrekkende gevolgen van het niet meewerken aan het huisbezoek. Eiser had andere verplichtingen en heeft de gevolgen van het niet meewerken aan het huisbezoek niet goed kunnen overzien.
Beoordeling door de rechtbank
5. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Indien een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dat volgt uit vaste rechtspraak.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de bevindingen in het dossier waaronder de rapportage van 25 april 2024, het college terecht tot de conclusie is gekomen dat in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld dat eiser op het opgegeven adres in de gemeente [gemeente] woonde. Uit de door eiser ingeleverde bankafschriften blijkt dat alle pintransacties buiten de gemeente plaatsvonden, in Den Haag en in Katwijk. Gelet daarop bestond een redelijke grond voor het huisbezoek op het opgegeven adres, zodat van eiser in beginsel redelijkerwijs kon worden verlangd dat hij hieraan zijn medewerking zou verlenen. Indien het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek op het door de aanvrager opgegeven adres noodzakelijk is, ligt het volgens vaste rechtspraak in de risicosfeer van de aanvrager indien dat huisbezoek niet mogelijk is. Op 28 maart 2024 is bij een onaangekondigd huisbezoek niet open gedaan. Eiser heeft gesteld dat het door hem bewoonde gedeelte van de flat aan de achterzijde is gelegen, maar dit heeft hij niet voldoende aannemelijk gemaakt. De ingang van het portiek met het bellentableau is zoals gebruikelijk aan de voorzijde. Mogelijk was eiser niet thuis toen er werd aangebeld. Vervolgens is eiser niet verschenen op het gesprek op 4 april 2024. Volgens het college is de brief van 28 maart 2024 met daarin een uitnodiging voor een gesprek op 4 april 2024 aangetekend verzonden maar niet in ontvangst genomen en niet afgehaald. Eiser is vervolgens niet verschenen op de afspraak en heeft zich daarvoor ook niet afgemeld. Gelet daarop is onduidelijk gebleven of eiser woonde op het opgegeven adres.
5.2.
Eiser heeft in de bezwaarfase geen gebruik gemaakt van de door het college gegeven mogelijkheid om alsnog duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en leefsituatie. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid mee te werken aan een huisbezoek direct na het gesprek.
5.3.
Uit het verslag van het gesprek blijkt dat eiser erop is gewezen dat hij het huisbezoek mag weigeren, maar dat dit gevolgen heeft voor zijn aanvraag. Uit het verslag blijkt niet dat eiser niet voldoende is voorgelicht over de vraag wat de gevolgen zijn van niet meewerken aan het huisbezoek. Ook blijkt uit dat verslag niet dat eiser niet begreep wat de gevolgen waren van het niet meewerken aan het huisbezoek, of dat hij het niet kon overzien.
5.4.
De rechtbank concludeert dat het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is.
SGR 25/1239
Totstandkoming van het bestreden besluit
6. Op 22 juli 2024 heeft eiser zich opnieuw gemeld voor een bijstandsuitkering.
6.1.
In de brief van 24 juli 2024 is eiser uitgenodigd voor een gesprek op 1 augustus 2024 over het indienen van een aanvraag. Eiser is gevraagd de in de brief gevraagde gegevens en een ingevuld aanvraagformulier mee te nemen.
6.2.
Op 1 augustus 2024 heeft het gesprek tussen de consulent van de gemeente en eiser plaatsgevonden. Eiser heeft een ingevuld aanvraagformulier ingeleverd en bankafschriften. Op het aanvraagformulier heeft eiser ingevuld dat hij is verhuisd naar [gemeente] en dat hij een bijstandsuitkering aanvraagt per 20 februari 2024. In de rapportage van de consulent van 5 augustus 2024 is het volgende vermeld. De consulent heeft eiser gevraagd of zijn situatie is veranderd. Dat is niet het geval. Eiser woont bij [naam 2] , hij kan geen sleutel overleggen en gaat niet akkoord met een huisbezoek om de woonsituatie vast te stellen. Op de ingeleverde bankafschriften is te zien dat hij voornamelijk pint in de gemeente Den Haag. Eiser verklaart dat hij hele dagen in de moskee is en dat hij daar ook eten krijgt. In de avond gaat hij terug naar de woning en in de morgen vertrekt hij weer naar de moskee. De consulent constateert dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.
6.3.
In het besluit van 5 augustus 2024 heeft het college de aangevraagde bijstandsuitkering afgewezen, onder verwijzing naar het eerdere besluit van 4 april 2024, omdat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Verwezen wordt daarbij naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers woonsituatie kan niet worden vastgesteld.
6.4.
In bestreden besluit 2 heeft het college na ingediend bezwaar de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Wel heeft het college de motivering van die afwijzing gewijzigd. Het college stelt zich op het standpunt dat de afwijzing van de aanvraag op grond van artikel 4:6 van de Awb over de periode van 20 februari 2024 tot en met 4 april 2024 gehandhaafd blijft omdat over die periode niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden. De aanvraag om bijstand over de periode van 5 april 2024 tot 22 juli 2024 wordt afgewezen op grond van artikel 44, eerste lid, van de Pw omdat bijstandverlening niet mogelijk is met terugwerkende kracht. De aanvraag over de periode van 22 juli 2024 tot en met 5 augustus 2024 wordt afgewezen omdat eiser de onduidelijkheid ten aanzien van zijn woon- en leefsituatie niet heeft kunnen wegnemen, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Wat voert eiser aan?
7. Eiser voert aan dat hij de post ontvangt op zijn opgegeven adres en dat hij reageert op die brieven. Bij deze nieuwe aanvraag heeft eiser juist wel aangegeven dat hij wenste mee te werken aan een huisbezoek. Aangezien de eerste aanvraag is afgewezen omdat hij niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek, is het onlogisch dat hij geweigerd zou hebben daaraan mee te werken. Ook is er geen verslag van de bespreking op 1 augustus 2024 waaruit zou blijken dat hij niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek.
Beoordeling door de rechtbank
8. Ter zitting is met partijen afgesproken dat voor de tweede aanvraag – net als bij de eerste aanvraag – 12 maart 2024 als beoogde ingangsdatum geldt. Het college heeft beoogd onderscheid te maken tussen de periode van 12 maart 2024 tot en met 4 april 2024 (de datum waarop de eerste aanvraag werd afgewezen), de periode van 5 april tot 22 juli 2024 en de periode van 22 juli tot en met 12 augustus 2024. Hieronder zal worden ingegaan op de drie betreffende periodes.
De periode van 12 maart 2024 tot en met 4 april 2024
8.1.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
8.2.
Vaste rechtspraak is dat als het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
8.3.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar voor het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die vóór dat besluit niet konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
8.4.
De rechtbank overweegt dat uit de rapportage van de consulent van 5 augustus 2024 volgt dat eiser geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan het college van het besluit geen bijstand te verlenen over de periode van 20 februari 2024 tot en met 4 april 2024 had moeten terugkomen. Eiser voert in zijn beroepschrift ook niet aan dat hij wel nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Gelet op het voorgaande mocht het college dan ook eisers aanvraag om bijstand over die periode afwijzen met verwijzing naar het eerdere besluit van 4 april 2024.
De periode van 5 april 2024 tot 22 juli 2024
8.5.
Het college heeft in bestreden besluit 2 na heroverweging terecht geconstateerd dat in het besluit van 5 augustus 2024 ten onrechte de gehele aanvraag is afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Immers, vanaf 5 april 2024 is sprake van een nieuwe te beoordelen periode.
8.6.
In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Pw.
8.7.
Eiser heeft zich op 22 juli 2024 gemeld voor het aanvragen van bijstand. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat verlening van bijstand met terugwerkende kracht in principe niet mogelijk is. Niet gesteld of gebleken is van bijzondere omstandigheden die verlening van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. De enkele omstandigheid dat een eerdere aanvraag om bijstand is afgewezen, rechtvaardigt niet dat een vervolgaanvraag wordt ingewilligd met ingang van een datum die in het verleden ligt. Gelet daarop heeft het college de aangevraagde bijstand over deze periode terecht afgewezen.
De periode van 22 juli 2024 tot en met 5 augustus 2024
8.8.
Ten aanzien van de periode van 22 juli 2024 tot en met 5 augustus 2024 stelt het college zich terecht op het standpunt dat eisers woonsituatie nog steeds onduidelijk is en dat eiser, zoals uit de rapportage van het gesprek bij de intake blijkt, heeft volhard in zijn weigering om mee te werken aan een huisbezoek. Daardoor heeft het college ook in het kader van de tweede aanvraag, voor wat betreft deze periode, niet kunnen vaststellen dat eiser woonachtig was op het door hem opgegeven adres, en is de woonsituatie onduidelijk gebleven.
8.9.
De rechtbank concludeert dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 zijn ongegrond. Dat betekent dat het college de aanvragen om bijstand terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen in de zaken met zaaknummers SGR 24/10051 en SGR 25/1239 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr.I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
griffier
rechter
de rechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) van 20 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1384.
Zie de uitspraak van de CRVB van 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2449.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRVB van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872.
zie de uitspraak van de CRVB van 28 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:385.
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/10051 en 25/1239
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H. Oldenhof),
en
het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten
(gemachtigde: mr. N. Mustafic).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van twee aanvragen van eiser om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat beide beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
SGR 24/10051
2. Eiser heeft op 21 maart 2024 een bijstandsuitkering aangevraagd. Het college heeft de aanvraag met het besluit van 4 april 2024 afgewezen. Met het besluit van 22 november 2024 (bestreden besluit 1) op eisers bezwaar is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
SGR 25/1239
2.3.
Eiser heeft op 1 augustus 2024 opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd. Het college heeft de aanvraag in het besluit van 5 augustus 2024 afgewezen. Met het besluit van 17 januari 2025 (bestreden besluit 2) op het bezwaar van eiser is het college – onder aanvulling van de motivering - bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 2.
2.5.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft beide beroepen op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers gemachtigde en namens het college [naam 1] .
Beoordeling door de rechtbank
SGR 24/10051
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 12 maart 2024 heeft eiser zich gemeld voor een bijstandsuitkering.
3.1.
De consulent van de gemeente heeft eiser bij brief van 12 maart 2024 uitgenodigd voor een gesprek over de aanvraag op 21 maart 2024. Eiser diende de in de brief gevraagde gegevens en het ingevulde aanvraagformulier mee te nemen naar het gesprek. Op het aanvraagformulier heeft eiser vermeld dat hij woont op het adres [adres] (het opgegeven adres), dat hij uitkering wenst per 26 februari 2024 vanwege verhuizing op die datum naar [gemeente] en dat hij inwoont op het opgegeven adres bij een vriend, tevens eigenaar van de woning, de heer [naam 2] . Verder heeft eiser afschriften van zijn betaalrekening ingeleverd.
3.2.
Uit de stukken en de rapportage van de betreffende consulent van de gemeente blijkt het volgende. Uit de bankafschriften blijkt dat eiser vanaf het moment van de verhuizing op 26 februari 2024 tot en met 17 maart 2024 geen pintransactie heeft gedaan in de gemeente. Er zijn alleen pintransacties te zien in Den Haag en in Katwijk. Op 28 maart 2024 heeft de consulent samen met een collega onaangekondigd een huisbezoek op het opgegeven adres geprobeerd af te leggen, maar de deur werd niet open gedaan. Bij brief van 28 maart 2024 is eiser een uitnodiging gestuurd voor een gesprek over zijn aanvraag op 4 april 2024. In de brief is hem verzocht een aantal stukken mee te nemen. De brief van 28 maart 2024 is aangetekend verzonden, maar is niet in ontvangst genomen en is niet afgehaald bij het Post NL afhaalpunt. Eiser is niet verschenen op 4 april 2024. Eiser heeft zich niet afgemeld voor het gesprek. Eiser heeft ook niet de gevraagde gegevens ingediend.
3.3.
In het besluit van 4 april 2024 heeft het college eisers aanvraag om een bijstandsuitkering afgewezen. Het college stelt zich daarbij op het standpunt dat het recht op bijstand niet is vast te stellen aangezien eiser onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woon- en leefsituatie.
3.4.
Uit de rapportage van de consulent van 25 april 2024 blijkt dat het college, naar aanleiding van eisers bezwaarschrift tegen het besluit van 4 april 2024, eiser telefonisch heeft uitgenodigd voor een gesprek op 24 april 2024. Eiser is op 24 april 2024 verschenen en er is een gesprek met hem gevoerd. Tijdens het gesprek heeft de consulent eiser meegedeeld dat aansluitend aan het gesprek een huisbezoek op het opgegeven adres zal plaatsvinden. Eiser heeft na bedenktijd meegedeeld dat huisbezoek niet mogelijk is omdat de huiseigenaar niet thuis is. Hij heeft een huissleutel, maar heeft die niet bij zich. Eiser gaf aan dat het huisbezoek wel de volgende dag om 9.00 uur kon plaatsvinden. Dit was voor de consulent geen optie, omdat dan de woonsituatie kan zijn aangepast. Omdat eiser een huisbezoek aansluitend aan het gesprek heeft geweigerd, is het opgegeven adres niet bezocht.
3.5.
In bestreden besluit 1 is het besluit van 4 april 2024 gehandhaafd.
Wat voert eiser aan?
4. Eiser voert aan dat hij wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres en recht heeft op bijstand. Hij ontvangt zijn post op het opgegeven adres en reageert op de betreffende brieven. Dat bij een onaangekondigd huisbezoek de deur niet is opengedaan, kan worden verklaard door het feit dat hij niet vaak thuis is. Ook is mogelijk aangebeld op het verkeerde adres. De woning van eiser is te bereiken via de achterkant van de woning. Tijdens het gesprek op 24 april 2024 is bij eiser onduidelijkheid ontstaan over de verstrekkende gevolgen van het niet meewerken aan het huisbezoek. Eiser had andere verplichtingen en heeft de gevolgen van het niet meewerken aan het huisbezoek niet goed kunnen overzien.
Beoordeling door de rechtbank
5. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Indien een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dat volgt uit vaste rechtspraak.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de bevindingen in het dossier waaronder de rapportage van 25 april 2024, het college terecht tot de conclusie is gekomen dat in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld dat eiser op het opgegeven adres in de gemeente [gemeente] woonde. Uit de door eiser ingeleverde bankafschriften blijkt dat alle pintransacties buiten de gemeente plaatsvonden, in Den Haag en in Katwijk. Gelet daarop bestond een redelijke grond voor het huisbezoek op het opgegeven adres, zodat van eiser in beginsel redelijkerwijs kon worden verlangd dat hij hieraan zijn medewerking zou verlenen. Indien het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek op het door de aanvrager opgegeven adres noodzakelijk is, ligt het volgens vaste rechtspraak in de risicosfeer van de aanvrager indien dat huisbezoek niet mogelijk is. Op 28 maart 2024 is bij een onaangekondigd huisbezoek niet open gedaan. Eiser heeft gesteld dat het door hem bewoonde gedeelte van de flat aan de achterzijde is gelegen, maar dit heeft hij niet voldoende aannemelijk gemaakt. De ingang van het portiek met het bellentableau is zoals gebruikelijk aan de voorzijde. Mogelijk was eiser niet thuis toen er werd aangebeld. Vervolgens is eiser niet verschenen op het gesprek op 4 april 2024. Volgens het college is de brief van 28 maart 2024 met daarin een uitnodiging voor een gesprek op 4 april 2024 aangetekend verzonden maar niet in ontvangst genomen en niet afgehaald. Eiser is vervolgens niet verschenen op de afspraak en heeft zich daarvoor ook niet afgemeld. Gelet daarop is onduidelijk gebleven of eiser woonde op het opgegeven adres.
5.2.
Eiser heeft in de bezwaarfase geen gebruik gemaakt van de door het college gegeven mogelijkheid om alsnog duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en leefsituatie. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid mee te werken aan een huisbezoek direct na het gesprek.
5.3.
Uit het verslag van het gesprek blijkt dat eiser erop is gewezen dat hij het huisbezoek mag weigeren, maar dat dit gevolgen heeft voor zijn aanvraag. Uit het verslag blijkt niet dat eiser niet voldoende is voorgelicht over de vraag wat de gevolgen zijn van niet meewerken aan het huisbezoek. Ook blijkt uit dat verslag niet dat eiser niet begreep wat de gevolgen waren van het niet meewerken aan het huisbezoek, of dat hij het niet kon overzien.
5.4.
De rechtbank concludeert dat het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is.
SGR 25/1239
Totstandkoming van het bestreden besluit
6. Op 22 juli 2024 heeft eiser zich opnieuw gemeld voor een bijstandsuitkering.
6.1.
In de brief van 24 juli 2024 is eiser uitgenodigd voor een gesprek op 1 augustus 2024 over het indienen van een aanvraag. Eiser is gevraagd de in de brief gevraagde gegevens en een ingevuld aanvraagformulier mee te nemen.
6.2.
Op 1 augustus 2024 heeft het gesprek tussen de consulent van de gemeente en eiser plaatsgevonden. Eiser heeft een ingevuld aanvraagformulier ingeleverd en bankafschriften. Op het aanvraagformulier heeft eiser ingevuld dat hij is verhuisd naar [gemeente] en dat hij een bijstandsuitkering aanvraagt per 20 februari 2024. In de rapportage van de consulent van 5 augustus 2024 is het volgende vermeld. De consulent heeft eiser gevraagd of zijn situatie is veranderd. Dat is niet het geval. Eiser woont bij [naam 2] , hij kan geen sleutel overleggen en gaat niet akkoord met een huisbezoek om de woonsituatie vast te stellen. Op de ingeleverde bankafschriften is te zien dat hij voornamelijk pint in de gemeente Den Haag. Eiser verklaart dat hij hele dagen in de moskee is en dat hij daar ook eten krijgt. In de avond gaat hij terug naar de woning en in de morgen vertrekt hij weer naar de moskee. De consulent constateert dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.
6.3.
In het besluit van 5 augustus 2024 heeft het college de aangevraagde bijstandsuitkering afgewezen, onder verwijzing naar het eerdere besluit van 4 april 2024, omdat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Verwezen wordt daarbij naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers woonsituatie kan niet worden vastgesteld.
6.4.
In bestreden besluit 2 heeft het college na ingediend bezwaar de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Wel heeft het college de motivering van die afwijzing gewijzigd. Het college stelt zich op het standpunt dat de afwijzing van de aanvraag op grond van artikel 4:6 van de Awb over de periode van 20 februari 2024 tot en met 4 april 2024 gehandhaafd blijft omdat over die periode niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden. De aanvraag om bijstand over de periode van 5 april 2024 tot 22 juli 2024 wordt afgewezen op grond van artikel 44, eerste lid, van de Pw omdat bijstandverlening niet mogelijk is met terugwerkende kracht. De aanvraag over de periode van 22 juli 2024 tot en met 5 augustus 2024 wordt afgewezen omdat eiser de onduidelijkheid ten aanzien van zijn woon- en leefsituatie niet heeft kunnen wegnemen, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Wat voert eiser aan?
7. Eiser voert aan dat hij de post ontvangt op zijn opgegeven adres en dat hij reageert op die brieven. Bij deze nieuwe aanvraag heeft eiser juist wel aangegeven dat hij wenste mee te werken aan een huisbezoek. Aangezien de eerste aanvraag is afgewezen omdat hij niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek, is het onlogisch dat hij geweigerd zou hebben daaraan mee te werken. Ook is er geen verslag van de bespreking op 1 augustus 2024 waaruit zou blijken dat hij niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek.
Beoordeling door de rechtbank
8. Ter zitting is met partijen afgesproken dat voor de tweede aanvraag – net als bij de eerste aanvraag – 12 maart 2024 als beoogde ingangsdatum geldt. Het college heeft beoogd onderscheid te maken tussen de periode van 12 maart 2024 tot en met 4 april 2024 (de datum waarop de eerste aanvraag werd afgewezen), de periode van 5 april tot 22 juli 2024 en de periode van 22 juli tot en met 12 augustus 2024. Hieronder zal worden ingegaan op de drie betreffende periodes.
De periode van 12 maart 2024 tot en met 4 april 2024
8.1.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
8.2.
Vaste rechtspraak is dat als het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
8.3.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar voor het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die vóór dat besluit niet konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
8.4.
De rechtbank overweegt dat uit de rapportage van de consulent van 5 augustus 2024 volgt dat eiser geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan het college van het besluit geen bijstand te verlenen over de periode van 20 februari 2024 tot en met 4 april 2024 had moeten terugkomen. Eiser voert in zijn beroepschrift ook niet aan dat hij wel nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Gelet op het voorgaande mocht het college dan ook eisers aanvraag om bijstand over die periode afwijzen met verwijzing naar het eerdere besluit van 4 april 2024.
De periode van 5 april 2024 tot 22 juli 2024
8.5.
Het college heeft in bestreden besluit 2 na heroverweging terecht geconstateerd dat in het besluit van 5 augustus 2024 ten onrechte de gehele aanvraag is afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Immers, vanaf 5 april 2024 is sprake van een nieuwe te beoordelen periode.
8.6.
In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Pw.
8.7.
Eiser heeft zich op 22 juli 2024 gemeld voor het aanvragen van bijstand. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat verlening van bijstand met terugwerkende kracht in principe niet mogelijk is. Niet gesteld of gebleken is van bijzondere omstandigheden die verlening van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. De enkele omstandigheid dat een eerdere aanvraag om bijstand is afgewezen, rechtvaardigt niet dat een vervolgaanvraag wordt ingewilligd met ingang van een datum die in het verleden ligt. Gelet daarop heeft het college de aangevraagde bijstand over deze periode terecht afgewezen.
De periode van 22 juli 2024 tot en met 5 augustus 2024
8.8.
Ten aanzien van de periode van 22 juli 2024 tot en met 5 augustus 2024 stelt het college zich terecht op het standpunt dat eisers woonsituatie nog steeds onduidelijk is en dat eiser, zoals uit de rapportage van het gesprek bij de intake blijkt, heeft volhard in zijn weigering om mee te werken aan een huisbezoek. Daardoor heeft het college ook in het kader van de tweede aanvraag, voor wat betreft deze periode, niet kunnen vaststellen dat eiser woonachtig was op het door hem opgegeven adres, en is de woonsituatie onduidelijk gebleven.
8.9.
De rechtbank concludeert dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 zijn ongegrond. Dat betekent dat het college de aanvragen om bijstand terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen in de zaken met zaaknummers SGR 24/10051 en SGR 25/1239 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr.I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
griffier
rechter
de rechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) van 20 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1384.
Zie de uitspraak van de CRVB van 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2449.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRVB van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872.
zie de uitspraak van de CRVB van 28 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:385.