Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:17739
2026-02-03
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.55511 en NL25.55512
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin Kroatië, AIDA rapport (update 2024), herhaald en ingelast, interstatelijk vertrouwensbeginsel, C.K., Artikel 17 Dv
Citeert (13)
- ECLI:CE:ECHR:2021:1118JUD001567018
- ECLI:CE:ECHR:2023:0117JUD008452317
- ECLI:EU:C:2017:127
- ECLI:NL:RBDHA:2025:76 Rechtbank Den Haag 02-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19325 Rechtbank Den Haag 22-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20680 Rechtbank Den Haag 10-12-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:3411 Raad van State 13-09-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:3479 Raad van State 13-09-2023
- ECLI:NL:RVS:2024:4037 Raad van State 09-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:1869 Raad van State 24-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5635 Raad van State 21-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2020:2580 Raad van State 30-10-2020
- ECLI:NL:RVS:2025:717 Raad van State 25-02-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.504 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.55511 (beroep) en NL25.55512 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. G.W. Mettendaf)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van
7 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is.
1.1
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 20 januari 2026 op zitting behandeld.
Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. M. Erbek heeft als tolk in de Turkse taal opgetreden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.2
Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.55512) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Turkse nationaliteit. Op
11 september 2025 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Kroatië asiel heeft aangevraagd. Kroatië is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
Wat vindt eiser in beroep?
2. Eiser voert aan dat hetgeen dat in de zienswijze naar voren is gebracht als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Verweerder heeft verder met de bestreden beschikking in strijd gehandeld met het zorgvuldigheids- evenredigheids- en motiveringsbeginsel. Verweerder heeft onvoldoende gereageerd op de zienswijze. Eiser verwacht dat hij binnen afzienbare tijd Kroatië dient te verlaten. Ten opzichte van Kroatië kan niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. Eiser kan in Kroatië niet klagen, heeft geen effectieve rechtsmiddelen tot zijn beschikking en stelt dat Kroatië zich niet houdt aan de Opvang-, Kwalificatie- en Procedurerichtlijn. Daarnaast is er in Kroatië sprake van pushbacks, is er geen toegang tot de asielprocedure en zijn de opvang en gezondheidszorg ondermaats. Eiser verwijst naar diverse rapporten ter onderbouwing van zijn standpunten, waaronder het meest recente AIDA-rapport van augustus 2025. Ook verwijst hij naar twee arresten van het EHRM ter ondersteuning van de stelling dat onderzoeken van de Kroatische autoriteiten naar misdaden tegen vluchtelingen en andere migranten ineffectief zijn geweest, gezien de systematische aard van mensenrechtenschendingen van vluchtelingen en andere migranten. Tot slot beroept eiser zich op artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft last van psychische klachten. Ter onderbouwing heeft eiser medische stukken overgelegd. Eiser beroept zich op het arrest C.K. en stelt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de concrete gevolgen van overdracht voor eiser en het besluit in dit licht onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiser verwijst hierbij naar drie uitspraken van andere zittingsplaatsen van deze rechtbank.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Herhaald en ingelast
5. De rechtbank overweegt allereerst dat uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, niet zonder meer kan worden afgeleid waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om strijd op te leveren met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest, moeten deze tekortkomingen een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De Afdeling heeft in de uitspraak van 13 september 2023 geoordeeld dat de pushbacks in Kroatië geen aanleiding (meer) vormen om ten aanzien van Dublinclaimanten niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Daarbij is de Afdeling uitgegaan van informatie van de Kroatische autoriteiten van 15 november 2022 en de daarop door verweerder opgestelde beslisnota van 21 december 2022, waaruit volgt dat overgedragen Dublinclaimanten niet het risico lopen om door Kroatië te worden uitgezet zonder behandeling van hun asielverzoek of tijdens de behandeling van het asielverzoek. De Afdeling heeft daarbij ook van belang geacht dat deze informatie niet wordt weersproken door andere landeninformatie die destijds beschikbaar was. In een andere uitspraak van 13 september 2023 van de Afdeling is bovendien geoordeeld dat het AIDA-rapport (update 2022), het rapport van Lighthouse Reports en het rapport van BVNM van 8 december 2022 waar eiser naar verwijst, geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat Dublinclaimanten niet worden opgenomen in de nationale asielprocedure in Kroatië. Ook de overige door eiser aangevoerde landeninformatie, die grotendeels betrekking heeft over een periode van 2021 tot en met 2023, biedt geen indicatie voor het oordeel dat de Kroatische asielprocedure niet aan de gestelde eisen voldoet, nu hieruit geen wezenlijk ander beeld van de asielsituatie in Kroatië volgt dan de informatie waarover reeds is geoordeeld door de Afdeling.
6.2.
Verder verwijst de rechtbank naar de recentere uitspraken waarin de Afdeling nogmaals heeft bevestigd dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, waarbij tevens is ingegaan op de pushbacks en de toegang tot de opvangvoorzieningen in Kroatië. In deze uitspraken is verder aan bod gekomen dat er geen gedocumenteerde gevallen zijn van pushbacks van personen die terugkeren op grond van de Dublinverordening, dat er geen obstakels zijn voor hen om toegang te krijgen tot de asielprocedure en dat zij ook feitelijke toegang krijgen tot opvang. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de rapporten en artikelen waar eiser naar heeft verwezen veelal zien op pushbacks in het grensgebied van Kroatië en niet op personen die terugkeren op grond van de Dublinverordening. Met betrekking tot de arresten van het EHRM waar eiser naar heeft verwezen, oordeelt de rechtbank dat hieruit niet blijkt dat deze groep structureel problemen ondervindt. Ten aanzien van de stellingen dat de medische zorg in Kroatië problematisch is, oordeelt de rechtbank dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag worden gegaan dat de medische voorzieningen in Kroatië van dezelfde kwaliteit zijn als die in Nederland. De rechtbank overweegt dat eiser, bij voorkomende problemen met betrekking tot de Kroatische (medische) voorzieningen of anderszins, de Kroatische (hogere) autoriteiten kan benaderen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6.3.
Met betrekking tot het meest recente AIDA-rapport (update 2024) waar eiser naar verwijst, oordeelt de rechtbank als volgt. De passages waar eiser naar verwijst zien op pagina’s 60 tot en met 62 en pagina 102 van het rapport. Eiser stelt dat uit deze passages volgt dat in 2024 een recordaantal Dublinoverdrachten naar Kroatië hebben plaatsgevonden en dat personen waarvan de asielaanvraag voor hun vertrek uit Kroatië expliciet is afgewezen of ingetrokken bij terugkeer – in strijd met de vereisten van de Dublinverordening – worden beschouwd als indieners van een opvolgende aanvraag. Daarnaast geeft het AIDA-rapport informatie over klachten over de opvangomstandigheden weer, waarbij gemeld is dat hygiëne in opvangcentra ontoereikend was en dat de toegang tot gezondheidszorg beperkt was. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om af te wijken van de eerdergenoemde recente Afdelingsuitspraken die bevestigen dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten opzichte van Kroatië. Uit het AIDA-rapport volgt namelijk geen wezenlijk ander beeld van de opvangvoorzieningen of de asielprocedure in Kroatië dan de informatie uit het eerdere AIDA-rapport dat door de Afdeling reeds is beoordeeld. De verwijzingen geven geen blijk van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Kroatië.
6.4.
De rechtbank ziet ook in wat eiser heeft aangevoerd ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden geen aanleiding om te oordelen dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De enkele stelling dat eiser de omstandigheden in de Kroatische opvang waar hij een dag heeft verbleven als zeer slecht heeft ervaren, is daartoe onvoldoende. Ook de stellingen dat er geen toegang is tot de asielprocedure en dat eiser gewelddadig is behandeld en zwaar is mishandeld heeft eiser niet onderbouwd met stukken en leiden dus niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
C.K.
7. Eiser heeft aangegeven dat hij last heeft van psychische klachten. Eiser doet hierbij een beroep op het arrest C.K. Uit dit arrest volgt dat de overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Eerst indien eiser deze gegevens heeft overgelegd, dient de minister het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA, zo volgt uit de Werkinstructie 2021/3.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Eiser heeft aangegeven onder behandeling te staan bij de POH-GGZ en dat hij dagelijks het antidepressivum Mirtazapine gebruikt. Verder blijkt uit het door eiser overgelegde medische journaal van de huisarts dat eiser last heeft van gordelroos, slapeloosheid en allergie. Eiser is somber en ervaart stress rondom de Dublinprocedure. Verder stelt eiser dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers trauma. Eiser is door hetgeen hem is overkomen emotioneel ingestort. Hij stelt dat het vooruitzicht op terugkeer naar Kroatië hem depressief maakt en dat hij niet weet of hij dan nog wel wil leven. De rechtbank is van oordeel dat uit de overgelegde (medische) informatie niet blijkt dat een overdracht leidt tot onomkeerbare en ernstige gevolgen voor de gezondheidstoestand van eiser. De stukken geven verder ook geen blijk van suïcidaliteit. Omdat ten aanzien van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mag verweerder er in beginsel dus van uitgaan dat eiser daar de passende medische zorg en medicatie zal ontvangen.
Artikel 17 van de Dublinverordening
8. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land te behandelen, ook al is die lidstaat daartoe op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt verweerder van zijn bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in ieder geval gebruik als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 februari 2025 is het aan verweerder om te beoordelen of in het geval van een vreemdeling sprake is van zodanige bijzonder individuele omstandigheden dat de overdracht van een onevenredig hardheid getuigt.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op artikel 17 van de Dublinverordening niet slaagt. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom geen toepassing wordt gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eisers verwijzingen naar de uitspraken van de andere zittingsplaatsen leiden in dit opzicht niet tot een ander oordeel. Eiser heeft verder geen andere zodanig bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd, die niet tevens al zijn betrokken bij de beoordeling over het interstatelijk vertrouwensbeginsel, die maken dat de overdracht aan Kroatië van een onevenredige hardheid getuigt.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.
11. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
AIDA-rapport (update 2022), rapport van het Swiss Refugee Council van december 2021 (hierna: SRC), Rapporten van Border Violence Monitoring Network van augustus 2023, september 2023, maart 2023, mei 2023, februari 2023 en een rapport genaamd “The Black Book of Pushbacks” december 2022 (hierna: BVMN), een rapport van de European Union Agency for Fundamental Rights van juni 2023 (hierna: FRA), een rapport van Amnesty International van maart 2023 (Hierna: Amnesty), een rapport van USDOS van maart 2023, een rapport van het Center for Peace Studies (Hierna: CPS) en een rapport van Pro Asyl van december 2022 getiteld Systematic human rights violations at Croatian Borders, een artikel van CPS van 19 januari 2023, een artikel van Lighthouse Reports van december 2022, het rapport van het IMM van juli 2022, een onderzoek van de EU-ombudsman van februari 2022, een rapport van het CPT van december 2021, een rapport van HRW uit mei 2023.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ECLI:CE:ECHR:2021:1118JUD001567018 (M.H. en anderen t. Kroatië) en ECLI:CE:ECHR:2023:0117JUD008452317 (Daraibou t. Kroatië).
ECLI:EU:C:2017:127
Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 2 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:76, van zittingsplaats Roermond van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19325 en 10 december 2024 ECLI:NL:RBDHA:2024:20680.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:3411.
ECLI:NL:RVS:2023:3479.
Uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, zie ook de uitspraken van 24 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1869 en 21 november 2025 ECLI:NL:RVS:2025:5635.
Zie uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2580, r.o. 2.2.
Zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.55511 (beroep) en NL25.55512 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. G.W. Mettendaf)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van
7 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is.
1.1
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 20 januari 2026 op zitting behandeld.
Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. M. Erbek heeft als tolk in de Turkse taal opgetreden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.2
Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.55512) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Turkse nationaliteit. Op
11 september 2025 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Kroatië asiel heeft aangevraagd. Kroatië is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
Wat vindt eiser in beroep?
2. Eiser voert aan dat hetgeen dat in de zienswijze naar voren is gebracht als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Verweerder heeft verder met de bestreden beschikking in strijd gehandeld met het zorgvuldigheids- evenredigheids- en motiveringsbeginsel. Verweerder heeft onvoldoende gereageerd op de zienswijze. Eiser verwacht dat hij binnen afzienbare tijd Kroatië dient te verlaten. Ten opzichte van Kroatië kan niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. Eiser kan in Kroatië niet klagen, heeft geen effectieve rechtsmiddelen tot zijn beschikking en stelt dat Kroatië zich niet houdt aan de Opvang-, Kwalificatie- en Procedurerichtlijn. Daarnaast is er in Kroatië sprake van pushbacks, is er geen toegang tot de asielprocedure en zijn de opvang en gezondheidszorg ondermaats. Eiser verwijst naar diverse rapporten ter onderbouwing van zijn standpunten, waaronder het meest recente AIDA-rapport van augustus 2025. Ook verwijst hij naar twee arresten van het EHRM ter ondersteuning van de stelling dat onderzoeken van de Kroatische autoriteiten naar misdaden tegen vluchtelingen en andere migranten ineffectief zijn geweest, gezien de systematische aard van mensenrechtenschendingen van vluchtelingen en andere migranten. Tot slot beroept eiser zich op artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft last van psychische klachten. Ter onderbouwing heeft eiser medische stukken overgelegd. Eiser beroept zich op het arrest C.K. en stelt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de concrete gevolgen van overdracht voor eiser en het besluit in dit licht onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiser verwijst hierbij naar drie uitspraken van andere zittingsplaatsen van deze rechtbank.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Herhaald en ingelast
5. De rechtbank overweegt allereerst dat uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, niet zonder meer kan worden afgeleid waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om strijd op te leveren met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest, moeten deze tekortkomingen een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De Afdeling heeft in de uitspraak van 13 september 2023 geoordeeld dat de pushbacks in Kroatië geen aanleiding (meer) vormen om ten aanzien van Dublinclaimanten niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Daarbij is de Afdeling uitgegaan van informatie van de Kroatische autoriteiten van 15 november 2022 en de daarop door verweerder opgestelde beslisnota van 21 december 2022, waaruit volgt dat overgedragen Dublinclaimanten niet het risico lopen om door Kroatië te worden uitgezet zonder behandeling van hun asielverzoek of tijdens de behandeling van het asielverzoek. De Afdeling heeft daarbij ook van belang geacht dat deze informatie niet wordt weersproken door andere landeninformatie die destijds beschikbaar was. In een andere uitspraak van 13 september 2023 van de Afdeling is bovendien geoordeeld dat het AIDA-rapport (update 2022), het rapport van Lighthouse Reports en het rapport van BVNM van 8 december 2022 waar eiser naar verwijst, geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat Dublinclaimanten niet worden opgenomen in de nationale asielprocedure in Kroatië. Ook de overige door eiser aangevoerde landeninformatie, die grotendeels betrekking heeft over een periode van 2021 tot en met 2023, biedt geen indicatie voor het oordeel dat de Kroatische asielprocedure niet aan de gestelde eisen voldoet, nu hieruit geen wezenlijk ander beeld van de asielsituatie in Kroatië volgt dan de informatie waarover reeds is geoordeeld door de Afdeling.
6.2.
Verder verwijst de rechtbank naar de recentere uitspraken waarin de Afdeling nogmaals heeft bevestigd dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, waarbij tevens is ingegaan op de pushbacks en de toegang tot de opvangvoorzieningen in Kroatië. In deze uitspraken is verder aan bod gekomen dat er geen gedocumenteerde gevallen zijn van pushbacks van personen die terugkeren op grond van de Dublinverordening, dat er geen obstakels zijn voor hen om toegang te krijgen tot de asielprocedure en dat zij ook feitelijke toegang krijgen tot opvang. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de rapporten en artikelen waar eiser naar heeft verwezen veelal zien op pushbacks in het grensgebied van Kroatië en niet op personen die terugkeren op grond van de Dublinverordening. Met betrekking tot de arresten van het EHRM waar eiser naar heeft verwezen, oordeelt de rechtbank dat hieruit niet blijkt dat deze groep structureel problemen ondervindt. Ten aanzien van de stellingen dat de medische zorg in Kroatië problematisch is, oordeelt de rechtbank dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag worden gegaan dat de medische voorzieningen in Kroatië van dezelfde kwaliteit zijn als die in Nederland. De rechtbank overweegt dat eiser, bij voorkomende problemen met betrekking tot de Kroatische (medische) voorzieningen of anderszins, de Kroatische (hogere) autoriteiten kan benaderen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6.3.
Met betrekking tot het meest recente AIDA-rapport (update 2024) waar eiser naar verwijst, oordeelt de rechtbank als volgt. De passages waar eiser naar verwijst zien op pagina’s 60 tot en met 62 en pagina 102 van het rapport. Eiser stelt dat uit deze passages volgt dat in 2024 een recordaantal Dublinoverdrachten naar Kroatië hebben plaatsgevonden en dat personen waarvan de asielaanvraag voor hun vertrek uit Kroatië expliciet is afgewezen of ingetrokken bij terugkeer – in strijd met de vereisten van de Dublinverordening – worden beschouwd als indieners van een opvolgende aanvraag. Daarnaast geeft het AIDA-rapport informatie over klachten over de opvangomstandigheden weer, waarbij gemeld is dat hygiëne in opvangcentra ontoereikend was en dat de toegang tot gezondheidszorg beperkt was. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om af te wijken van de eerdergenoemde recente Afdelingsuitspraken die bevestigen dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten opzichte van Kroatië. Uit het AIDA-rapport volgt namelijk geen wezenlijk ander beeld van de opvangvoorzieningen of de asielprocedure in Kroatië dan de informatie uit het eerdere AIDA-rapport dat door de Afdeling reeds is beoordeeld. De verwijzingen geven geen blijk van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Kroatië.
6.4.
De rechtbank ziet ook in wat eiser heeft aangevoerd ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden geen aanleiding om te oordelen dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De enkele stelling dat eiser de omstandigheden in de Kroatische opvang waar hij een dag heeft verbleven als zeer slecht heeft ervaren, is daartoe onvoldoende. Ook de stellingen dat er geen toegang is tot de asielprocedure en dat eiser gewelddadig is behandeld en zwaar is mishandeld heeft eiser niet onderbouwd met stukken en leiden dus niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
C.K.
7. Eiser heeft aangegeven dat hij last heeft van psychische klachten. Eiser doet hierbij een beroep op het arrest C.K. Uit dit arrest volgt dat de overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Eerst indien eiser deze gegevens heeft overgelegd, dient de minister het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA, zo volgt uit de Werkinstructie 2021/3.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Eiser heeft aangegeven onder behandeling te staan bij de POH-GGZ en dat hij dagelijks het antidepressivum Mirtazapine gebruikt. Verder blijkt uit het door eiser overgelegde medische journaal van de huisarts dat eiser last heeft van gordelroos, slapeloosheid en allergie. Eiser is somber en ervaart stress rondom de Dublinprocedure. Verder stelt eiser dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers trauma. Eiser is door hetgeen hem is overkomen emotioneel ingestort. Hij stelt dat het vooruitzicht op terugkeer naar Kroatië hem depressief maakt en dat hij niet weet of hij dan nog wel wil leven. De rechtbank is van oordeel dat uit de overgelegde (medische) informatie niet blijkt dat een overdracht leidt tot onomkeerbare en ernstige gevolgen voor de gezondheidstoestand van eiser. De stukken geven verder ook geen blijk van suïcidaliteit. Omdat ten aanzien van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mag verweerder er in beginsel dus van uitgaan dat eiser daar de passende medische zorg en medicatie zal ontvangen.
Artikel 17 van de Dublinverordening
8. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land te behandelen, ook al is die lidstaat daartoe op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt verweerder van zijn bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in ieder geval gebruik als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 februari 2025 is het aan verweerder om te beoordelen of in het geval van een vreemdeling sprake is van zodanige bijzonder individuele omstandigheden dat de overdracht van een onevenredig hardheid getuigt.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op artikel 17 van de Dublinverordening niet slaagt. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom geen toepassing wordt gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eisers verwijzingen naar de uitspraken van de andere zittingsplaatsen leiden in dit opzicht niet tot een ander oordeel. Eiser heeft verder geen andere zodanig bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd, die niet tevens al zijn betrokken bij de beoordeling over het interstatelijk vertrouwensbeginsel, die maken dat de overdracht aan Kroatië van een onevenredige hardheid getuigt.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.
11. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
AIDA-rapport (update 2022), rapport van het Swiss Refugee Council van december 2021 (hierna: SRC), Rapporten van Border Violence Monitoring Network van augustus 2023, september 2023, maart 2023, mei 2023, februari 2023 en een rapport genaamd “The Black Book of Pushbacks” december 2022 (hierna: BVMN), een rapport van de European Union Agency for Fundamental Rights van juni 2023 (hierna: FRA), een rapport van Amnesty International van maart 2023 (Hierna: Amnesty), een rapport van USDOS van maart 2023, een rapport van het Center for Peace Studies (Hierna: CPS) en een rapport van Pro Asyl van december 2022 getiteld Systematic human rights violations at Croatian Borders, een artikel van CPS van 19 januari 2023, een artikel van Lighthouse Reports van december 2022, het rapport van het IMM van juli 2022, een onderzoek van de EU-ombudsman van februari 2022, een rapport van het CPT van december 2021, een rapport van HRW uit mei 2023.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ECLI:CE:ECHR:2021:1118JUD001567018 (M.H. en anderen t. Kroatië) en ECLI:CE:ECHR:2023:0117JUD008452317 (Daraibou t. Kroatië).
ECLI:EU:C:2017:127
Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 2 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:76, van zittingsplaats Roermond van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19325 en 10 december 2024 ECLI:NL:RBDHA:2024:20680.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:3411.
ECLI:NL:RVS:2023:3479.
Uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, zie ook de uitspraken van 24 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1869 en 21 november 2025 ECLI:NL:RVS:2025:5635.
Zie uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2580, r.o. 2.2.
Zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.