Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:18913

2026-07-07 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.34861
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.34861
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Artikel 59b / aangemerkt als vervolgberoep / maatregel verlengd met 3 maanden / niet gebleken dat niet tijdig uitspraak kan worden gedaan in asielberoep / ongegrond

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.452 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.34861


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. N. Birrou),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).




Procesverloop


Verweerder heeft op 8 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.



Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.



Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.



Eiser heeft hierop gereageerd.



De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.





Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 juni 2026 (in de zaak NL26.29824) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

3. De gemachtigde van eiser voert aan dat het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening pas op 9 juli 2026 op zitting zijn gepland. Dat is na het verstrijken van de bewaringstermijn. Het feit dat eiser verzocht heeft om uitstel van de zitting is uitsluitend gedaan in het belang van een zorgvuldige voorbereiding van de zaak en kan niet aan eiser worden tegengeworpen. Verweerder heeft in de asielprocedure kennelijk niet voortvarend genoeg gehandeld zodat op de zaak binnen de wettelijke termijn een inhoudelijk beslissing kan worden genomen. Het moet voor rekening en risico van verweerder komen dat de inhoudelijke behandeling van het asielberoep na het verstrijken van de bewaringstermijn zal plaatsvinden. Daarbij heeft verweerder miskent dat weliswaar het asielberoep op 9 juli 2026 zal worden behandeld, maar de rechtbank dient nog wel uitspraak te doen. Nu vaststaat dat de maximale termijn niet zal worden gehaald is de maatregel vanaf dat moment onrechtmatig en dient deze te worden opgeheven.
4. De rechtbank overweegt het volgende.

5. Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening zullen op 9 juli 2026 op zitting worden behandeld en de verwachting is dat de rechtbank zo spoedig mogelijk uitspraak zal doen. Verweerder stelt terecht dat de termijn van drie maanden pas afloopt op 19 juli 2026. De rechtbank is van oordeel dat, anders dan de gemachtigde van eiser stelt, er voldoende zicht is op een voortvarende behandeling van de asielaanvraag. Zo heeft verweerder op 23 april 2026 bij de rechtbank een verzoek gedaan om de voorlopige voorziening naar voren te halen. Terwijl eiser juist een verzoek heeft gedaan om uitstel van de behandeling van het asielberoep wat door de rechtbank is afgewezen. Verweerder kan dan ook niet worden verweten dat onvoldoende voortvarend wordt gehandeld aan de behandeling van het asielberoep. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat verweerder het behandelen van de asielaanvraag voortvarend heeft behandeld, nu de asielaanvraag op 8 april 2026 is gedaan en op 19 april 2026 een afwijzende beschikking is genomen.

6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.




Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.


Zie het arrest het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243, r.o. 24 en 31