Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:18915

2026-07-07 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.35226
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.35226
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Artikel 59a (AMP) / gronden niet bestreden / ophoudingstermijn niet overschreden / inspanningsverplichting niet geschonden / ongegrond

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.297 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.35226


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).




Procesverloop


1. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening. In deze maatregel staat verder dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat.



2.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De gemachtigde van eiser voert aan dat verweerder niet voldaan heeft aan de inspanningsverplichting nu verweerder wist dat eiser overgedragen zou worden vanuit het strafrechtelijk traject. Niet valt in te zien waarom verweerder in de periode van eisers straftraject geen inspanningsverplichtingen heeft verricht. Daarnaast is de ophoudingstermijn overschreden.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. De ophouding mag ingevolge artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 niet langer dan zes uur duren, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ‘s morgens niet wordt meegerekend. De termijn van de ophouding vangt aan op het moment dat eiser op een plaats bestemd voor verhoor is aangekomen. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat de ophouding van eiser is aangevangen op 24 juni 2026 om 09:55 uur. Eiser is op diezelfde dag om 15:45 uur in bewaring gesteld. De maximum duur van zes uur is daarmee niet overschreden.
6. Volgens paragraaf A5/6.13 van de Vc rust op verweerder een inspanningsverplichting om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie zoveel mogelijk te beperken. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 5 januari 2018 en4 januari 2024 echter geoordeeld dat in het geval de einddatum van de strafrechtelijke detentie nog onbekend is, van verweerder niet kan worden gevergd dat de voorbereiding van de uitzetting steeds zo wordt ingericht, dat de uitzetting aansluitend aan het einde van de detentie plaatsvindt en iedere vreemdelingenbewaring dientengevolge achterwege kan blijven.


6.1.
In het uittreksel Justitiële Documentatie staat dat eiser van 16 juni 2026 tot en met 24 juni 2026 in preventieve hechtenis heeft gezeten. Daardoor was de dag van zijn ontslag uit de hem opgelegde strafrechtelijke detentie ongewis. Onder deze omstandigheden kon van verweerder niet worden gevergd dat hij de uitzetting zo voorbereidde dat deze aansluitend aan het einde van de strafrechtelijke detentie van eiser zou plaatsvinden. Van een schending van de inspanningsverplichting door verweerder is in dit geval dan ook geen sprake.

7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.







Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:17.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:78.


Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.