Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:18911
2026-07-06
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.34737
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Artikel 59 (AMP) / vw heeft de dossierstukken niet tijdig toegevoegd, niet in belangengeschaad / deels gronden niet bestreden / geen nieuw verblijfsrecht verkregen / ongegrond
Citeert (3)
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.216 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34737
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 22 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 25 juni 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 29 juni 2026 gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 juli 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De gemachtigde van eiser voert aan dat de stukken die ten grondslag liggen aan de maatregel van bewaring niet zijn toegevoegd aan het digitale dossier. Dit maakt dat niet kan worden vastgesteld of het voortraject rechtmatig was, alle termijnen zijn gehaald en of de gronden terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. De motivering van de grond dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, omdat hij niet in het bezit is van een identiteitsbewijs klopt niet. Het is namelijk mogelijk dat de vreemdeling zijn identiteitskaart kwijtraakt nadat hij Nederland is binnengekomen. Verder maakt het feit dat het rechtmatig verblijf van eiser is beëindigd niet dat deze verblijfsbeëindiging nog actueel is. Ook is eiser Nederland uitgezet waardoor hij Nederland heeft verlaten. Daarbij heeft eiser aangegeven dat hij Nederland zelf wil verlaten en naar België wil gaan.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. De rechtbank heeft verweerder op 23 juni 2026 verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken per omgaande aan het dossier toe te voegen. Verweerder heeft de stukken op 26 juni 2026 toegevoegd aan het digitale dossier. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser tot het sluiten van het onderzoek de mogelijkheid heeft gehad om aanvullende gronden in te dienen, hiervan heeft de gemachtigde geen gebruik gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarom niet in zijn belangen is geschaad.
6. De rechtbank stelt vast dat de gronden b, h, p, r en s niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eiser het risico op onderduiken aan te nemen. Gelet hierop hoeft de door eiser bestreden grond geen bespreking meer.
7. In de maatregel van bewaring van 22 juni 2026 heeft verweerder onder meer opgenomen dat eisers verblijfsrecht op grond van het Unierecht op 14 oktober 2025 is beëindigd, hetgeen heeft geleid tot meerdere gedwongen uitzettingen het laatst op 8 juni 2026. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser bekend is met het besluit van 14 oktober 2025. Zo is in dit gehoor te lezen: “V: Op 14 oktober 2025 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) uw verblijfsrecht in Nederland op grond van het Unierecht per beschikking ingetrokken. Op 15 oktober 2025 werd deze beschikking aan u uitgereikt, met gebruikmaking van een Poolse tolk werd u de strekking hiervan uitgelegd. U ondertekende dit formulier. U wist dus dat u hier niet mocht zijn. Klopt dat? A: Ja, klopt. Ik begrijp dat”. Eiser heeft tijdens datzelfde gehoor verklaard redelijk snel na zijn uitzetting op 8 juni 2026 te zijn teruggekomen naar Nederland.
7.1.
Om in aanmerking te komen voor een nieuw verblijfsrecht in Nederland, moet eiser niet alleen Nederland fysiek hebben verlaten, maar moet hij ook zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief hebben beëindigd. Daarvan is geen sprake. Zo heeft eiser niet aangetoond dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland in Polen een bestaan heeft opgebouwd. Eigenlijk is er sprake van een situatie waarin eiser zijn verblijf in Nederland (vrijwel) ongewijzigd heeft voortgezet.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34737
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 22 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 25 juni 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 29 juni 2026 gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 juli 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De gemachtigde van eiser voert aan dat de stukken die ten grondslag liggen aan de maatregel van bewaring niet zijn toegevoegd aan het digitale dossier. Dit maakt dat niet kan worden vastgesteld of het voortraject rechtmatig was, alle termijnen zijn gehaald en of de gronden terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. De motivering van de grond dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, omdat hij niet in het bezit is van een identiteitsbewijs klopt niet. Het is namelijk mogelijk dat de vreemdeling zijn identiteitskaart kwijtraakt nadat hij Nederland is binnengekomen. Verder maakt het feit dat het rechtmatig verblijf van eiser is beëindigd niet dat deze verblijfsbeëindiging nog actueel is. Ook is eiser Nederland uitgezet waardoor hij Nederland heeft verlaten. Daarbij heeft eiser aangegeven dat hij Nederland zelf wil verlaten en naar België wil gaan.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. De rechtbank heeft verweerder op 23 juni 2026 verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken per omgaande aan het dossier toe te voegen. Verweerder heeft de stukken op 26 juni 2026 toegevoegd aan het digitale dossier. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser tot het sluiten van het onderzoek de mogelijkheid heeft gehad om aanvullende gronden in te dienen, hiervan heeft de gemachtigde geen gebruik gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarom niet in zijn belangen is geschaad.
6. De rechtbank stelt vast dat de gronden b, h, p, r en s niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eiser het risico op onderduiken aan te nemen. Gelet hierop hoeft de door eiser bestreden grond geen bespreking meer.
7. In de maatregel van bewaring van 22 juni 2026 heeft verweerder onder meer opgenomen dat eisers verblijfsrecht op grond van het Unierecht op 14 oktober 2025 is beëindigd, hetgeen heeft geleid tot meerdere gedwongen uitzettingen het laatst op 8 juni 2026. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser bekend is met het besluit van 14 oktober 2025. Zo is in dit gehoor te lezen: “V: Op 14 oktober 2025 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) uw verblijfsrecht in Nederland op grond van het Unierecht per beschikking ingetrokken. Op 15 oktober 2025 werd deze beschikking aan u uitgereikt, met gebruikmaking van een Poolse tolk werd u de strekking hiervan uitgelegd. U ondertekende dit formulier. U wist dus dat u hier niet mocht zijn. Klopt dat? A: Ja, klopt. Ik begrijp dat”. Eiser heeft tijdens datzelfde gehoor verklaard redelijk snel na zijn uitzetting op 8 juni 2026 te zijn teruggekomen naar Nederland.
7.1.
Om in aanmerking te komen voor een nieuw verblijfsrecht in Nederland, moet eiser niet alleen Nederland fysiek hebben verlaten, maar moet hij ook zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief hebben beëindigd. Daarvan is geen sprake. Zo heeft eiser niet aangetoond dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland in Polen een bestaan heeft opgebouwd. Eigenlijk is er sprake van een situatie waarin eiser zijn verblijf in Nederland (vrijwel) ongewijzigd heeft voortgezet.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.