Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:18747

2026-07-08 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.20330
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-07-08
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.20330
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel. Dublin Kroatië. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Discretionaire bevoegdheid. Beroep ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.439 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.20330


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),



en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 9 april 2026 waarin verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen (het bestreden besluit).



1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.




Overwegingen

2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1997 en de Palestijnse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 4 december 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.

3. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit niet in behandeling genomen omdat uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser eerder een asielaanvraag heeft ingediend in Kroatië en dat land daarom op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Op 30 januari 2026 hebben de Kroatische autoriteiten het verzoek van verweerder om eiser terug te nemen geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat hij met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een slechte behandeling heeft gehad in Kroatië. Verweerder heeft zich niet op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen hierover als ongeloofwaardig of onwaarschijnlijk moeten worden aangemerkt. Deze verklaringen sluiten bovendien aan bij verklaringen van andere vluchtelingen over de onmenselijke behandeling waaraan zij door de Kroatische autoriteiten zijn blootgesteld. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Kroatië opnieuw onmenselijk behandeld zal worden en heeft verweerder daarom verzocht om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening (discretionaire bevoegdheid). Eiser voert aan dat, gelet op zijn verklaringen, verweerder op onjuiste gronden dan wel op grond van een onjuiste motivering geen toepassing heeft gegeven aan dit artikel.


De rechtbank oordeelt als volgt.


5. Binnen de Europese Unie geldt het uitgangspunt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat zij hun Unierechtelijke en internationale verplichtingen naleven. Dit wordt het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van een asielaanvraag kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.

6. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste Nederlandse rechter in onder meer vreemdelingenzaken, heeft bevestigd dat ten aanzien van Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit wat eiser heeft verklaard over zijn eigen ervaringen en de verwijzing naar de ervaringen van andere vluchtelingen, zonder dat hier objectieve en verifieerbare informatie aan ten grondslag ligt, volgt nog niet dat er in Kroatië sprake is van systematische tekortkomingen.

7. Voor de vraag of de overdracht van eiser zal leiden tot een schending van artikel 4 van het Handvest moet bovendien niet worden beoordeeld wat de situatie is van immigranten die zich aan de grens melden, maar wat de situatie is van asielzoekers die na een expliciet terugnameakkoord gereguleerd worden overgedragen. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor deze personen sprake is van systematische tekortkomingen, moet er vanuit worden gegaan dat eiser na overdracht aan Kroatië adequaat zal worden behandeld. Eisers eerdere ervaringen in Kroatië maken dit niet anders, omdat toen de Dublinverordening nog niet op hem van toepassing was. Bovendien kan eiser klagen bij de Kroatische autoriteiten indien hij na overdracht onverhoopt geen opvang zou kunnen krijgen. Het is niet gebleken dat dit niet kan of dat klagen op voorhand zinloos is.

8. Uit het voorgaande volgt verder dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Het besluit is op dit punt daarom voldoende gemotiveerd.

9. De conclusie is dat het beroep kennelijk ongegrond is; het bestreden besluit blijft in stand. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat hij kan worden overgedragen aan Kroatië.

10. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan op 8 juli 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



De uitspraak is bekendgemaakt op:





Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.



Verordening (EU) Nr. 604/2013.


Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.


Zie ook het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 februari 2024 in de zaak X, ECLI:EU:C:2024:195, over de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.