Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:18934

2026-04-16 Bestuursrecht SGR 26/1780
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-04-16
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 26/1780
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

VoVo afgewezen. Sluiting bedrijfspand wegens vonds softdrugs, met aanwijzingen van teelt. Belangen huurder die tussen periode vondst en oplegging last is gaan huren. Niet onevenredig geraakt.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.571 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 26/1780


uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2026 in de zaak tussen


Beheermij Deko B.V., uit Zoetermeer, (hierna: “Deko”) verzoekster


en

de heer [verzoeker], handelend als eenmanszaak onder de naam [bedrijf 1], verzoeker,



hierna gezamenlijk: verzoekers,
(gezamenlijk bijgestaan door hun gemachtigde: mr. I.A. Kamans).



tegen




de burgemeester van Zoetermeer, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Siderius).




Inleidende opmerkingen


1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een last onder bestuursdwang tot sluiting van een bedrijfspand.



1.1.
Bij besluit van 24 februari 2026 heeft verweerder de sluiting gelast van een bedrijfspand dat door Deko wordt verhuurd aan [bedrijf 1] .



1.2.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de last.



1.3.
Hangende het bezwaar hebben verzoekers de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



1.4.
Verweerder heeft de last opgeschort tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.



1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op de zitting van 2 april 2026. Aan de zijde van verzoekers verschenen: verzoeker [verzoeker] , [naam] , bestuurder van verzoekster en als gemachtigde van verzoekers mr. J. Herrewijnen, kantoorgenoot van mr. I.A. Kamans. Namens verweerder verscheen mr. N. Siderius.





Waar gaat deze zaak over?



Het bedrijfspand



2. Deko is gedeeld eigenaar van het bedrijfspand aan de [adres] , gelegen op bedrijventerrein [terrein] , samen met de vennootschap [bedrijf 2] B.V. (hierna: “de mede-eigenaar”). Het bedrijfspand bestaat uit een loods met kantoorruimte.



De oude huursituatie



3. Tot eind 2025 werd het pand gebruikt door Dutchie Packaging B.V., een bedrijf in verpakkingen voor coffeeshops. Deko en de mede-eigenaar zijn gezamenlijk bestuurders van deze vennootschap.



De doorzoeking van het bedrijfspand



4. Op 9 februari 2026 is verweerder met een bestuurlijke rapportage op de hoogte gesteld van de vondst van verboden middelen in het bedrijfspand. De rapportage vermeldt daarover het volgende.


4.1.
Het bedrijfspand is op 10 december 2025 bezocht door ambtenaren van de politie. Vlakbij de ingang werden dozen met henneptoppen waargenomen. Vervolgens is in een koelcel een aantal flesjes gevonden, die door een politieambtenaar werden herkend als typische CBD-flesjes. In een ruimte, bereikbaar via een verborgen deur van een kantoor, is een hoeveelheid hennep aangetroffen; in die ruimte zijn ook goederen gevonden waarvan bekend is dat die vaak worden gebruikt voor de hennepteelt, zoals een koolstoffilter, vaten met donkere vloeistoffen en een kook/stoommachine met koelsysteem.



4.2.

Op last van de officier van justitie is het bedrijfspand nader doorzocht. Bij de doorzoeking zijn verschillende goederen in beslag genomen, waaronder:
(-) henneptoppen met een gewicht van 22.5 kilogram;
(-) blokken hasj met een gewicht van ruim 8 kilogram;
(-) meerdere flessen waarvan de inhoud positief is getest op de aanwezigheid van cannabis;
(-) 19.688 koekjes die hennep bevatten;
(-) 4 zakken met CBD, met een gewicht van 4 kilogram.




De nieuwe huursituatie



5. Vanaf 1 januari 2026 wordt het pand gehuurd door [bedrijf 1] op grond van een huurovereenkomst met verzoeker. [bedrijf 1] drijft vanuit het pand een onderneming die zich bezighoudt met de verkoop en de uiterlijke verzorging van auto’s.




De last



6. Aan verzoekster is op 24 februari 2026 een last onder bestuursdwang bekendgemaakt op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De last strekt tot algehele sluiting van het bedrijfspand voor 6 maanden, vanaf 4 maart 2026 om 11:30 uur tot 4 september 2026 om 11:30 uur.




Wat voeren verzoekers aan?


7. Verzoekers vragen de voorzieningenrechter om schorsing van de last. Zij brengen daarbij het volgende naar voren.



7.1.
Verweerder handelt in strijd met het recht op een eerlijk proces, zoals beschermd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Feitelijk heeft de last een punitief effect, terwijl het feitencomplex in deze bestuursrechtelijke kwestie ook onderwerp is van een parallel strafrechtelijk traject. Verweerder loopt vooruit op de uitkomst van een strafrechtelijke procedure en schendt daarmee de onschuldpresumptie.



7.2.
Bovendien wendt verweerder de bevoegdheid tot sluiting aan voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven. De wetgever heeft deze bevoegdheid gegeven voor het bestrijden van overlast. Uitoefening van deze bevoegdheid veronderstelt de vorming van een dossier waaruit blijkt van overlast of gebruik van het pand als illegaal verkooppunt. Daarvan is geen sprake. Bovendien is er geen reële vrees voor herhaling.



7.3.
Ook is het gebruik van de sluitingsbevoegdheid in dit geval onevenredig. De gevonden softdrugs waren kennelijk bestemd voor gedoogde softdrugshandel; de verboden situatie zoals ter plaatse aangetroffen, wordt in de hand gewerkt door een tweeslachtig en gedateerd gedoogbeleid. De sluiting is daarbij geen geschikt middel, omdat de verboden situatie al is beëindigd. Ook is de sluiting niet noodzakelijk, aangezien het pand niet bekend heeft gestaan als drugspand, terwijl Deko heeft aangeboden geregelde controles te laten uitvoeren; verweerder had dus met een minder ingrijpend middel kunnen volstaan. Bovendien is de sluiting onevenwichtig; verzoekers lijden door de sluiting ernstige reputatieschade en bedrijfsschade, terwijl verzoeker zijn onderneming niet kan exploiteren.




De beoordeling door de voorzieningenrechter

8. De voorzieningenrechter geeft hierna een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De bodemrechter is hier in een eventuele beroepsprocedure niet aan gebonden.



Is sprake van strijd met artikel 6 van het EVRM?



9. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor strijd met artikel 6 van het EVRM.


9.1.
Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat tegen verzoekers een strafrechtelijke vervolging loopt, of dat een handeling van overheidswege is verricht waaruit zij kunnen afleiden dat hen een bestraffende sanctie zal worden opgelegd. De last is evenmin van strafrechtelijke aard; deze is gebonden aan het bedrijfspand en dient uitsluitend tot herstel van de openbare orde. Dat verzoekers de last als zeer ingrijpend ervaren, geeft de last nog geen strafrechtelijk karakter. In de motivering van de last legt verweerder uit waarom hij de sluiting nodig vindt om de openbare orde te herstellen, zonder dat enigerwijs op de strafbaarheid van verzoekers wordt gezinspeeld.



Heeft de burgemeester zijn bevoegdheid gebruikt voor een oneigenlijk doel?




10. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verweerder niet bevoegd was tot sluiting, of dat hij de sluitingsbevoegdheid inzet voor een oneigenlijk doel. De voorzieningenrechter ziet geen strijd met het specialiteitsbeginsel dan wel het verbod van détournement de pouvoir.




10.1.
De burgemeester is bevoegd een last onder bestuursdwang op te leggen indien in een pand een middel, als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Die bevoegdheid heeft hij ook als in een pand voorwerpen zijn aangetroffen die bestemd zijn voor het telen van een dergelijk middel. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat er een werkend drugslaboratorium is aangetroffen, evenals softdrugs, vermeld op lijst II van de Opiumwet, in hoeveelheden die een normaal gebruiksvolume voor eigen gebruik ruimschoots overschrijden. Verweerder was op grond daarvan bevoegd om het pand te sluiten.



10.2.
Verweerder heeft uitgelegd dat hij met de last beoogt de openbare orde te herstellen, door het pand uit het drugscircuit te halen en aan de omgeving het signaal af te geven dat hij tegen overtredingen van de Opiumwet optreedt. Dit doel is legitiem en de gegeven uitleg is voldoende steekhoudend. De voorzieningenrechter vindt in de rechtspraak en de wetsgeschiedenis geen steun voor de opvatting, dat de sluitingsbevoegdheid alleen mag worden aangewend als sprake is van voldoende dossiervorming met betrekking tot overlast, aantasting van het woon- en leefklimaat of handel vanuit het pand. Dat de overtreding is beëindigd leidt niet tot een ander inzicht, omdat de bevoegdheid tot oplegging van de last ook is gegeven om herhaling te voorkomen en de openbare orde duurzaam te herstellen, zoals verweerder ook voor ogen heeft gestaan.



Is sluiting een evenredige maatregel?




11. Sluiting mag geen gevolgen hebben die onevenredig zijn aan het met de sluiting te dienen doel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van dergelijke gevolgen niet gebleken.




11.1.
Het is een feit van algemene bekendheid dat drugspanden een aanzuigende werking kunnen hebben voor georganiseerde criminaliteit en daarmee verband houdende maatschappelijke uitwassen. Voor het herstel van de openbare orde kan het onttrekken van het pand aan het drugscircuit dus als noodzakelijk worden aangemerkt. Sluiting is daarvoor het meest geschikte middel. Er zijn ook geen aanknopingspunten die anders doen vermoeden.


11.2
Verweerder heeft een zwaarwegend belang bij sluiting van het pand. Er is een grote hoeveelheid verboden middelen aangetroffen en kennelijk is het pand ook gebruikt voor verboden productiedoelen. Daar komt bovenop, dat in andere panden van de mede-eigenaar, ook op dit industrieterrein, eerder drugsvondsten zijn gedaan. Tegen verweerders zwaarwegende belang bij onttrekking van het pand aan het drugscircuit en het afgeven van een signaal aan de omgeving, wegen de belangen van verzoekers onvoldoende op. Sluiting is dus voldoende evenwichtig. Daartoe acht de voorzieningenrechter het volgende van betekenis.


11.2.1.
Als gedeeld eigenaar ligt het op de weg van Deko om te voorkomen dat het pand voor verboden doeleinden wordt gebruikt. Niet is gebleken dat Deko noemenswaardige inspanningen heeft verricht om dit te voorkomen. Daarbij is Deko tot op heden nog medebestuurder van Dutch Packaging B.V., samen met de mede-eigenaar die eerder in opspraak is geweest wegens drugsvondsten. Hieruit blijkt dat Deko ook geen afstand heeft genomen van de mede-eigenaar en gelet hierop medeverantwoordelijk kan worden gehouden voor de gedane vondst.



11.2.2.

[bedrijf 1] huurt het pand vanaf 1 januari 2026. Gezien de vondst van de verboden middelen, lag het in de lijn der verwachtingen dat verweerder het pand op afzienbare termijn zou sluiten. Deko had [bedrijf 1] hiervoor kunnen waarschuwen. Voor zover dat is nagelaten, hoeft dat niet voor risico van verweerder te komen. Bovendien is [bedrijf 1] goed zichtbaar op het internet, waar de onderneming zich actief voor het publiek presenteert. Het is dan ook onvoldoende aannemelijk, dat het imago van de onderneming nauw is verbonden met de reputatie van het pand. Dat [bedrijf 1] heeft te vrezen voor bedrijfsschade die de onderneming in gevaar zou brengen, is ook niet voldoende concreet naar voren gekomen.



11.2.3
Verder is onvoldoende aannemelijk dat de gevonden softdrugs alleen verband houden met zogenoemde ‘achterdeurproblematiek’, dus voor het bevoorraden van coffeeshops via de achterdeur. In het pand zijn namelijk ook voorwerpen gevonden die kennelijk bestemd waren voor de teelt van hennep. Het gebruik van het pand ging dus duidelijk verder dan het opslaan van softdrugs voor gedoogde activiteiten. Bovendien betekent het gedogen van coffeeshops nog niet dat de bevoorrading van coffeeshops moet worden gedoogd.



Is de sluitingstermijn evenredig?




12. Beoordeeld naar de stand van zaken tijdens de oplegging van de last, kan de termijn van 6 maanden de evenredigheidstoets doorstaan.





12.1.
Volgens het door verweerder vastgestelde beleid wordt een lokaal waarin een handelshoeveelheid softdrugs en hennepplanten zijn aangetroffen, voor de duur van 12 maanden gesloten. Dit is een redelijk uitgangspunt. Verweerder is van dit uitgangspunt afgeweken ten gunste van verzoekers, door een sluiting van 6 maanden op te leggen. In het licht van de omstandigheden zoals benoemd in r.o. 11.2, hoefden de belangen van Deko als mede-eigenaar van het pand niet verder te worden ontzien.



12.2.

Met betrekking tot [bedrijf 1] heeft verweerder ter zitting toegelicht, dat zijn belangen als huurder zijn meegewogen. De beperking van de sluitingsduur tot 6 maanden is volgens verweerder mede door die belangen ingegeven, zij het niet in expliciete bewoordingen. Dit komt de voorzieningenrechter geloofwaardig voor.
Verder betrekt de voorzieningenrechter dat na verloop van de helft van de sluitingsduur om opheffing van de sluiting kan worden gevraagd; in dat geval zal verweerder beoordelen of het voortduren van de sluiting nog evenredig is, naar de stand van zaken op dat moment.






Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening af.

14. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.



Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.













griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

CBD staat voor “cannabidiol’ en is één van de werkzame stoffen in een hennepplant.


Aan de mede-eigenaar is een afzonderlijk besluit bekendgemaakt.


Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet


Artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1506.


Damoclesbeleid gemeente Zoetermeer, paragraaf 7.