Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:17820
2026-07-01
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.34359
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
terugkeerbesluit, refoulementbeoordeling, eiser heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht, geen aanleiding voor de minister om in het terugkeerbesluit nader te motiveren dat hij zich ervan heeft vergewist dat eiser bij terugkeer naar India geen reëel risico loopt op schending 3 EVRM en 4 Handvest, beroep ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:EU:C:2024:892
- ECLI:NL:RVS:2025:4178 Raad van State 02-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2026:3430 Raad van State 17-06-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.420 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34359
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Indiase nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
(gemachtigde: Ȍ. Sari).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat op 19 juni 2026 aan eiser is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van het terugkeerbesluit is niet onrechtmatig. Eiser krijgt geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft op 19 juni 2026 een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd. Daartegen heeft eiser beroep ingediend.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De gemachtigde van eiser is verschenen op het detentiecentrum Schiphol in Amsterdam. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de minister bevoegd was een terugkeerbesluit te nemen, nu eiser zich onrechtmatig op Nederlands grondgebied bevond. De kern van het geschil is of de minister een goede beoordeling van het refoulement-risico heeft gemaakt en de uitkomst daarvan goed heeft gemotiveerd in het bestreden besluit. Eiser wijst erop dat gebruik is gemaakt van standaardformulieren, waaruit niet blijkt dat er een refoulementbeoordeling is verricht. In het terugkeerbesluit wordt verwezen naar een schriftelijke verklaring van eiser, maar deze maakt geen onderdeel uit van het dossier. In het dossier zit alleen een in de Nederlandse taal opgesteld formulier met een aantal vragen, dat door een ambtenaar is ingevuld en ondertekend. Er is sprake van feitelijke onjuistheden en een onvolledig dossier, waardoor een toets aan het refoulementbeginsel niet mogelijk is.
3.1.
De rechtbank oordeelt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat van 17 oktober 2024 heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij zich er van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 19 juni 2026 voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit is gehoord door een ambtenaar belast met grensbewaking. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat dergelijke gehoren plaatvinden aan de hand van het formulier “Gehoor terugkeerbesluit”. In dit formulier is uitleg gegeven over het terugkeerbesluit en is toegelicht dat eiser individuele omstandigheden naar voren kan brengen die ertoe kunnen leiden dat er geen terugkeerbesluit wordt opgelegd. Er zijn vervolgens zeven vragen opgenomen, die met ja of nee moeten worden beantwoord en waarbij moet worden doorgehaald wat niet van toepassing is. Het voorgedrukte formulier is met de hand ingevuld en door de ambtenaar ondertekend. Toegelicht is dat het gehoor met eiser in het Engels heeft plaatsgevonden. Eiser heeft een Engelstalig formulier ontvangen, de Nederlandstalige versie is aan het dossier toegevoegd.
3.3.
De rechtbank overweegt dat uit het ingevulde formulier blijkt dat eiser uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld om bijzondere omstandigheden aan te voeren die maken dat afgezien moet worden van het opleggen van een terugkeerbesluit. Dergelijke omstandigheden zijn door eiser niet aangevoerd. Uit het formulier volgt ook dat eiser heeft aangegeven niet nader gehoord te willen worden. In het terugkeerbesluit heeft de minister overwogen dat niet is gebleken dat afgezien zou moeten worden van het opleggen van het terugkeerbesluit.
3.4.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er voor de minister geen aanleiding was om in het terugkeerbesluit, naast de daarin opgenomen overweging dat niet is gebleken dat er afgezien zou moeten worden daarvan, nader te motiveren dat hij zich ervan heeft vergewist dat eiser bij terugkeer naar India geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest. De gemachtigde van de minister heeft er tijdens de zitting nog op gewezen dat uit het dossier blijkt dat eiser op 19 juni 2026 ook is gehoord over het voornemen een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en tijdens dat gehoor heeft verklaard graag terug naar huis, naar India, te willen. Er was naar het oordeel van de rechtbank geen enkele aanwijzing dat sprake zou zijn van non-refoulement bij terugkeer van eiser naar India. Hoewel niet uitdrukkelijk in het terugkeerbesluit is gemotiveerd dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser in India een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, kan op grond van de bewoordingen van de motivering worden aangenomen dat deze beoordeling hierin besloten ligt en op deze wijze voldoende kenbaar is.
3.5.
De beroepsgrond dat de schriftelijke verklaring van eiser zich niet in het dossier bevindt en dat daarom niet kan worden gecontroleerd of eiser daadwerkelijk heeft verklaard zoals weergegeven door de verbalisant, maakt dat oordeel niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank is het voldoende duidelijk dat wordt gedoeld op het door eiser ingevulde formulier, waar in het terugkeerbesluit wordt gesproken over een schriftelijke verklaring van eiser. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat eiser het formulier samen met de ambtenaar heeft ingevuld. Het formulier is een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt document. De rechtbank heeft geen reden om niet van de juistheid van dat ondertekende document uit te gaan.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie.
ECLI:EU:C:2024:892.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2025:4178, r.o. 13.3.
Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3430).
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34359
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Indiase nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
(gemachtigde: Ȍ. Sari).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat op 19 juni 2026 aan eiser is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van het terugkeerbesluit is niet onrechtmatig. Eiser krijgt geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft op 19 juni 2026 een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd. Daartegen heeft eiser beroep ingediend.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De gemachtigde van eiser is verschenen op het detentiecentrum Schiphol in Amsterdam. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de minister bevoegd was een terugkeerbesluit te nemen, nu eiser zich onrechtmatig op Nederlands grondgebied bevond. De kern van het geschil is of de minister een goede beoordeling van het refoulement-risico heeft gemaakt en de uitkomst daarvan goed heeft gemotiveerd in het bestreden besluit. Eiser wijst erop dat gebruik is gemaakt van standaardformulieren, waaruit niet blijkt dat er een refoulementbeoordeling is verricht. In het terugkeerbesluit wordt verwezen naar een schriftelijke verklaring van eiser, maar deze maakt geen onderdeel uit van het dossier. In het dossier zit alleen een in de Nederlandse taal opgesteld formulier met een aantal vragen, dat door een ambtenaar is ingevuld en ondertekend. Er is sprake van feitelijke onjuistheden en een onvolledig dossier, waardoor een toets aan het refoulementbeginsel niet mogelijk is.
3.1.
De rechtbank oordeelt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat van 17 oktober 2024 heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij zich er van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 19 juni 2026 voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit is gehoord door een ambtenaar belast met grensbewaking. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat dergelijke gehoren plaatvinden aan de hand van het formulier “Gehoor terugkeerbesluit”. In dit formulier is uitleg gegeven over het terugkeerbesluit en is toegelicht dat eiser individuele omstandigheden naar voren kan brengen die ertoe kunnen leiden dat er geen terugkeerbesluit wordt opgelegd. Er zijn vervolgens zeven vragen opgenomen, die met ja of nee moeten worden beantwoord en waarbij moet worden doorgehaald wat niet van toepassing is. Het voorgedrukte formulier is met de hand ingevuld en door de ambtenaar ondertekend. Toegelicht is dat het gehoor met eiser in het Engels heeft plaatsgevonden. Eiser heeft een Engelstalig formulier ontvangen, de Nederlandstalige versie is aan het dossier toegevoegd.
3.3.
De rechtbank overweegt dat uit het ingevulde formulier blijkt dat eiser uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld om bijzondere omstandigheden aan te voeren die maken dat afgezien moet worden van het opleggen van een terugkeerbesluit. Dergelijke omstandigheden zijn door eiser niet aangevoerd. Uit het formulier volgt ook dat eiser heeft aangegeven niet nader gehoord te willen worden. In het terugkeerbesluit heeft de minister overwogen dat niet is gebleken dat afgezien zou moeten worden van het opleggen van het terugkeerbesluit.
3.4.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er voor de minister geen aanleiding was om in het terugkeerbesluit, naast de daarin opgenomen overweging dat niet is gebleken dat er afgezien zou moeten worden daarvan, nader te motiveren dat hij zich ervan heeft vergewist dat eiser bij terugkeer naar India geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest. De gemachtigde van de minister heeft er tijdens de zitting nog op gewezen dat uit het dossier blijkt dat eiser op 19 juni 2026 ook is gehoord over het voornemen een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en tijdens dat gehoor heeft verklaard graag terug naar huis, naar India, te willen. Er was naar het oordeel van de rechtbank geen enkele aanwijzing dat sprake zou zijn van non-refoulement bij terugkeer van eiser naar India. Hoewel niet uitdrukkelijk in het terugkeerbesluit is gemotiveerd dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser in India een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, kan op grond van de bewoordingen van de motivering worden aangenomen dat deze beoordeling hierin besloten ligt en op deze wijze voldoende kenbaar is.
3.5.
De beroepsgrond dat de schriftelijke verklaring van eiser zich niet in het dossier bevindt en dat daarom niet kan worden gecontroleerd of eiser daadwerkelijk heeft verklaard zoals weergegeven door de verbalisant, maakt dat oordeel niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank is het voldoende duidelijk dat wordt gedoeld op het door eiser ingevulde formulier, waar in het terugkeerbesluit wordt gesproken over een schriftelijke verklaring van eiser. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat eiser het formulier samen met de ambtenaar heeft ingevuld. Het formulier is een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt document. De rechtbank heeft geen reden om niet van de juistheid van dat ondertekende document uit te gaan.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie.
ECLI:EU:C:2024:892.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2025:4178, r.o. 13.3.
Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3430).