Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:18487

2026-03-13 Bestuursrecht SGR 25/2072
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-13
Publicatiedatum
2026-07-06
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/2072
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Woo. Einduitspraak. Uitzonderingsgronden na toepassing bestuurlijke lus alsnog voldoende gemotiveerd.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.125 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 25/2072


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen



[eiser], uit [woonplaats], eiser


en




de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigden: mr. S. Raterink en mr. J.T.E. van der Eijk-Peters).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn aanvraag om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).



1.1.
Bij tussenuitspraak van 7 november 2025 heeft de rechtbank een gebrek in de motivering van het bestreden besluit van 29 januari 2025 vastgesteld. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen.



1.2.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende beslissing op bezwaar genomen van 10 december 2025. Hiermee is het bestreden besluit gewijzigd. De aanvullende beslissing op bezwaar maakt van rechtswege deel uit van dit beroep.



1.3.
Eiser heeft daarop zijn schriftelijke reactie gegeven.



1.4.
De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.




Overwegingen



Vooraf



2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
Het gebrek

3. Eiser heeft verzocht om openbaarmaking van bij verweerder berustende informatie over het Internationaal Strafhof. Verweerder heeft (delen van) documenten uitgezonderd van openbaarmaking. Hij heeft zich daartoe op enkele uitzonderingsgronden uit de Woo beroepen.

4. Op drie punten heeft de rechtbank vastgesteld dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust:


(-) een passage die verwijst naar wat is besproken in de ministerraad, is afgeschermd met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo. In het bestreden besluit is onvoldoende gebleken van een afweging tussen het belang bij openbaarmaking en het door verweerder ingeroepen belang om dat gedeeltelijk te weigeren;
(-) ten aanzien van 12 documenten, waarin adviezen, Q&A’s, woordvoeringsteksten en redeneerlijnen zijn opgenomen, heeft verweerder artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo toegepast. Het gaat om informatie met mogelijke vragen en antwoorden die aan de orde kunnen komen tijdens Kamerdebatten of mediaoptredens en visies die naar voren gebracht kunnen worden. Het belang dat deze informatie vertrouwelijk blijft is niet kenbaar afgewogen tegen het belang bij openbaarmaking; daarbij lijkt verweerder het relatieve karakter van de uitzonderingsgrond te hebben miskend;
(-) met een beroep op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo, heeft verweerder enkele verwijzingen naar hoogwaardigheidsbekleders onleesbaar gemaakt. De daarvoor gegeven uitleg volstaat niet. Bovendien is ook op dit punt niet gebleken van een belangenafweging.



Hieronder beoordeelt de rechtbank per punt of het gebrek voldoende is hersteld in het aanvullend besluit.




Beoordeling van de aanvullende motivering



5. Het onleesbaar maken van de passage over wat is besproken in de ministerraad, heeft in het aanvullende besluit een nadere uitleg gekregen.


5.1.
Verweerder overweegt dat de ministerraad met één mond wordt geacht te spreken over een onderwerp waarover in de ministerraad een besluit is genomen. Het openbaar maken van de opvattingen van individuele bewindspersonen kan de eenheid van het kabinetsbeleid in gevaar brengen en het is belangrijk dat bewindspersonen vrij met elkaar kunnen spreken. De rechtbank onderschrijft de vaststelling van verweerder, dat de onleesbaar gemaakte passage een bijzonder gevoelig onderwerp aangaat. Als rekening moet worden gehouden met de kans van latere openbaarmaking, kan over een dergelijk onderwerp de vrije uitwisseling van standpunten in de ministerraad in het gedrag komen. Het belang bij het onleesbaar maken van die passage voor het goed functioneren van de Staat, weegt dan ook bijzonder zwaar. Verweerder heeft uitgelegd waarom dat belang in dit geval van groter gewicht is dan het belang bij openbaarmaking; daarin kan de rechtbank verweerder goed volgen. Het gebrek in het bestreden besluit, zoals weergegeven in r.o. 10.3 van de tussenuitspraak, is hiermee voldoende hersteld.


6. Met betrekking tot de het onleesbaar maken van gedeelten van documenten over adviezen, Q&A’s, woordvoeringsteksten en redeneerlijnen, heeft verweerder de motivering aangepast.




6.1.
Verweerder verduidelijkt dat hij zich baseert op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo. Daarnaast acht verweerder ook de absolute uitzonderingsgrond van artikel 5.2 van toepassing, omdat sprake zou zijn van persoonlijke beleidsopvattingen. De rechtbank begrijpt hieruit dat verweerder beide bepalingen cumulatief van toepassing acht, maar dat beide uitzonderingsgronden de gedeeltelijke weigering zelfstandig kunnen dragen. Hiermee is alsnog voldoende consistent en begrijpelijk toegelicht welke plaats deze uitzonderingsgronden in de besluitvorming hebben gekregen.



6.2.
De rechtbank stelt eveneens vast, dat verweerder in het aanvullend besluit helder uitlegt waarom het belang van een goed functioneren van de Staat in dit geval zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarmaking. De spreek- en redeneerlijnen en de Q&A’s voor antwoorden die mogelijk gegeven kunnen worden, raken aan de vrijheid van de bewindspersoon of ambtenaar om zelf antwoorden te formuleren en daarover tot afstemming te komen. Het kan daarbij voorkomen, dat spreekpunten bewust wel of juist niet naar voren zijn gebracht omdat dit onwenselijk wordt geacht. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat het goed functioneren van de Staat wordt ondergraven als dergelijke communicatie, in zaken waarin gevoelige politieke thema’s spelen en bewindspersonen met een zekere flexibiliteit moeten kunnen opereren, openbaar kan worden gemaakt. Dat doet ernstig afbreuk aan het belang van een weloverwogen en genuanceerd proces van standpuntbepaling. Verweerder laat dit belang terecht zwaarder wegen dan het belang bij openbaarmaking.



6.3.
Het gebrek in het bestreden besluit, geconstateerd onder r.o. 11.2 van tussenuitspraak, is met het bovenstaande voldoende hersteld. Verweerders beroep op artikel 5.2 van de Woo behoeft geen beoordeling, omdat de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i de afscherming van de betreffende informatie voldoende ondersteunt.


7. In het aanvullend besluit heeft verweerder eveneens een nieuwe motivering gegeven voor het onleesbaar maken van de namen van personen.




7.1.
Verweerder geeft aan dat de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid onder e ten onrechte is ingeroepen waar het de namen van buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders betreft. In het aanvullend besluit handhaaft verweerder zijn beslissing dat deze namen moeten worden afgeschermd, maar doet daartoe een beroep op artikel 5.1, tweede lid onder a van de Woo. Volgens verweerder kan openbaarmaking namelijk schade toebrengen aan de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties. Verweerder stelt dat dit belang moet overheersen. Naar het oordeel van de rechtbank is de zorg van verweerder terecht. Het gaat om namen die zijn genoemd in een vertrouwelijke en politiek gevoelige context. In enkele gevallen gaat dat gepaard met een beoordeling van opmerkingen van de betreffende persoon. In ieder geval houden de verwijzingen naar deze personen verband met overleg dat met hen is gevoerd in een kwestie die zeer gevoelig is. Openbaarmaking zou daarom ongunstig kunnen zijn voor de goede diplomatieke betrekkingen. Verweerder mocht dit belang meer gewicht geven dan het belang bij openbaarmaking. Het in r.o. 13 van de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is daarmee hersteld.



7.2.
Voor het overige noteert de rechtbank, dat verweerders aanvullende motivering over het onleesbaar maken van de namen van hoge ambtenaren, volledig aansluit op het eerdere oordeel van de rechtbank in de tussenuitspraak, dat de privacybelangen van deze ambtenaren mogen prevaleren. Zoals volgt uit de tussenuitspraak, was op dat punt geen sprake van een gebrek in het bestreden besluit.


8. De rechtbank is dan ook van oordeel, dat verweerder alle in de tussenuitspraak gesignaleerde gebreken heeft hersteld. Verweerder heeft alsnog blijk gegeven van een correcte toepassing van alle relevante uitzonderingsgronden en daarbij voldoende inzicht gegeven in de verrichte belangenafweging, waarvan de uitkomst goed te volgen is. Daarbij merkt de rechtbank ook op, dat eiser in reactie op het aanvullend besluit vooral algemene gezichtspunten naar voren heeft gebracht, die in wezen neerkomen op een herhaling van eerder ingenomen standpunten, dan wel het voeren van voornamelijk theoretische discussies. Dit draagt te weinig bij aan het partijdebat in het concrete geval en kan niet afdoen aan verweerders overwegingen.





Conclusie

9. Zoals volgt uit de tussenuitspraak, was het bestreden besluit gebrekkig. Dit betekent dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd. Omdat met het aanvullend besluit alsnog een deugdelijke motivering is gegeven en de gebreken daarmee zijn hersteld, kunnen de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het beroep is ongegrond voor zover het tegen het aanvullend besluit is gericht.

10. Verweerder moet de reiskosten van eiser in de beroepsprocedure vergoeden voor een bedrag van € 85,80. Verdere proceskosten in beroep zijn niet onderbouwd. Eiser heeft daarnaast gevraagd om vergoeding van zijn reiskosten in bezwaar, maar hiervoor ziet de rechtbank gelet op artikel 7:15, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht geen aanleiding, omdat verweerder het bestreden besluit niet heeft herroepen. Verweerder heeft met het besluit van 10 december 2025 enkel de motivering van het bestreden besluit aangevuld. Het griffierecht hoeft niet door verweerder te worden vergoed omdat eiser daarvan is vrijgesteld.


Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep tegen het besluit d.d. 29 januari 2025 gegrond, met dien verstande dat de rechtgevolgen van dat besluit in stand blijven;
- verklaart het beroep tegen het aanvullend besluit d.d. 10 december 2025 ongegrond;
- bepaalt dat verweerder de proceskosten van eiser vergoedt voor een bedrag van € 85,80.



Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht.


Artikel 6:19, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht.


De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).


Het document met nummer 1611393.


De documenten met nummers 1589541, 1587067, 1587109, 1589541, 1611499, 1589415, 1589423, 1611387, 1611393, 1611397, 1611417 en 1611428.