Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:18889
2026-06-23
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.32846
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eerste beroep vreemdelingenbewaring. De gronden kunnen de maatregel dragen. Terecht geen aanleiding voor het toepassen van een lichter middel. Ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2020:829 Raad van State 25-03-2020
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.947 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32846
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Procesverloop
1. Bij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
2. De rechtbank beoordeelt of de minister eiser in bewaring had mogen stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. De minister heeft de maatregel van bewaring terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is eiser op de juiste grondslag in bewaring gesteld?
4. Eiser voert aan dat hij niet op de juiste grondslag in bewaring is gesteld. Eiser voert in dit kader aan dat hij onder andere op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld maar dat zijn identiteit wel duidelijk is en dat hem niet verweten kan worden dat hij nooit een paspoort heeft aangevraagd in Somalië.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Wat daar ook van zij, de minister heeft zowel artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a als onder b, van de Vw 2000 aan de maatregel ten grondslag gelegd. Ook indien de minister ten onrechte artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd dan maakt dat de grondslag van de maatregel niet onrechtmatig.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser alleen de zware grond 3d heeft betwist. De overige zware gronden kunnen de maatregel al dragen, omdat zij – onbetwist – feitelijk juist zijn. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de zware grond 3d daarom onbesproken.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft gekozen voor een lichter middel. Niet gebleken is dat eiser niet zal meewerken aan terugkeer naar zijn land van herkomst als zijn asielaanvraag wordt afgewezen.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel kunnen dragen en dat daarmee het onttrekkingsgevaar al is gegeven.
Daarnaast heeft eiser zich eerder niet gehouden aan toezichtsmaatregelen door op of nabij 5 december 2025 met onbekende bestemming te vertrekken waarna eiser vervolgens op 10 juni 2026 door de Franse autoriteiten in het kader van de Dublinverordening weer is overgedragen aan Nederland.
Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat in het detentiecentrum sprake is van medische zorgverlening die gelijkwaardig is aan de gezondheidsvoorzieningen in de vrije maatschappij.
Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft ingediend tegen de maatregel van bewaring. De rechtbank ziet in de door de minister verstrekte gegevens ook geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 20 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32846
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Procesverloop
1. Bij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
2. De rechtbank beoordeelt of de minister eiser in bewaring had mogen stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. De minister heeft de maatregel van bewaring terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is eiser op de juiste grondslag in bewaring gesteld?
4. Eiser voert aan dat hij niet op de juiste grondslag in bewaring is gesteld. Eiser voert in dit kader aan dat hij onder andere op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld maar dat zijn identiteit wel duidelijk is en dat hem niet verweten kan worden dat hij nooit een paspoort heeft aangevraagd in Somalië.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Wat daar ook van zij, de minister heeft zowel artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a als onder b, van de Vw 2000 aan de maatregel ten grondslag gelegd. Ook indien de minister ten onrechte artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd dan maakt dat de grondslag van de maatregel niet onrechtmatig.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser alleen de zware grond 3d heeft betwist. De overige zware gronden kunnen de maatregel al dragen, omdat zij – onbetwist – feitelijk juist zijn. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de zware grond 3d daarom onbesproken.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft gekozen voor een lichter middel. Niet gebleken is dat eiser niet zal meewerken aan terugkeer naar zijn land van herkomst als zijn asielaanvraag wordt afgewezen.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel kunnen dragen en dat daarmee het onttrekkingsgevaar al is gegeven.
Daarnaast heeft eiser zich eerder niet gehouden aan toezichtsmaatregelen door op of nabij 5 december 2025 met onbekende bestemming te vertrekken waarna eiser vervolgens op 10 juni 2026 door de Franse autoriteiten in het kader van de Dublinverordening weer is overgedragen aan Nederland.
Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat in het detentiecentrum sprake is van medische zorgverlening die gelijkwaardig is aan de gezondheidsvoorzieningen in de vrije maatschappij.
Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft ingediend tegen de maatregel van bewaring. De rechtbank ziet in de door de minister verstrekte gegevens ook geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 20 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.