Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:17740
2026-02-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.56015
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin Bulgarije, AIDA (update 2024), zorgvuldigheid, mensenhandel, interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Citeert (7)
- ECLI:NL:RVS:2025:1080 Raad van State 14-03-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:870 Raad van State 29-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1195 Raad van State 22-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2152 Raad van State 23-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2274 Raad van State 03-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2647 Raad van State 27-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:2387 Raad van State 26-05-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.115 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56015
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. E. Berger),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres stelt de Vietnamese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiseres meent dat haar ten onrechte de mogelijkheid tot het doen van aangifte van mensenhandel ontnomen is. Verweerder heeft haar verzoeken hiertoe meermaals afgewezen. Verweerder had op grond van artikel 24 van de Procedurerichtlijn eventuele kwetsbaarheden moeten onderzoeken en de noodzaak tot procedurele waarborgen moeten vaststellen, zeker nu kwetsbare personen in Bulgarije een reëel risico lopen op een onmenselijke behandeling. Eiseres beroept zich hierbij op het AIDA-rapport (update 2024) en stelt te vrezen dat zij als slachtoffer van mensenhandel niet de juiste hulp en accommodatie zal krijgen. Eiseres stelt dat er ten opzichte van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Heeft eiseres nog steeds procesbelang?
5. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres procesbelang heeft bij het beroep. Aanleiding hiervoor is de brief van verweerder van
4 december 2025, waarin wordt verwezen naar een als bijlage gevoegd overzicht van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Uit dit document blijkt dat eiseres op 27 november 2025 is uitgezet binnen Schengen/de Europese Unie.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres in dit geval wel een rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Dit belang volgt uit artikel 29, derde lid, van de Dublinverordening. Op grond van dit artikel dient verweerder eiseres terug te nemen uit Bulgarije, indien het overdrachtsbesluit wordt vernietigd, of eiseres ten onrechte is overgedragen.
Mensenhandel en zorgvuldigheid
6. Met betrekking tot de stelling dat eiseres door verweerder niet in de gelegenheid is gesteld om aangifte te kunnen doen van mensenhandel, oordeelt de rechtbank als volgt. Eiseres stelt dat verweerder haar verzoeken om een intake te krijgen en aangifte te doen telkens heeft afgewezen. Op verweerder rust een zorgplicht om adequaat te reageren op signalen dat iemand mogelijk slachtoffer is geworden van mensenhandel. Dit volgt uit Werkinstructie 2024/1. De rechtbank benadrukt allereerst dat een wens tot het doen van aangifte van mensenhandel een overdracht aan Bulgarije niet tegenhoudt, nu de omstandigheid dat eiseres mogelijk slachtoffer is geworden van mensenhandel geen betrekking heeft op de verantwoordelijkheid van Bulgarije. Voor zover eiseres stelt dat verweerder niet adequaat genoeg heeft gereageerd op de signalen dat eiseres mogelijk slachtoffer is van mensenhandel door haar verzoeken tot het doen van aangifte te weigeren, overweegt de rechtbank dat verweerder naar aanleiding van deze signalen het Sluisteam Mensenhandel van de Koninklijke Marechaussee naar het dossier heeft laten kijken. Verweerder geeft in het besluit aan dat het team heeft aangegeven dat er geen intakegesprek met eiseres zal plaatsvinden en dat er niet zal worden overgegaan op nader onderzoek. Op basis van de informatie die eiseres heeft gegeven waren er namelijk te weinig aanknopingspunten om in Nederland verder onderzoek te doen of om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Volgens verweerder is daarom een aangifte weinig zinvol. Gelet op de door verweerder in het besluit genoemde vaagheden en ongerijmde wendingen omtrent hetgeen haar is overkomen acht de rechtbank dit oordeel begrijpelijk. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder met betrekking tot de totstandkoming van het besluit onzorgvuldig gehandeld heeft.
Verantwoordelijkheid Bulgarije
7. Ten aanzien van de stellingen van eiseres dat zij niet zelf een visum heeft aangevraagd of gebruikt, oordeelt de rechtbank als volgt. Naar aanleiding van een zoekslag in het EU-VIS heeft verweerder vastgesteld dat eiseres door Bulgarije in het bezit is gesteld van een visum. Bulgarije wordt daarom verantwoordelijk geacht voor de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de stellingen van eiseres onvoldoende zijn om niet langer aan te nemen dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres, nu feitelijk is vastgesteld dat het visum in het originele paspoort van eiseres is opgenomen en dat hierbij haar vingerafdrukken zijn afgenomen. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat, gelet op de vage en ongerijmde verklaringen uit de zienswijze en het aanmeldgehoor over de door eiseres gestelde mensenhandelaren, niet zomaar kan worden aangenomen dat het visum niet door eiseres zelf is aangevraagd of dat zij deze onder dwang heeft aangevraagd.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiseres aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. Onder verwijzing naar de recente rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft in deze uitspraken de AIDA-rapporten (update 2022 en update 2023) betrokken. Ten opzichte van de verwijzing van eiseres naar het AIDA-rapport (update 2024) overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht gesteld dat uit het AIDA-rapport (update 2024) geen wezenlijk ander beeld van de opvangsituatie in Bulgarije voor Dublinterugkeerders volgt dan uit de informatie uit eerdere AIDA-rapporten (update 2022 en update 2023). De Afdeling heeft dit in haar uitspraak van 26 mei 2025 nog bevestigd. De stellingen dat eiseres een kwetsbaar persoon is en dat kwetsbare personen volgens het AIDA-rapport (update 2024) in Bulgarije een reëel risico lopen op een onmenselijke behandeling treffen dan ook geen doel, mede omdat eiseres niet (met stukken) haar kwetsbaarheid heeft aangetoond. Verder heeft eiseres geen nadere gronden of andere, nieuwe informatie ingebracht om haar standpunt nog aanvullend te onderbouwen.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
10. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van
V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Visum Informatiesysteem van de Europese Unie.
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Zie onder meer de uitspraken van 14 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1080), 29 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:870), 22 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1195), 23 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2152), 3 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2274) en 27 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2647).
ECLI:NL:RVS:2025:2387.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56015
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. E. Berger),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres stelt de Vietnamese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiseres meent dat haar ten onrechte de mogelijkheid tot het doen van aangifte van mensenhandel ontnomen is. Verweerder heeft haar verzoeken hiertoe meermaals afgewezen. Verweerder had op grond van artikel 24 van de Procedurerichtlijn eventuele kwetsbaarheden moeten onderzoeken en de noodzaak tot procedurele waarborgen moeten vaststellen, zeker nu kwetsbare personen in Bulgarije een reëel risico lopen op een onmenselijke behandeling. Eiseres beroept zich hierbij op het AIDA-rapport (update 2024) en stelt te vrezen dat zij als slachtoffer van mensenhandel niet de juiste hulp en accommodatie zal krijgen. Eiseres stelt dat er ten opzichte van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Heeft eiseres nog steeds procesbelang?
5. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres procesbelang heeft bij het beroep. Aanleiding hiervoor is de brief van verweerder van
4 december 2025, waarin wordt verwezen naar een als bijlage gevoegd overzicht van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Uit dit document blijkt dat eiseres op 27 november 2025 is uitgezet binnen Schengen/de Europese Unie.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres in dit geval wel een rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Dit belang volgt uit artikel 29, derde lid, van de Dublinverordening. Op grond van dit artikel dient verweerder eiseres terug te nemen uit Bulgarije, indien het overdrachtsbesluit wordt vernietigd, of eiseres ten onrechte is overgedragen.
Mensenhandel en zorgvuldigheid
6. Met betrekking tot de stelling dat eiseres door verweerder niet in de gelegenheid is gesteld om aangifte te kunnen doen van mensenhandel, oordeelt de rechtbank als volgt. Eiseres stelt dat verweerder haar verzoeken om een intake te krijgen en aangifte te doen telkens heeft afgewezen. Op verweerder rust een zorgplicht om adequaat te reageren op signalen dat iemand mogelijk slachtoffer is geworden van mensenhandel. Dit volgt uit Werkinstructie 2024/1. De rechtbank benadrukt allereerst dat een wens tot het doen van aangifte van mensenhandel een overdracht aan Bulgarije niet tegenhoudt, nu de omstandigheid dat eiseres mogelijk slachtoffer is geworden van mensenhandel geen betrekking heeft op de verantwoordelijkheid van Bulgarije. Voor zover eiseres stelt dat verweerder niet adequaat genoeg heeft gereageerd op de signalen dat eiseres mogelijk slachtoffer is van mensenhandel door haar verzoeken tot het doen van aangifte te weigeren, overweegt de rechtbank dat verweerder naar aanleiding van deze signalen het Sluisteam Mensenhandel van de Koninklijke Marechaussee naar het dossier heeft laten kijken. Verweerder geeft in het besluit aan dat het team heeft aangegeven dat er geen intakegesprek met eiseres zal plaatsvinden en dat er niet zal worden overgegaan op nader onderzoek. Op basis van de informatie die eiseres heeft gegeven waren er namelijk te weinig aanknopingspunten om in Nederland verder onderzoek te doen of om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Volgens verweerder is daarom een aangifte weinig zinvol. Gelet op de door verweerder in het besluit genoemde vaagheden en ongerijmde wendingen omtrent hetgeen haar is overkomen acht de rechtbank dit oordeel begrijpelijk. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder met betrekking tot de totstandkoming van het besluit onzorgvuldig gehandeld heeft.
Verantwoordelijkheid Bulgarije
7. Ten aanzien van de stellingen van eiseres dat zij niet zelf een visum heeft aangevraagd of gebruikt, oordeelt de rechtbank als volgt. Naar aanleiding van een zoekslag in het EU-VIS heeft verweerder vastgesteld dat eiseres door Bulgarije in het bezit is gesteld van een visum. Bulgarije wordt daarom verantwoordelijk geacht voor de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de stellingen van eiseres onvoldoende zijn om niet langer aan te nemen dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres, nu feitelijk is vastgesteld dat het visum in het originele paspoort van eiseres is opgenomen en dat hierbij haar vingerafdrukken zijn afgenomen. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat, gelet op de vage en ongerijmde verklaringen uit de zienswijze en het aanmeldgehoor over de door eiseres gestelde mensenhandelaren, niet zomaar kan worden aangenomen dat het visum niet door eiseres zelf is aangevraagd of dat zij deze onder dwang heeft aangevraagd.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiseres aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. Onder verwijzing naar de recente rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft in deze uitspraken de AIDA-rapporten (update 2022 en update 2023) betrokken. Ten opzichte van de verwijzing van eiseres naar het AIDA-rapport (update 2024) overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht gesteld dat uit het AIDA-rapport (update 2024) geen wezenlijk ander beeld van de opvangsituatie in Bulgarije voor Dublinterugkeerders volgt dan uit de informatie uit eerdere AIDA-rapporten (update 2022 en update 2023). De Afdeling heeft dit in haar uitspraak van 26 mei 2025 nog bevestigd. De stellingen dat eiseres een kwetsbaar persoon is en dat kwetsbare personen volgens het AIDA-rapport (update 2024) in Bulgarije een reëel risico lopen op een onmenselijke behandeling treffen dan ook geen doel, mede omdat eiseres niet (met stukken) haar kwetsbaarheid heeft aangetoond. Verder heeft eiseres geen nadere gronden of andere, nieuwe informatie ingebracht om haar standpunt nog aanvullend te onderbouwen.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
10. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van
V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Visum Informatiesysteem van de Europese Unie.
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Zie onder meer de uitspraken van 14 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1080), 29 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:870), 22 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1195), 23 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2152), 3 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2274) en 27 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2647).
ECLI:NL:RVS:2025:2387.