Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:18899
2026-07-06
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.32051
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eerste beroep bewaring – opgeheven maatregel – 59b, eerste lid, aanhef onder a en b - gehoor voorafgaand aan de maatregel – voortvarend handelen – beroep ongegrond
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1898 Rechtbank Den Haag 05-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1429 Raad van State 13-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2021:1157 Raad van State 02-06-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.800 tekens)
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32051
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. L.S.J.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 12 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 19 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Zyad. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2004.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring
3. Eiser voert aan dat het gehoor voor de inbewaringstelling de relevante vragen ontbeert, om te onderzoeken of vrijheidsontneming noodzakelijk, proportioneel en evenredig is om te bewerkstelligen dat de asielprocedure kan worden doorlopen en afgerond. Eiser stelt zich op het standpunt dat een maatregel op de asielgrond een ander doel dient en deels aan andere vereisten moet doen dan een maatregel op een andere grondslag, dan blijkt uit het verslag van de vragen die aan eiser zijn gesteld. In dit kader wijst eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 5 februari 2026.1
4. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet voldoet aan de vereisten van de grondslag van de bewaringsmaatregel, namelijk eisers asielaanvraag. Tijdens het gehoor heeft de minister allereerst onderkend dat eiser een asielaanvraag heeft gedaan, uit het proces-verbaal van het gehoor van de bewaringsmaatregel blijkt namelijk dat eiser zijn asielverzoek heeft aangegeven ten tijde van het gehoor. De tijdens het gehoor gestelde vragen zagen toe op de beoordeling of er voldoende gronden zijn om vast te stellen dat er een risico bestaat dat eiser zal onttrekken aan het toezicht. Nu de vraag naar het risico op onttrekking relevant is voor een inbewaringstelling op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, geeft het proces-verbaal daarmee blijk van een relevant onderzoek. De maatregel van bewaring is zorgvuldig tot stand gekomen. De rechtbank merkt bovendien op dat de uitspraken van zittingsplaats Roermond, waar eiser naar heeft verwezen, is vernietigd door de Afdeling.2 De beroepsgrond faalt.
Bewaringsgronden
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw). Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
1. ECLI:NL:RBDHA:2026:1898.
2 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1429).
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd niet heeft bestreden. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring naar het oordeel van de rechtbank dragen.
Voortvarend handelen
7. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend gehandeld heeft ten aanzien van de asielaanvraag. Hij stelt dat het aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden op 22 mei 2026, wat tien dagen later is dan zijn asielaanvraag op 12 mei 2026. Volgens eiser heeft de minister niet onderbouwd dat er voldoende voortvarend is gehandeld.
8. De rechtbank oordeelt als volgt. Voor behandeling van een asielaanvraag tijdens een inbewaringstelling geldt een maximale termijn van zes weken.3 Dit wordt gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat de vreemdeling voor een zo kort mogelijke periode in bewaring wordt gehouden.4 De rechtbank ziet zich dus voor de vraag gesteld of het feit dat in de eerste tien dagen geen handelingen zijn verricht ten behoeve van de asielaanvraag maakt dat onvoldoende voortvarend is gehandeld bij de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. De minister mag wat tijd worden gegund om een asielprocedure op te starten. Dat binnen de eerste tien dagen na het indienen van de asielaanvraag nog geen gehoor heeft plaatsgevonden, maakt niet dat onvoldoende voortvarend is gehandeld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ten tijde van de zitting inmiddels op de asielaanvraag is beslist en de bewaring is omgezet. De beroepsgrond faalt.
Ambtshalve toets
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3 Dit volgt uit artikel 59b, tweede lid, van de Vw.
4 ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1157, r.o. 3.1.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 juli 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32051
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. L.S.J.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 12 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 19 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Zyad. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2004.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring
3. Eiser voert aan dat het gehoor voor de inbewaringstelling de relevante vragen ontbeert, om te onderzoeken of vrijheidsontneming noodzakelijk, proportioneel en evenredig is om te bewerkstelligen dat de asielprocedure kan worden doorlopen en afgerond. Eiser stelt zich op het standpunt dat een maatregel op de asielgrond een ander doel dient en deels aan andere vereisten moet doen dan een maatregel op een andere grondslag, dan blijkt uit het verslag van de vragen die aan eiser zijn gesteld. In dit kader wijst eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 5 februari 2026.1
4. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet voldoet aan de vereisten van de grondslag van de bewaringsmaatregel, namelijk eisers asielaanvraag. Tijdens het gehoor heeft de minister allereerst onderkend dat eiser een asielaanvraag heeft gedaan, uit het proces-verbaal van het gehoor van de bewaringsmaatregel blijkt namelijk dat eiser zijn asielverzoek heeft aangegeven ten tijde van het gehoor. De tijdens het gehoor gestelde vragen zagen toe op de beoordeling of er voldoende gronden zijn om vast te stellen dat er een risico bestaat dat eiser zal onttrekken aan het toezicht. Nu de vraag naar het risico op onttrekking relevant is voor een inbewaringstelling op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, geeft het proces-verbaal daarmee blijk van een relevant onderzoek. De maatregel van bewaring is zorgvuldig tot stand gekomen. De rechtbank merkt bovendien op dat de uitspraken van zittingsplaats Roermond, waar eiser naar heeft verwezen, is vernietigd door de Afdeling.2 De beroepsgrond faalt.
Bewaringsgronden
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw). Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
1. ECLI:NL:RBDHA:2026:1898.
2 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1429).
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd niet heeft bestreden. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring naar het oordeel van de rechtbank dragen.
Voortvarend handelen
7. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend gehandeld heeft ten aanzien van de asielaanvraag. Hij stelt dat het aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden op 22 mei 2026, wat tien dagen later is dan zijn asielaanvraag op 12 mei 2026. Volgens eiser heeft de minister niet onderbouwd dat er voldoende voortvarend is gehandeld.
8. De rechtbank oordeelt als volgt. Voor behandeling van een asielaanvraag tijdens een inbewaringstelling geldt een maximale termijn van zes weken.3 Dit wordt gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat de vreemdeling voor een zo kort mogelijke periode in bewaring wordt gehouden.4 De rechtbank ziet zich dus voor de vraag gesteld of het feit dat in de eerste tien dagen geen handelingen zijn verricht ten behoeve van de asielaanvraag maakt dat onvoldoende voortvarend is gehandeld bij de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. De minister mag wat tijd worden gegund om een asielprocedure op te starten. Dat binnen de eerste tien dagen na het indienen van de asielaanvraag nog geen gehoor heeft plaatsgevonden, maakt niet dat onvoldoende voortvarend is gehandeld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ten tijde van de zitting inmiddels op de asielaanvraag is beslist en de bewaring is omgezet. De beroepsgrond faalt.
Ambtshalve toets
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3 Dit volgt uit artikel 59b, tweede lid, van de Vw.
4 ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1157, r.o. 3.1.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 juli 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.