Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:17848
2026-07-02
Civiel recht; Verbintenissenrecht
K/4502/12227018
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Ontruiming sociale huurwoning. Woning door de burgemeester gesloten vanwege drugsoverlast (artikel 13b van de Opiumwet). Verhuurder heeft de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden (artikel 7:231 lid 2 BW). Ontbinding houdt in kort geding stand. Vordering tot ontruiming toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.322 tekens)
RECHTBANK
DEN HAAG
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
MvE (B/C)
Zaaknummer: 12227018 \ RL EXPL 26-9869
Vonnis in kort geding van 2 juli 2026
in de zaak van
STICHTING STAEDION te Den Haag,
eisende partij,
hierna te noemen: Staedion,
gemachtigde: mr. S.F. Dik,
tegen
[gedaagde partij]
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. R. van Veen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 mei 2026 met producties;- de mondelinge behandeling van 18 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Op de mondelinge behandeling was namens Staedion aanwezig mevrouw [naam] , bijgestaan door mr. Dik. [gedaagde partij] is op de zitting niet verschenen. Mr. Van Veen was wel aanwezig.
2De feiten
2.1.
[gedaagde partij] huurt van Staedion een sociale huurwoning aan het adres [adres] . Haar maandelijkse betalingsverplichting is momenteel € 638,83 voor huur en bijkomende leveringen en diensten.
2.2.
Sinds 2023 ervaren omwonenden veel overlast vanuit de woning. Het gaat onder meer om geluidsoverlast, huiselijk geweld, druggebruik en drugshandel. Verder heeft [gedaagde partij] herhaaldelijk niet aan haar betalingsverplichtingen voldaan.
2.3.
In 2024 is Staedion bij deze rechtbank een procedure gestart met een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van de op dat moment bestaande huurachterstand. Partijen hebben toen een minnelijke regeling getroffen, inhoudende dat [gedaagde partij] de overlast beëindigt en de huurachterstand in termijnen aflost.
2.4.
[gedaagde partij] is deze regeling niet nagekomen. De overlast is blijven bestaan en er zijn weer nieuwe betalingsachterstanden ontstaan.
2.5.
Staedion is diverse keren met [gedaagde partij] in gesprek gegaan. Zij heeft haar herhaaldelijk gewaarschuwd dat de overlast moet stoppen. Op 26 februari 2026 heeft Staedion aan [gedaagde partij] een zogenoemde gedragsaanwijzing gegeven, inhoudende dat de geluids- en drugsoverlast moet stoppen. Verder staat daarin dat [gedaagde partij] een laatste kans krijgt om haar woning te behouden en dat als [gedaagde partij] de gedragsaanwijzing niet naleeft, Staedion een procedure start om de huurovereenkomst te ontbinden. [gedaagde partij] heeft dit document ondertekend.
2.6.
Op 3 april 2026 heeft de burgemeester van Den Haag op grond van artikel 13b van de Opiumwet het besluit genomen dat de woning voor een periode van drie maanden wordt gesloten. Daaraan ligt ten grondslag dat de politie, na diverse meldingen van drugsgebruik en drugshandel, op 17 maart 2026 in de woning een handelshoeveelheid (hard)drugs heeft aangetroffen.
2.7.
Op 9 april 2026 heeft Staedion de huurovereenkomst op grond van artikel 7:231 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontbonden.
2.8.
[gedaagde partij] heeft de voorzieningenrechter van Team Bestuursrecht van deze rechtbank verzocht om tegen het besluit van de burgemeester een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek is op 15 mei 2026 afgewezen.
2.9.
De woning is vervolgens overeenkomstig het besluit van de burgemeester op 1 juni 2026 gesloten. De sluiting duurt in beginsel tot 1 september 2026.
2.10.
Tot en met de maand mei 2026 heeft [gedaagde partij] bij Staedion een betalingsachterstand van € 4.347,26.
3Het geschil
3.1.
Staedion vordert, samengevat weergegeven, dat de kantonrechter [gedaagde partij] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt:
om de woning binnen drie dagen te ontruimen;
tot betaling van € 4.347,26, vermeerderd met de wettelijke rente;
tot betaling van € 638,83 per maand vanaf 1 juni 2026 tot de datum van de ontruiming, vermeerderd met wettelijke rente,
een en ander met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.
3.2.
Staedion legt aan de vordering primair ten grondslag dat de huurovereenkomst door de ontbinding van 9 april 2026 ten einde is gekomen. Subsidiair, als deze ontbinding geen stand houdt, voert zij aan dat de overlast en de betalingsachterstand rechtvaardigen dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure wordt ontbonden. In beide gevallen heeft Staedion in dit kort geding belang bij een ontruimingstitel. Verder is de betalingsachterstand onbetwist. Ook die vordering toewijsbaar is, aldus Staedion.
3.3.
[gedaagde partij] voert geen verweer.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat hier om een kort geding. Bij voldoende spoedeisend belang kan in kort geding een beslissing worden gegeven die vooruitloopt op een eventuele bodemprocedure. Die beslissing moet dan wel zoveel mogelijk aansluiten bij wat er van een bodemprocedure is te verwachten.
Ontruiming
4.2.
De vordering tot ontruiming is toewijsbaar. Door het besluit van de burgemeester om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten, kreeg Staedion een grondslag om de huurovereenkomst op de voet van artikel 7:231 lid 2 BW te ontbinden. Weliswaar moet ontruiming in kort geding terughoudend worden toegepast, maar de vordering is niet weersproken en het is voldoende aannemelijk dat de ontbinding in een eventuele bodemprocedure standhoudt. En dat betekent dat in dit kort geding kan worden aangenomen dat [gedaagde partij] geen recht heeft om het gebruik van de woning voort te zetten.
4.3.
Het spoedeisend belang bij de ontruiming is ook aanwezig. Voorkomen moet worden dat de overlast voortduurt en de betalingsachterstand verder oploopt. Daarnaast moet deze sociale huurwoning weer spoedig aan andere woningzoekenden ter beschikking kunnen worden gesteld.
4.4.
Zoals Staedion op de mondelinge behandeling heeft voorgesteld, zal de kantonrechter de ontruimingstermijn vaststellen op veertien dagen na betekening van het vonnis.
Betaling
4.5.
De vorderingen in verband met de betalingsachterstand en de te betalen vergoeding tot de datum van ontruiming, zijn eveneens toewijsbaar. Ook een geldvordering moet in kort geding terughoudendheid worden beoordeeld, maar in dit geval zijn de vorderingen niet betwist en is van een restitutierisico aan de kant van Staedion geen sprake.
Proceskosten
4.6.
[gedaagde partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Staedion worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.013,77
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan het adres [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Staedion zijn, en de sleutels af te geven aan Staedion,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om te betalen aan Staedion:
€ 4.347,26 aan achterstallige huur tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
€ 638,83 per maand vanaf 1 juni 2026 tot de dag waarop de woning ter beschikking komt van Staedion, met dien verstande dat over een gedeelte van een maand een daarmee evenredig bedrag verschuldigd is,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.013,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
DEN HAAG
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
MvE (B/C)
Zaaknummer: 12227018 \ RL EXPL 26-9869
Vonnis in kort geding van 2 juli 2026
in de zaak van
STICHTING STAEDION te Den Haag,
eisende partij,
hierna te noemen: Staedion,
gemachtigde: mr. S.F. Dik,
tegen
[gedaagde partij]
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. R. van Veen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 mei 2026 met producties;- de mondelinge behandeling van 18 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Op de mondelinge behandeling was namens Staedion aanwezig mevrouw [naam] , bijgestaan door mr. Dik. [gedaagde partij] is op de zitting niet verschenen. Mr. Van Veen was wel aanwezig.
2De feiten
2.1.
[gedaagde partij] huurt van Staedion een sociale huurwoning aan het adres [adres] . Haar maandelijkse betalingsverplichting is momenteel € 638,83 voor huur en bijkomende leveringen en diensten.
2.2.
Sinds 2023 ervaren omwonenden veel overlast vanuit de woning. Het gaat onder meer om geluidsoverlast, huiselijk geweld, druggebruik en drugshandel. Verder heeft [gedaagde partij] herhaaldelijk niet aan haar betalingsverplichtingen voldaan.
2.3.
In 2024 is Staedion bij deze rechtbank een procedure gestart met een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van de op dat moment bestaande huurachterstand. Partijen hebben toen een minnelijke regeling getroffen, inhoudende dat [gedaagde partij] de overlast beëindigt en de huurachterstand in termijnen aflost.
2.4.
[gedaagde partij] is deze regeling niet nagekomen. De overlast is blijven bestaan en er zijn weer nieuwe betalingsachterstanden ontstaan.
2.5.
Staedion is diverse keren met [gedaagde partij] in gesprek gegaan. Zij heeft haar herhaaldelijk gewaarschuwd dat de overlast moet stoppen. Op 26 februari 2026 heeft Staedion aan [gedaagde partij] een zogenoemde gedragsaanwijzing gegeven, inhoudende dat de geluids- en drugsoverlast moet stoppen. Verder staat daarin dat [gedaagde partij] een laatste kans krijgt om haar woning te behouden en dat als [gedaagde partij] de gedragsaanwijzing niet naleeft, Staedion een procedure start om de huurovereenkomst te ontbinden. [gedaagde partij] heeft dit document ondertekend.
2.6.
Op 3 april 2026 heeft de burgemeester van Den Haag op grond van artikel 13b van de Opiumwet het besluit genomen dat de woning voor een periode van drie maanden wordt gesloten. Daaraan ligt ten grondslag dat de politie, na diverse meldingen van drugsgebruik en drugshandel, op 17 maart 2026 in de woning een handelshoeveelheid (hard)drugs heeft aangetroffen.
2.7.
Op 9 april 2026 heeft Staedion de huurovereenkomst op grond van artikel 7:231 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontbonden.
2.8.
[gedaagde partij] heeft de voorzieningenrechter van Team Bestuursrecht van deze rechtbank verzocht om tegen het besluit van de burgemeester een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek is op 15 mei 2026 afgewezen.
2.9.
De woning is vervolgens overeenkomstig het besluit van de burgemeester op 1 juni 2026 gesloten. De sluiting duurt in beginsel tot 1 september 2026.
2.10.
Tot en met de maand mei 2026 heeft [gedaagde partij] bij Staedion een betalingsachterstand van € 4.347,26.
3Het geschil
3.1.
Staedion vordert, samengevat weergegeven, dat de kantonrechter [gedaagde partij] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt:
om de woning binnen drie dagen te ontruimen;
tot betaling van € 4.347,26, vermeerderd met de wettelijke rente;
tot betaling van € 638,83 per maand vanaf 1 juni 2026 tot de datum van de ontruiming, vermeerderd met wettelijke rente,
een en ander met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.
3.2.
Staedion legt aan de vordering primair ten grondslag dat de huurovereenkomst door de ontbinding van 9 april 2026 ten einde is gekomen. Subsidiair, als deze ontbinding geen stand houdt, voert zij aan dat de overlast en de betalingsachterstand rechtvaardigen dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure wordt ontbonden. In beide gevallen heeft Staedion in dit kort geding belang bij een ontruimingstitel. Verder is de betalingsachterstand onbetwist. Ook die vordering toewijsbaar is, aldus Staedion.
3.3.
[gedaagde partij] voert geen verweer.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat hier om een kort geding. Bij voldoende spoedeisend belang kan in kort geding een beslissing worden gegeven die vooruitloopt op een eventuele bodemprocedure. Die beslissing moet dan wel zoveel mogelijk aansluiten bij wat er van een bodemprocedure is te verwachten.
Ontruiming
4.2.
De vordering tot ontruiming is toewijsbaar. Door het besluit van de burgemeester om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten, kreeg Staedion een grondslag om de huurovereenkomst op de voet van artikel 7:231 lid 2 BW te ontbinden. Weliswaar moet ontruiming in kort geding terughoudend worden toegepast, maar de vordering is niet weersproken en het is voldoende aannemelijk dat de ontbinding in een eventuele bodemprocedure standhoudt. En dat betekent dat in dit kort geding kan worden aangenomen dat [gedaagde partij] geen recht heeft om het gebruik van de woning voort te zetten.
4.3.
Het spoedeisend belang bij de ontruiming is ook aanwezig. Voorkomen moet worden dat de overlast voortduurt en de betalingsachterstand verder oploopt. Daarnaast moet deze sociale huurwoning weer spoedig aan andere woningzoekenden ter beschikking kunnen worden gesteld.
4.4.
Zoals Staedion op de mondelinge behandeling heeft voorgesteld, zal de kantonrechter de ontruimingstermijn vaststellen op veertien dagen na betekening van het vonnis.
Betaling
4.5.
De vorderingen in verband met de betalingsachterstand en de te betalen vergoeding tot de datum van ontruiming, zijn eveneens toewijsbaar. Ook een geldvordering moet in kort geding terughoudendheid worden beoordeeld, maar in dit geval zijn de vorderingen niet betwist en is van een restitutierisico aan de kant van Staedion geen sprake.
Proceskosten
4.6.
[gedaagde partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Staedion worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.013,77
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan het adres [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Staedion zijn, en de sleutels af te geven aan Staedion,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om te betalen aan Staedion:
€ 4.347,26 aan achterstallige huur tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
€ 638,83 per maand vanaf 1 juni 2026 tot de dag waarop de woning ter beschikking komt van Staedion, met dien verstande dat over een gedeelte van een maand een daarmee evenredig bedrag verschuldigd is,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.013,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.