Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:17657

2026-06-26 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.33336
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-26
Publicatiedatum
2026-06-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.33336
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kennisgeving artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van een lichter middel en dat in het besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom in het geval van eiser geen andere afdoende maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Beroep gegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.835 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.33336


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. T. Esen),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 15 juni 2026 heeft de minister aan eiser een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Cetinkaya als tolk en de gemachtigde van de minister.




Overwegingen

3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1976.

4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Vooral nu hij zich eerder aan een meldplicht heeft gehouden, aldus eiser.


4.1.
Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.



4.2.
De minister heeft in de maatregel ten aanzien van het lichter middel het volgende opgenomen:



“Daarbij is afgewogen of op betrokkene een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen. Gezien de bovenstaande gronden en motiveringen is vervolgens overwogen dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake (meer) is.





Door betrokkene is ook niet overtuigend gesteld dat een dergelijke maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van diens vertrek kan volstaan.





Door de vreemdeling zijn geen omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen (of voortzetten) van een minder dwingende maatregel.”





4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser niet kon worden volstaan met een lichter middel. Uit de Basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat eiser sinds 3 juli 2025 ingeschreven staat op het adres [adres 1]. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser aangegeven daar niet meer woonachtig te zijn en dat hij sinds twee dagen woont op het adres [adres 2]. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat eiser zich niet meteen kon inschrijven op het nieuwe adres en dat ook het verwerken van een inschrijfadres een aantal dagen in beslag kan nemen. Daarom had eiser zich nog niet uitgeschreven zodat hij te allen tijden traceerbaar zou blijven voor de minister. Verder blijkt dat eiser zich een dag na zijn strafrechtelijke aanhouding, na daartoe te zijn gevorderd, op 15 juni 2026 om 10:00 uur heeft gemeld bij het politiebureau in Haarlem. De rechtbank stelt vast dat de minister tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling hierover geen (nadere) vragen heeft gesteld en zodoende na te gaan of nader overeen te komen voorwaarden in de plaats hadden kunnen komen van de huidige detentie. Indien uit de maatregel van vreemdelingenbewaring volgt dat er sprake is van een onderduikrisico, leidt dit niet zonder meer tot de conclusie dat er geen reden is om een lichter middel dan bewaring op te leggen. De rechtbank volgt de minister dan ook niet in het standpunt dat geen lichter middel opgelegd hoefde te worden, omdat de bewaringsgronden de maatregel al kunnen dragen en uit die motivering ook het onderduikrisico blijkt. Uit paragraaf A5/1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) volgt immers dat toepassing van een maatregel van vreemdelingenbewaring beperkt dient te blijven tot het strikt noodzakelijke, dat steeds moet worden nagegaan of met een lichter middel kan worden volstaan en dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit daarbij voortdurend in acht moeten worden genomen. Aldus is niet gebleken van een daadwerkelijk en grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval, zoals door de Afdeling is voorgeschreven.



4.4.
Uit het voorgaande volgt dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van een lichter middel en dat in het besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom in het geval van eiser geen andere afdoende maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. De beroepsgrond slaagt.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van 25 juni 2026. Omdat de maatregel op het moment van opleggen onrechtmatig is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.



5.1.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 11 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.320,-.



5.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.320,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van 25 juni 2026;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).