Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:19086

2026-06-19 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht AWB 26/7426 e.a.
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-19
Publicatiedatum
2026-07-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB 26/7426 e.a.
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De beroepen van eiseres zijn niet-ontvankelijk. Eiseres heeft beroepen ingesteld tegen beslissingen op bezwaar van meerdere vreemdelingen tegen de beëindiging van (de rijksbijdrage van) de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Utrecht. De bezwaren van de vreemdelingen zijn niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres is hierbij geen belanghebbende. Niet is gebleken dat eiseres daadwerkelijk gevolgen ondervindt van de bestreden besluiten. Ook is niet gebleken dat er in voldoende mate een onlosmakelijk en direct verband bestaat tussen het persoonlijke belang waarin eiseres zich getroffen acht (te weten de schade) en de beslissing die daaraan ten grondslag zou liggen (te weten de besluiten waarin de bezwaren van de vreemdelingen niet-ontvankelijk zijn verklaard).

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.805 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummers: AWB 26/7426 en 42 andere zaaknummers


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaken tussen


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, eiseres
(gemachtigde: mr. D. van Tilborg),


en




de minister van Asiel en Migratie, de minister.




Inleiding


1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de 43 beroepen van eiseres tegen meerdere besluiten van de minister. In de besluiten heeft de minister de bezwaren van meerdere vreemdelingen tegen de beëindiging van (de rijksbijdrage van) de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Utrecht niet-ontvankelijk verklaard.



1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.





Feiten


2. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. De LVV is tot stand gekomen op basis van een samenwerking tussen de Rijksoverheid en een aantal gemeentes, waaronder de gemeente Utrecht. Op 5 september 2024 heeft de minister laten weten dat hij deze samenwerking en de financiering van de LVV door het Rijk zal stopzetten. In november 2024 heeft de minister besloten om het aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht verleende mandaat in te trekken per 1 januari 2025. Dit betekent dat de gemeente Utrecht vanaf die datum niet langer bevoegd is om handelingen te verrichten in verband met de toelating tot, het verblijf in en het beëindigen van de opvang in de LVV.



2.1.
Eind 2024 heeft de minister aan meerdere vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding in de Utrechtse LVV vanaf 1 januari 2025 stopt. Hiertegen hebben meerdere vreemdelingen bezwaar gemaakt. De gemeente Utrecht is betrokken geweest bij deze bezwaarprocedures.



2.2.
In de bestreden besluiten heeft de minister de bezwaren van die vreemdelingen niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat de desbetreffende vreemdelingen geen (proces)belang meer hebben bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat zij geen gebruik meer maken of hoeven te maken van de opvang in de LVV.



2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen 43 besluiten van de minister, waarbij de bezwaren niet-ontvankelijk zijn verklaard. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij belang heeft bij een inhoudelijk besluit op de bezwaren tegen de beëindiging van (de rijksbijdrage aan) de LVV in Utrecht. Onder meer in verband met de schade die zij ten gevolge hiervan heeft geleden en nog steeds lijdt. Verder is volgens eiseres niet uitgesloten dat de vreemdelingen opnieuw in een situatie zonder opvang komen te verkeren.





Beoordeling door de rechtbank


3. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen belanghebbende is bij de bestreden besluiten.



3.1.
In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit.



3.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen rechtstreeks belang heeft als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Niet is gebleken dat eiseres daadwerkelijk gevolgen ondervindt van de bestreden besluiten. Dat eiseres stelt schade te hebben geleden en nog steeds te lijden door de beëindiging van (de rijksbijdrage aan) de LVV in Utrecht, staat niet in verband tot de bestreden besluiten. Niet is gebleken dat er in voldoende mate een onlosmakelijk en direct verband bestaat tussen het persoonlijke belang waarin eiseres zich getroffen acht (te weten de schade) en de beslissing die daaraan ten grondslag zou liggen (te weten de besluiten waarin de bezwaren van de vreemdelingen niet-ontvankelijk zijn verklaard). Bij de beoordeling van de vraag of eiseres belanghebbende is bij de bestreden besluiten gaat het er uitsluitend om of zij in haar belangen wordt geraakt door de besluiten. Daarbij moeten de gevolgen van andere (politieke) besluiten buiten beschouwing blijven. Daar komt bij dat de minister in de bestreden besluiten ook niet is ingegaan op de situatie en mogelijke belangen van eiseres. Dat eiseres stelt belang te hebben bij een rechterlijke beslissing over de beëindiging van (de rijksbijdrage aan) de LVV in Utrecht, omdat niet is uitgesloten dat vreemdelingen opnieuw in een situatie zonder opvang komen te verkeren, is een toekomstige onzekere gebeurtenis waar nu geen belang aan kan worden ontleend.





Conclusie en gevolgen


4. De beroepen zijn kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.




BIJLAGE


Hieronder de 43 zaaknummers waar deze uitspraak op ziet:









AWB 26 / 7426


AWB 26 / 7482




AWB 26 / 4732


AWB 26 / 8182




AWB 26 / 7436


AWB 26 / 7483




AWB 26 / 7440


AWB 26 / 7488




AWB 26 / 7441


AWB 26 / 7489




AWB 26 / 7445


AWB 26 / 7490




AWB 26 / 7446


AWB 26 / 7491




AWB 26 / 7448


AWB 26 / 7492




AWB 26 / 7449


AWB 26 / 7495




AWB 26 / 7458


AWB 26 / 7498




AWB 26 / 7459


AWB 26 / 7499




AWB 26 / 7461


AWB 26 / 7500




AWB 26 / 7462


AWB 26 / 7501




AWB 26 / 7464


AWB 26 / 7502




AWB 26 / 7465


AWB 26 / 7505




AWB 26 / 7466


AWB 26 / 7506




AWB 26 / 7471


AWB 26 / 7507




AWB 26 / 7475


AWB 26 / 7508




AWB 26 / 7476


AWB 26 / 7509




AWB 26 / 7479


AWB 26 / 7511




AWB 26 / 7480


AWB 26 / 7513




AWB 26 / 7481








Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4635).


Zie ro. 4.2. van de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4007).