Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:17987
2026-06-30
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.32202
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring, vervolgberoep, 59 lid 1 sub a, ongegrond.
Citeert (7)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13489 Rechtbank Den Haag 22-05-2026
- ECLI:NL:RVS:2016:1552 Raad van State 06-06-2016
- ECLI:NL:RVS:2022:1813 Raad van State 27-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2021:1156 Raad van State 02-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10675 Rechtbank Den Haag 04-05-2026
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.466 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32202
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
De minister heeft op 11 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 22 mei 2026.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 22 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. Daarop heeft eiser aangegeven dat hij zijn beroep handhaaft.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser heeft zich afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 mei 2026 (in de zaak NL26.26588) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 19 mei 2026.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
3. Eiser betoogt dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank merkt op dat deze grond eerder is aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 22 mei 2026. De rechtbank verwijst in dit verband naar de rechtsoverwegingen 2.2 en 2.3 van die uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier nu anders over te oordelen.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Ook deze grond heeft eiser al eerder aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 22 mei 2026. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverweging 3.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier nu anders over te oordelen.
Bestaat er zicht op uitzetting?
5. Eiser betoogt dat er geen zicht op uitzetting bestaat.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De maatregel van bewaring die in onderhavige procedure voorligt, is gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat zicht op uitzetting bij een dergelijke maatregel geen voorwaarde is.
Heeft de minister voldoende voortvarend gewerkt aan de asielaanvraag van eiser?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn asielaanvraag. Uit de voortgangsrapportage volgt dat eiser al sinds 11 mei 2026 in de asielprocedure zit. Na twee maanden is het nog steeds onduidelijk wat er is gebeurd met de asielaanvraag.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000 duurt de bewaring niet langer dan vier weken, of zes weken indien de minister voorafgaand aan de asielbeschikking een voornemen uitbrengt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000 moet worden gezien als de maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat de vreemdeling voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. Eiser heeft op 11 mei 2026 asiel aangevraagd. Op 9 juni 2026 heeft de minister een voornemen uitgebracht en met het besluit van 20 juni 2026 heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Dit is binnen zes weken nadat eiser zijn asielaanvraag heeft ingediend. Dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn asielaanvraag, volgt de rechtbank daarom niet.
Is het voortduren van de maatregel nog gerechtvaardigd?
7. Eiser voert tot slot aan dat uit de voortgangsrapportage volgt dat de maatregel is opgelegd in 2024. Hieruit volgt dat hij al aaneengesloten ruim 18 maanden is gedetineerd.
7.1.
De rechtbank oordeelt dat in zoverre eiser heeft willen betogen dat een kenbare belangenafweging gemaakt had moeten worden, deze beroepsgrond niet slaagt. De minister heeft op de zitting toegelicht dat de huidige bewaringsmaatregel is opgelegd op 11 mei 2026. Daarvoor heeft eiser drie perioden in bewaring gezeten, namelijk van 19 tot en met 23 september 2025 op grond van artikel 59b van de Vw 2000, van 23 september tot en met 30 oktober op grond van artikel 59 van de Vw 2000 en van 30 oktober tot en met 16 november op grond van artikel 59b van de Vw 2000. Er is dus geen sprake van een aaneengesloten bewaringsperiode die langer duurde dan zes maanden. De minister had daarom ook geen kenbare belangenafweging hoeven te maken.
7.2.
In zoverre eiser heeft willen betogen dat de minister gelet op het arrest Aroja van het Hof van Justitie een verlengingsbesluit had moeten nemen, oordeelt de rechtbank dat dat betoog evenmin slaagt. De maatregel die voorligt, is opgelegd op grond van artikel 59b van de Vw 2000. In dat geval vindt het arrest Aroja geen toepassing. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 mei 2026.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2026:13489.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552 en 27 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1813.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1156.
ECLI:NL:RBDHA:2026:10675, r.o. 7-11.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar).
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32202
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
De minister heeft op 11 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 22 mei 2026.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 22 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. Daarop heeft eiser aangegeven dat hij zijn beroep handhaaft.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser heeft zich afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 mei 2026 (in de zaak NL26.26588) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 19 mei 2026.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
3. Eiser betoogt dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank merkt op dat deze grond eerder is aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 22 mei 2026. De rechtbank verwijst in dit verband naar de rechtsoverwegingen 2.2 en 2.3 van die uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier nu anders over te oordelen.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Ook deze grond heeft eiser al eerder aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 22 mei 2026. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverweging 3.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier nu anders over te oordelen.
Bestaat er zicht op uitzetting?
5. Eiser betoogt dat er geen zicht op uitzetting bestaat.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De maatregel van bewaring die in onderhavige procedure voorligt, is gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat zicht op uitzetting bij een dergelijke maatregel geen voorwaarde is.
Heeft de minister voldoende voortvarend gewerkt aan de asielaanvraag van eiser?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn asielaanvraag. Uit de voortgangsrapportage volgt dat eiser al sinds 11 mei 2026 in de asielprocedure zit. Na twee maanden is het nog steeds onduidelijk wat er is gebeurd met de asielaanvraag.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000 duurt de bewaring niet langer dan vier weken, of zes weken indien de minister voorafgaand aan de asielbeschikking een voornemen uitbrengt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000 moet worden gezien als de maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat de vreemdeling voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. Eiser heeft op 11 mei 2026 asiel aangevraagd. Op 9 juni 2026 heeft de minister een voornemen uitgebracht en met het besluit van 20 juni 2026 heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Dit is binnen zes weken nadat eiser zijn asielaanvraag heeft ingediend. Dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn asielaanvraag, volgt de rechtbank daarom niet.
Is het voortduren van de maatregel nog gerechtvaardigd?
7. Eiser voert tot slot aan dat uit de voortgangsrapportage volgt dat de maatregel is opgelegd in 2024. Hieruit volgt dat hij al aaneengesloten ruim 18 maanden is gedetineerd.
7.1.
De rechtbank oordeelt dat in zoverre eiser heeft willen betogen dat een kenbare belangenafweging gemaakt had moeten worden, deze beroepsgrond niet slaagt. De minister heeft op de zitting toegelicht dat de huidige bewaringsmaatregel is opgelegd op 11 mei 2026. Daarvoor heeft eiser drie perioden in bewaring gezeten, namelijk van 19 tot en met 23 september 2025 op grond van artikel 59b van de Vw 2000, van 23 september tot en met 30 oktober op grond van artikel 59 van de Vw 2000 en van 30 oktober tot en met 16 november op grond van artikel 59b van de Vw 2000. Er is dus geen sprake van een aaneengesloten bewaringsperiode die langer duurde dan zes maanden. De minister had daarom ook geen kenbare belangenafweging hoeven te maken.
7.2.
In zoverre eiser heeft willen betogen dat de minister gelet op het arrest Aroja van het Hof van Justitie een verlengingsbesluit had moeten nemen, oordeelt de rechtbank dat dat betoog evenmin slaagt. De maatregel die voorligt, is opgelegd op grond van artikel 59b van de Vw 2000. In dat geval vindt het arrest Aroja geen toepassing. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 mei 2026.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2026:13489.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552 en 27 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1813.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1156.
ECLI:NL:RBDHA:2026:10675, r.o. 7-11.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar).