Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:18683
2026-07-01
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
C/09/698901 / HA ZA 26-139
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Incident tot aanhouding schadestaatprocedure in verband met hoger beroep in de zaak waarin gedaagde is veroordeeld.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2019:2026 Hoge Raad 20-12-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.156 tekens)
RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Zaaknummer / rolnummer: C/09/698901 / HA ZA 26-139
Vonnis in incident van 1 juli 2026
in de zaak van
[partij A] B.V., te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. T.M. van Dijk,
tegen
[partij B] B.V., te [plaats 2] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. J.P.G. Bouwman.
1De procedure
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 2 februari 2026, met de producties 1-22;
- de conclusie van eis in incident en conclusie van antwoord in de hoofdzaak, met de producties 1-3;
- de conclusie van antwoord in het incident tot opschorting van de hoofdzaak.
1.2.
Tenslotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident.
2De beoordeling in het incident
2.1.
De hoofdzaak heeft betrekking op een schadestaatprocedure, volgend op een eindvonnis van deze rechtbank van 3 september 2025 (hierna: het eindvonnis). In het eindvonnis heeft de rechtbank, voor zover in dit incident van belang:
- voor recht verklaard dat [partij B] toerekenbaar tekortgeschoten is jegens [partij A] in de nakoming van het tussen partijen overeengekomene met betrekking tot de constructieve advisering inzake ‘project Boegbeeld’ en dat [partij B] dientengevolge verplicht is tot vergoeding aan [partij A] van de helft van de daardoor geleden en nog te lijden schade;
- [partij B] (uitvoerbaar bij voorraad) veroordeeld tot vergoeding van de helft van de door [partij A] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.
2.2.
[partij B] heeft hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis. Deze procedure loopt nog.
2.3.
[partij B] vordert in het incident dat de rechtbank bepaalt dat de hoofdzaak wordt geschorst of anderszins wordt aangehouden gedurende de lopende procedure in hoger beroep tot het moment dat daarin eindarrest wordt gewezen.
2.4.
[partij B] voert hiertoe het volgende aan. Indien het hof [partij B] in het gelijk stelt en de vorderingen van [partij A] afwijst, ontvalt de grondslag aan de schadestaatprocedure. In dat geval zijn aan deze procedure onnodig kosten en tijd besteed. Daarom dient deze procedure uit het oogpunt van kostenefficiency en efficiënt procederen te worden aangehouden. Daarmee worden de belangen van [partij A] niet (onaanvaardbaar) geschaad. [partij A] kan de schadestaatprocedure zo nodig voortzetten na het eindarrest. Bovendien kan het zo zijn dat het hof in het hoger beroep zelf een schadebedrag vaststelt, waardoor een schadestaatprocedure onnodig is.
2.5.
[partij A] concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident.
2.6.
De schadestaatprocedure is een vorm van tenuitvoerlegging van het eindvonnis. De veroordeling in het eindvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waardoor het hoger beroep de tenuitvoerlegging niet heeft geschorst. Wat [partij B] vordert houdt in wezen in dat de tenuitvoerlegging van het eindvonnis alsnog wordt geschorst. Daarom beoordeelt de rechtbank de incidentele vordering aan de hand van de maatstaven van artikel 351 Rv. Dit komt neer op een belangenafweging, waarbij de kans van slagen van het rechtsmiddel buiten beschouwing moet blijven. Wat [partij B] heeft aangevoerd, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat haar belang om de schadestaatprocedure aan te houden zwaarder moet wegen dan het belang van dat van [partij A] bij het voortvarend doorprocederen. Dit leidt ertoe dat de incidentele vordering wordt afgewezen.
2.7.
[partij B] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van [partij A] als volgt begroot:
- salaris advocaat: € 614 (1 punt x tarief II);
- nakosten: € 189 (plus de verhoging als het vonnis wordt betekend;
Totaal: € 803
in de hoofdzaak
2.8.
De volgende stap in de hoofdzaak is de mondelinge behandeling. Via het roljournaal krijgen partijen de vraag om verhinderdata op te geven zodat daarmee rekening kan worden gehouden bij het plannen van de zitting. Het is zaak dat partijen het roljournaal wekelijks raadplegen zodat zij tijdig verhinderdata opgeven (anders wordt aangenomen dat zij beschikbaar zijn en wordt in beginsel alleen bij klemmende reden of overmacht een andere datum bepaald).
3De beslissing
in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af;
3.2.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van [partij A] begroot op € 803, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij B] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
in de hoofdzaak
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
type: 1554
Zie artikel 613 lid 1 Rv.
. ECLI:NL:HR:2019:2026 (Hotel-restaurant De Zeester).
Team Handel
Zaaknummer / rolnummer: C/09/698901 / HA ZA 26-139
Vonnis in incident van 1 juli 2026
in de zaak van
[partij A] B.V., te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. T.M. van Dijk,
tegen
[partij B] B.V., te [plaats 2] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. J.P.G. Bouwman.
1De procedure
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 2 februari 2026, met de producties 1-22;
- de conclusie van eis in incident en conclusie van antwoord in de hoofdzaak, met de producties 1-3;
- de conclusie van antwoord in het incident tot opschorting van de hoofdzaak.
1.2.
Tenslotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident.
2De beoordeling in het incident
2.1.
De hoofdzaak heeft betrekking op een schadestaatprocedure, volgend op een eindvonnis van deze rechtbank van 3 september 2025 (hierna: het eindvonnis). In het eindvonnis heeft de rechtbank, voor zover in dit incident van belang:
- voor recht verklaard dat [partij B] toerekenbaar tekortgeschoten is jegens [partij A] in de nakoming van het tussen partijen overeengekomene met betrekking tot de constructieve advisering inzake ‘project Boegbeeld’ en dat [partij B] dientengevolge verplicht is tot vergoeding aan [partij A] van de helft van de daardoor geleden en nog te lijden schade;
- [partij B] (uitvoerbaar bij voorraad) veroordeeld tot vergoeding van de helft van de door [partij A] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.
2.2.
[partij B] heeft hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis. Deze procedure loopt nog.
2.3.
[partij B] vordert in het incident dat de rechtbank bepaalt dat de hoofdzaak wordt geschorst of anderszins wordt aangehouden gedurende de lopende procedure in hoger beroep tot het moment dat daarin eindarrest wordt gewezen.
2.4.
[partij B] voert hiertoe het volgende aan. Indien het hof [partij B] in het gelijk stelt en de vorderingen van [partij A] afwijst, ontvalt de grondslag aan de schadestaatprocedure. In dat geval zijn aan deze procedure onnodig kosten en tijd besteed. Daarom dient deze procedure uit het oogpunt van kostenefficiency en efficiënt procederen te worden aangehouden. Daarmee worden de belangen van [partij A] niet (onaanvaardbaar) geschaad. [partij A] kan de schadestaatprocedure zo nodig voortzetten na het eindarrest. Bovendien kan het zo zijn dat het hof in het hoger beroep zelf een schadebedrag vaststelt, waardoor een schadestaatprocedure onnodig is.
2.5.
[partij A] concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident.
2.6.
De schadestaatprocedure is een vorm van tenuitvoerlegging van het eindvonnis. De veroordeling in het eindvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waardoor het hoger beroep de tenuitvoerlegging niet heeft geschorst. Wat [partij B] vordert houdt in wezen in dat de tenuitvoerlegging van het eindvonnis alsnog wordt geschorst. Daarom beoordeelt de rechtbank de incidentele vordering aan de hand van de maatstaven van artikel 351 Rv. Dit komt neer op een belangenafweging, waarbij de kans van slagen van het rechtsmiddel buiten beschouwing moet blijven. Wat [partij B] heeft aangevoerd, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat haar belang om de schadestaatprocedure aan te houden zwaarder moet wegen dan het belang van dat van [partij A] bij het voortvarend doorprocederen. Dit leidt ertoe dat de incidentele vordering wordt afgewezen.
2.7.
[partij B] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van [partij A] als volgt begroot:
- salaris advocaat: € 614 (1 punt x tarief II);
- nakosten: € 189 (plus de verhoging als het vonnis wordt betekend;
Totaal: € 803
in de hoofdzaak
2.8.
De volgende stap in de hoofdzaak is de mondelinge behandeling. Via het roljournaal krijgen partijen de vraag om verhinderdata op te geven zodat daarmee rekening kan worden gehouden bij het plannen van de zitting. Het is zaak dat partijen het roljournaal wekelijks raadplegen zodat zij tijdig verhinderdata opgeven (anders wordt aangenomen dat zij beschikbaar zijn en wordt in beginsel alleen bij klemmende reden of overmacht een andere datum bepaald).
3De beslissing
in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af;
3.2.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van [partij A] begroot op € 803, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij B] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
in de hoofdzaak
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
type: 1554
Zie artikel 613 lid 1 Rv.
. ECLI:NL:HR:2019:2026 (Hotel-restaurant De Zeester).