Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:18222

2026-07-01 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.26127
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-01
Publicatiedatum
2026-07-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.26127
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep tegen afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis, beroep ongegrond. Voor zover eisers betogen dat de overgelegde kopie van de traditionele huwelijksakte voldoende moet zijn om de familierechtelijke relatie tussen hen aan te tonen, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiseres en referent niet aannemelijk hebben gemaakt dat er op het peilmoment tussen hen sprake was van een feitelijke gezinsband. Verder volgt de rechtbank eisers niet in hun stelling dat het bestreden besluit onredelijk hard is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval deugdelijk gemotiveerd waarom hij niet ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM heeft getoetst. De rechtbank ziet in de overige beroepsgronden geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.231 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: NL25.26127


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres



[referent]
¸ geboren op [geboortedatum 1] 1997, eiser/referent (hierna: referent)
samen: eisers
(gemachtigde: mr. K. Yousef),



en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Flach).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).



1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Suleman als tolk en de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?




2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 2000 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Referent heeft namens eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis.



2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet aannemelijk is gemaakt. De overgelegde huwelijksaktes zijn hier onvoldoende voor, omdat de kopie van de traditionele huwelijksakte niet op echtheid kan worden onderzocht en het wettelijke huwelijk nog niet bestond toen referent Nederland binnen kwam. Verweerder heeft aan eiseres en referent het voordeel van de twijfel gegeven, maar zij hebben volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat er tussen hen op het peilmoment sprake was van een feitelijke gezinsband. Verder heeft verweerder niet doorgetoetst aan artikel 8 van het EVRM omdat eiseres een reguliere aanvraag kan doen.



Wat vinden eisers in beroep?



3. Eiseres en referent zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst beschouwen zij het namens hen ingediende bezwaarschrift als herhaald en ingelast. Ten tweede is het bestreden besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, artikel 8 van het EVRM en de Gezinsherenigingsrichtlijn. Ten derde heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat er tussen eiseres en referent op het peilmoment geen sprake was van een feitelijke huwelijksrelatie. Ten vierde heeft verweerder ten onrechte nagelaten om een belangenafweging te maken in het kader van artikel 8 van het EVRM. Ten slotte is het bestreden besluit onevenredig hard.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.



Feitelijke gezinsband


5. Aan de partner van iemand met een verblijfsvergunning asiel kan een afgeleide asielvergunning worden verleend indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de referent in Nederland behoorde tot diens gezin. De bewijslast om de feitelijke gezinsband aannemelijk te maken rust op eiseres en referent.



5.1.
Voor zover eisers betogen dat de overgelegde kopie van de traditionele huwelijksakte voldoende moet zijn om de familierechtelijke relatie tussen hen aan te tonen, volgt de rechtbank dit niet. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat het document niet op echtheid kan worden onderzocht, omdat eisers alleen een kopie hebben overgelegd. Verweerder heeft vervolgens het voordeel van de twijfel mogen geven aan eisers en de feitelijke gezinsband kunnen beoordelen. De stelling van eisers dat zij er niets aan kunnen doen dat de originele traditionele huwelijksakte niet kan worden overgelegd, maakt deze conclusie dus niet anders.



5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiseres en referent niet aannemelijk hebben gemaakt dat er op het peilmoment tussen hen sprake was van een feitelijke gezinsband. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiseres en referent zowel voor als na het gestelde traditionele huwelijk een paar keer samen zijn geweest, niet hebben samengewoond en geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Daarnaast heeft verweerder van belang kunnen vinden dat eiser heeft verklaard dat voorafgaand aan het peilmoment de relatie tussen hem en eiseres was verbroken en het traditionele huwelijk was ontbonden. De stelling van eiser tijdens de zitting dat hij dit door de stress heeft verklaard en dit niet bedoelde te verklaren, kan niet worden gevolgd. Eiser heeft namelijk ondubbelzinnig en op verschillende momenten verklaard dat de relatie was beëindigd. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de overgelegde bewijsstukken, omdat verweerder deze stukken voldoende heeft betrokken.



5.3.
Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat het bestreden besluit onredelijk hard is. Eiser voert aan dat onredelijk hard is dat er zo veel gevolgen worden gehangen aan het feit dat hij (maar) een keer heeft verklaard dat zijn relatie was verbroken. Volgens eiser is een nieuwe reguliere procedure, met leges, wachttijd en mogelijke inkomenseisen, een onevenredige drempel. De rechtbank overweegt dat eiser niet slechts een keer maar meerdere keren heeft verklaard dat zijn relatie was verbroken. Ook heeft eiser niet nader toegelicht waarom de negatieve gevolgen onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.



Artikel 8 van het EVRM

6. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat in een nareisaanvraag altijd een impliciet beroep op artikel 8 van het EVRM besloten ligt. Verweerder moet daarom in elke nareiszaak deugdelijk motiveren waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM of een mvv met het oog op die vergunning. Verweerder kan voor deze motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als hij daarin heeft toegelicht waarom hij in bepaalde gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik maakt.




6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval deugdelijk gemotiveerd waarom hij niet ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM heeft getoetst. In het bestreden besluit heeft verweerder gewezen op het Informatiebericht 2024/7 dat hij heeft opgesteld naar aanleiding van een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. In lijn met dit informatiebericht heeft verweerder geen ambtshalve toets aan artikel 8 van het EVRM uitgevoerd, omdat er een regulier kader bestaat voor de aanvraag van eisers.



Overige beroepsgronden

7. De rechtbank ziet in de overige beroepsgronden geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Uit de algemene stelling van eisers dat het bezwaarschrift als herhaald en ingelast wordt beschouwd, kan de rechtbank namelijk niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Hetzelfde geldt voor de algemene stelling van eisers dat het bestreden besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, artikel 8 van het EVRM en de Gezinsherenigingsrichtlijn.






Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

9. Eisers krijgen het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.


Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.


Artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2151, r.o. 5.1.


Zie pagina 8 van het verslag van het aanmeldgehoor op 9 november 2021, pagina 8 van het verslag van het gehoor nareis in de aanvraagfase op 2 mei 2024, pagina 5 van het verslag van het gehoor nareis in de bezwaarfase op 15 mei 2025.


ECLI:NL:RVS:2023:4804.


Ambtshalve doortoetsen aan 8 EVRM bij nareis.