Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:18882

2026-07-08 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.33729
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.33729
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring, verlengingsbesluit, maatregel tijdig opgeheven, voortvarendheid, refoulementbeoordeling, ongegrond.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.017 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.33729


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).




Procesverloop


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het besluit tot verlenging van de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze maatregel is opgelegd op 25 november 2025.



1.1.
Bij besluit van 20 mei 2026 (het verlengingsbesluit) heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000.



1.2.
De minister heeft de rechtbank op 17 juni 2026 in kennis gesteld van het verlengingsbesluit door middel van een kennisgeving. Daarmee wordt eiser geacht tegen het verlengingsbesluit beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.



1.3.
De minister heeft op 1 juli 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak aangehouden. Tijdens de zitting werd namelijk duidelijk dat eiser de tolk niet kon verstaan. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 verder op zitting behandeld en aansluitend het onderzoek in de zaak gesloten. Op de nadere zitting van 3 juli 2026 zijn de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister verschenen.





Beoordeling door de rechtbank


2. Omdat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband beoordeelt de rechtbank onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.



2.1.
Op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 mag de maatregel van bewaring na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden worden verlengd als de uitzetting (alle redelijke inspanningen ten spijt) wellicht meer tijd zal vergen als de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt (voorwaarde a) of als de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting (voorwaarde b).



2.2
De minister moet in het verlengingsbesluit conform het beleid van paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zoals dat gold tot 12 juni 2026, nagaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende gemotiveerd is, wordt hiermee voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit.



Is de maatregel van bewaring tijdig opgeheven?

3. In de opheffing van de maatregel van bewaring (M113) staat dat deze is opgeheven wegens een afweging van belangen.




3.1.
Eiser voert aan dat uit het dossier niet blijkt waarom de bewaring niet eerder dan op 1 juli 2026 is opgeheven en welke belangen daarbij zijn gewogen. Het is daardoor niet duidelijk of de maatregel van bewaring tijdig is opgeheven.



3.2.
In het verslag van het vertrekgesprek van 22 juni 2026 is opgenomen dat de regievoerder op dat moment in afwachting was van het antwoord op het verzoek aan de Gambiaanse autoriteiten om eiser te bezoeken op het detentiecentrum op Schiphol. Op de vraag van eiser wat er zou gebeuren als de Gambiaanse autoriteiten niet naar het detentiecentrum zouden komen, heeft de regievoerder geantwoord dat in dat geval moest worden afgewacht of eisers gegevens voorkomen in de systemen in Gambia na een schriftelijke presentatie, zodat op basis van die gegevens eventueel een laissez-passer (lp) zou kunnen worden verstrekt. Op de vraag van eiser wat zou gebeuren indien zijn gegevens niet zouden voorkomen in de Gambiaanse systemen, heeft de regievoerder vervolgens geantwoord dat de maatregel van bewaring in dat geval waarschijnlijk zal worden opgeheven, omdat er dan geen aanknopingspunten meer zouden zijn dat eiser de Gambiaanse nationaliteit zou hebben.



3.2.

Tijdens de zitting is aan bod gekomen of de datum van opheffing van 1 juli 2026 willekeurig is gekozen, of dat deze datum een bewuste keuze is geweest. De minister heeft daarop toegelicht dat in het logboek van de Dienst Terugkeer en Vertrek een notitie van
1 juli 2026 (met als tijdstip 14:02 uur) is opgenomen, waarin staat dat bericht is ontvangen van de autoriteiten van Gambia en dat het op dat moment nog twee maanden zou duren voordat de Gambiaanse consul tijd had om eiser te bezoeken voor een presentatie in persoon.




3.3.
De rechtbank begrijpt uit bovenstaande dat met het verzoek aan de consul van Gambia om eiser op te zoeken in het detentiecentrum een laatste poging is gedaan om eiser in persoon te presenteren bij de Gambiaanse autoriteiten. Eiser zelf weigert immers elke medewerking. Op 1 juli 2026 is duidelijk geworden dat het op dat moment nog twee maanden zou duren voordat de Gambiaanse consul eiser kon bezoeken. De rechtbank begrijpt dat dit de aanleiding is geweest om de maatregel van bewaring nog diezelfde dag op te heffen.


Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat werd voldaan aan de voorwaarden voor de verlenging van de maatregel en dat de minister de bewaring direct heeft opgeheven op het moment dat duidelijk werd dat een presentatie in persoon op korte termijn niet mogelijk was. Daarmee heeft de bewaring na het nemen van het verlengingsbesluit niet onnodig lang geduurd. Het betoog slaagt niet.




Werkte de minister voldoende voortvarend aan eisers uitzetting?

4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn uitzetting.




4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld door ook na de verlenging schriftelijk te rappelleren bij de Gambiaanse autoriteiten op de status van de lp-aanvraag en vertrekgesprekken te voeren. De beroepsgrond slaagt niet.



Had de minister een uitgebreidere refoulementbeoordeling moeten maken?

5. Eiser voert aan dat in het verlengingsbesluit slechts een beknopte refoulementbeoordeling is opgenomen.




5.1.

De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgrond eerder is aangevoerd en getoetst bij het eerste vervolgberoep. Op dit vervolgberoep heeft deze rechtbank en zittingsplaats op
31 maart 2026 uitspraak gedaan. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverwegingen 5 tot en met 5.5 van deze uitspraak. Eiser heeft bij zijn huidige beroep tegen het verlengingsbesluit geen nieuwe argumenten aangevoerd of nieuwe stukken ingebracht waardoor de rechtbank nu anders zou moeten oordelen. De beroepsgrond slaagt niet.




Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaand aan het opheffen daarvan onrechtmatig is geweest.





Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Zoals deze luidde vóór 12 juni 2026.


Op grond van artikel 94 van de Vw 2000.


Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.


HvJEU 5 juni 2014, Bashir Mohamed Ali Mahdi, ECLI:EU:C:2014:1320.


ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4460.


ECLI:NL:RBDHA:2026:8223.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.