Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:17581
Inhoudsindicatie
Eiser heeft geen goede redenen gegeven voor het niet overleggen van identiteitsdocumenten en heeft geen oprechte inspanning verricht om zijn identiteit te onderbouwen. Eiser is in grote lijnen ongeloofwaardig en verweerder heeft zich aldus niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers identiteit ongeloofwaardig is. Vanwege inconsistente en vage verklaringen zijn eisers gestelde problemen met zijn achterneef ook ongeloofwaardig. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat eiser beschikt over een nog geldig Italiaans verblijfsdocument. Verweerder heeft voldoende onderzoek gedaan naar eisers status in Italië. Het is niet aannemelijk dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade als eiser terugkeert naar Afghanistan. Het terugkeerbesluit en inreisverbod kunnen in stand blijven. Het beroep is ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2025:161 Raad van State 20-01-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:4648 Raad van State 20-11-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:2865 Raad van State 02-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2865 Raad van State 02-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.293 tekens)
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54973
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Witteman).
Procesverloop
Met het besluit van 28 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, e en h, van de Vw. Verder heeft verweerder een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Neshin als tolk en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 25 februari 2026 geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om documenten in het dossier te uploaden die eiser in het kader van zijn asielaanvraag aan verweerder had overgelegd.
Op 26 februari 2026 heeft verweerder de gevraagde documenten geüpload. De rechtbank heeft eiser vervolgens in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 2 maart 2026 te reageren op de stukken. Eiser heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
De rechtbank heeft partijen vervolgens laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en partijen in de gelegenheid gesteld te laten weten of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 5 maart 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
1. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. Hij heeft op 15 juni 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
Het asielrelaas
2. Eiser heeft - samengevat - het volgende asielrelaas naar voren gebracht.
Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en behoort tot de bevolkingsgroep van de Tadzjieken.
Zijn vader werkte voor het leger in Panjshir en vanaf 2000 in Bala Hissar.
In 2007 is eisers achterneef van moederszijde opgepakt en gevangen gezet vanwege betrokkenheid bij de Taliban. De achterneef en diens vader vroegen eisers vader te bemiddelen voor vrijlating. Dat wilde eisers vader niet. Vervolgens bedreigden de achterneef en diens familie eisers vader en diens gezin. Eisers vader was bang dat de achterneef wraak zou nemen en vond het onveilig voor eiser omdat eiser de oudste zoon is. In 2009 heeft eiser daarom Afghanistan verlaten en asiel aangevraagd in Groot-Brittannië, waar hij geen asiel heeft gekregen. In 2014 is hij teruggekeerd naar Afghanistan, waar hij ondergedoken heeft gezeten en via anderen bedreigd werd door zijn achterneef. Daarom besloot hij in 2015 om Afghanistan weer te verlaten en naar Europa te gaan. Tussen 2015 en 2023 kreeg hij nog steeds via anderen bedreigingen van zijn achterneef, die na de machtsovername door de Taliban is vrijgekomen. Eiser besloot daarom in 2023 naar Nederland te gaan om asiel aan te vragen. Eisers familie is gevlucht naar Iran, waar eisers vader is overleden. Volgens eiser heeft zijn achterneef zijn broers in 2024 in Iran neergestoken.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit twee asielmotieven:
1. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
2. De problemen met zijn achterneef.
4. Verweerder acht de identiteit van eiser en het tweede asielmotief ongeloofwaardig. Eiser heeft beide niet onderbouwd met objectieve documenten. Hij heeft onvoldoende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw). Ook heeft hij geen oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven, omdat hij zijn paspoort niet bij aanmelding heeft overgelegd aan IND (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, van de Vw). De asielaanvraag is tevens niet zo spoedig mogelijk ingediend en daarvoor is geen goede verklaring gegeven (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw). Verder beschouwt verweerder eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig, omdat hij niet heeft achterhaald wat zijn status in Italië is en sinds 2015 in meerdere EU-landen heeft verbleven. Ook heeft hij tegenstrijdig verklaard over het hebben van identiteitsdocumenten (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw). De verklaringen bij het tweede asielmotief vormen daarnaast geen samenhangend en aannemelijk geheel (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw). Eiser heeft daarbij wisselend en niet volgbaar verklaard over de bedreigingen. Ook is dat asielrelaas grotendeels op aannames gebaseerd. Verweerder volgt niet dat eisers achterneef een machtige positie heeft en eiser wil vermoorden. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, e en h, van de Vw. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) dan wel dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De beoordeling van de beroepsgronden
Geloofwaardigheid asielmotieven
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de identiteit van eiser en zijn tweede asielmotief ongeloofwaardig zijn. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Identiteit van eiser
6. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat hij de identiteit van eiser niet kan volgen omdat eiser zijn paspoort niet heeft overgelegd. Op basis van die identiteit heeft eiser een nog tot in 2027 geldig Italiaans verblijfsdocument ontvangen. Uit het vertrouwensbeginsel volgt dat ervan moet worden uitgegaan dat de Italiaanse autoriteiten hun werk naar behoren hebben verricht.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn identiteit niet heeft onderbouwd met objectieve documenten. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser zijn taskera had kunnen laten versturen naar Nederland en dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij bij binnenkomst in Nederland in 2023 wel over een Afghaans paspoort beschikte, maar dat hij dit niet bij zijn asielaanvraag heeft overgelegd. Eiser heeft ook niet éénduidig verklaard over zijn identiteitsdocumenten. In het verhoor bij de vreemdelingenpolitie op 15 juni 2023 heeft hij niet over dit Afghaanse paspoort verklaard, maar gezegd niet over identiteitsdocumenten te beschikken. Later heeft hij een proces-verbaal van de politie overgelegd waaruit blijkt dat hij op 19 september 2024 aangifte heeft gedaan van vermissing van onder meer zijn Afghaanse paspoort en Italiaanse ID-kaart. Onduidelijk is gebleven over wat voor Italiaanse documenten eiser (heeft) beschikt en op basis waarvan die zijn afgegeven. Uit eisers verklaring volgt niet dat hij daarvoor in Italië brondocumenten heeft overgelegd. Daar komt bij dat eiser verklaart dat hij zijn Afghaanse paspoort in 2018 heeft verkregen, zodat dit niet als brondocument voor de eerder verkregen Italiaanse documenten kan hebben gefungeerd. Voor zover de gestelde Italiaanse documenten zijn afgegeven enkel op basis van de eigen verklaring van eiser over zijn identiteit, heeft verweerder daaraan niet de waarde hoeven hechten die eiser daar aan toekent. Dat eiser een thans nog geldig Italiaans verblijfsdocument heeft ontvangen, heeft de rechtbank bovendien niet kunnen vaststellen. Eiser heeft in de gehoren verklaard niet te weten wat zijn status in Italië is en op basis van welke gronden het gestelde Italiaanse verblijfsrecht aan hem is verleend. Volgens eisers verklaring in het aanmeldgehoor betrof dit bovendien een verblijfsrecht voor de duur van (slechts) zes maanden. In het beroepschrift en ter zitting heeft eiser over zijn status in Italië ook geen duidelijkheid verschaft. Ter zitting heeft eiser verklaard dat het in Italië aan hem verleende document dat tot 2027 geldig was, een bewijs betrof waarmee hij zich voor tien jaar in een daarin aangewezen regio op een adres kon registreren. Uit die verklaring maakt de rechtbank op dat dit document geen verblijfsvergunning betreft. Eiser heeft daarnaast op de zitting verklaard dat hij een Italiaans ID-bewijs heeft gekregen dat een geldigheidsduur van vijf jaar had. Voor zover eiser daarmee zou doelen op een Italiaanse verblijfsvergunning, is die geldigheidsduur inmiddels verstreken, nu eiser in 2015 in Italië is aangekomen en hij het document volgens zijn verklaring op de zitting na een jaar heeft gekregen. Verweerder heeft op de zitting verklaard dat uit Eurodac niet blijkt dat aan eiser in Italië een verblijfsvergunning is afgegeven en dat uit eisers aanmeldgehoor volgt dat hij in Italië geen asielprocedure heeft doorlopen. Gelet op dit alles wordt eisers standpunt over het Italiaanse verblijfsdocument en het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet gevolgd door de rechtbank. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat eiser geen goede redenen heeft gegeven voor het niet overleggen van zijn Afghaanse paspoort en zijn taskera en dat hij geen oprechte inspanning heeft verricht om zijn asielaanvraag (in dit kader: zijn identiteit) te staven (artikel 31, zesde lid, aanhef onder a en b, van de Vw). De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat eiser op de zitting heeft verklaard bezig te zijn met een nieuwe aanvraag voor een paspoort bij de Afghaanse ambassade. Dit leidt niet tot een ander oordeel nu eiser zijn paspoort al is kwijtgeraakt in 2024 en pas recent een nieuw paspoort zou hebben aangevraagd. Bovendien heeft eiser van die nieuwe aanvraag geen stukken overgelegd. Eiser heeft geen moeite gedaan om zijn asielstatus in Italië te achterhalen, heeft sinds 2015 in verschillende EU-landen verbleven alvorens hij in Nederland asiel aanvroeg en heeft pas twee à drie weken na binnenkomst in Nederland asiel aangevraagd (volgens eiser omdat hij eerst wilde kijken of de situatie hem beviel). Verweerder stelt daarom niet ten onrechte dat eiser in grote lijnen ongeloofwaardig is en niet zo spoedig als mogelijk asiel heeft aangevraagd zonder daarvoor een afdoende verklaring te geven (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d en e, van de Vw). Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers identiteit ongeloofwaardig is. Deze beroepsgrond faalt.
De problemen met zijn achterneef
8. Eiser betwist dat zijn verklaringen over de problemen met zijn achterneef geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zijn verklaringen over de bedreigingen van zijn achterneef zijn niet wisselend. Hij heeft namelijk consistent verklaard dat hij ongeveer zes maanden voor het nader gehoor voor het laatst van zijn familie heeft gehoord dat hij bedreigd werd en dat zijn familieleden die bedreigingen dagelijks hoorden. Die verklaringen zijn niet in tegenspraak met elkaar. Ook heeft hij niet vaag verklaard over het familielid waarmee hij het contact heeft verbroken. Aan eiser kan ook niet worden tegengeworpen dat hij met andere familieleden, die ook bedreigingen doorgaven, het contact niet heeft verbroken. Hij heeft namelijk verklaard dat hij het vermoeden had dat het familielid waarmee hij het contact heeft verbroken ging doorgeven wat besproken werd of waar eiser was. Tevens kon eisers achterneef hem niet persoonlijk benaderen of zijn bedreigingen waarmaken doordat eiser was gevlucht uit het land. Ook is de familie van eiser vanwege de bedreigingen van zijn achterneef gevlucht uit Afghanistan. Eiser heeft ook niet wisselend verklaard over de periode waarin de dreiging van zijn achterneef plaatsvond. Eiser voert aan (zo begrijpt de rechtbank) dat de achterneef aanvankelijk vanuit de gevangenis bedreigingen heeft geuit en hiermee is doorgegaan nadat hij vrijgekomen is. Bovendien dient verweerder ook de geloofwaardigheid van de aannames te beoordelen. Verweerder heeft ten onrechte eisers vrees voor wraak door zijn achterneef niet beoordeeld.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser inconsistent en vaag heeft verklaard over de bedreigingen van zijn achterneef. Zo heeft eiser eerst verklaard dat zijn familie nog aan hem gerichte bedreigingen ontvangt om vervolgens te verklaren dat hij daar zes maanden voor het nader gehoor voor het laatst over heeft gehoord. Eiser verklaart hierbij dat het een aanname is dat hij nog steeds bedreigd wordt. Eiser verklaart verder dat hij die bedreigingen van een familielid hoorde waarmee hij uiteindelijk het contact heeft verbroken, maar verklaart elders ook dat hij bedreigingen van andere familieleden doorkrijgt waarmee hij nog contact heeft. Dat eiser later in het nader gehoor heeft verklaard dat hij van het familielid waarmee hij het contact heeft verbroken meer bedreigingen heeft ontvangen dan van andere familieleden, doet niets af aan deze inconsistenties. Verweerder heeft zich daarnaast niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is onderbouwd waarom de achterneef van eiser al zolang achter eiser aan zou zitten maar de bedreigingen nooit heeft waargemaakt. Eiser heeft immers persoonlijk zijn achterneef niets aangedaan en zijn vader is inmiddels overleden. Tevens heeft verweerder kunnen overwegen dat eisers verklaring dat zijn achterneef zijn broers heeft gestoken in Iran, enkel een aanname is en dat eiser hiervoor geen afdoende aanwijzingen en ook geen onderbouwing heeft gegeven. Wat er ook zij van verweerders tegenwerping over de periode waarin de achterneef eiser zou hebben bedreigd, naar het oordeel van de rechtbank is het voorgaande voldoende om het standpunt van verweerder over de ongeloofwaardigheid van dit asielmotief te dragen. Verweerder heeft verder - gelet op het voorgaande - de gestelde dreigingen van de achterneef van eiser wel op geloofwaardigheid beoordeeld. Daarbij is ook beoordeeld of het geloofwaardig is dat de achterneef van eiser hem wil vermoorden. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook een mogelijke wraakactie van de achterneef van eiser ondervangen en beoordeeld. Wat betreft eisers grond dat verweerder ook aannames dient te beoordelen op geloofwaardigheid overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft gespecificeerd welke (andere) aannames verweerder niet zou hebben beoordeeld.
10. Gelet op het voorgaande (in samenhang met wat hiervoor onder 7 is overwogen over het moment waarop eiser asiel heeft gevraagd en de geloofwaardigheid in grote lijnen) heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat het tweede asielmotief ongeloofwaardig is op basis van artikel 31, zesde lid, onder c, d en e van de Vw.
Reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM bij terugkeer
11. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Hij heeft van 2009 tot 2014 en vervolgens weer sinds 2015 buiten Afghanistan gewoond. Hij kan zich niet aanpassen aan de normen en waarden van de Taliban en hij heeft geen enkel vangnet in Afghanistan. Ter zitting beroept eiser zich op verwestering. Hij wijst erop dat religie niet overal op dezelfde manier wordt gepraktiseerd. Ook voert hij aan dat er bij terugkeer uit de rijke EU problemen zijn als depressie, agressie en bedreigingen en dat verweerder in reactie op een beroep op verwestering niet kan verwijzen naar Afdelingsuitspraken uit 2024 of 2025 omdat de situatie in Afghanistan steeds wijzigt en per dag moet worden bekeken.
12. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat hij een westerse levensstijl heeft ontwikkeld en daarom niet kan terugkeren naar Afghanistan, merkt de rechtbank op dat eiser hierover in zijn gehoren niet heeft verklaard en dat hij dit standpunt voor het eerst tijdens de zitting naar voren heeft gebracht. Verweerder wijst er in zijn reactie op de zitting niet ten onrechte op dat eiser in het nader gehoor heeft verklaard een praktiserend moslim te zijn. Daarbij heeft eiser onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd dat zijn manier van het praktiseren van zijn religie zodanig afwijkt van die van de Taliban, dat hij problemen zal ondervinden in Afghanistan dan wel zich niet meer kan aanpassen aan de normen en waarden in Afghanistan. Ook anderszins heeft hij – zoals verweerder niet ten onrechte opmerkt - geen op zijn persoon betrekking hebbende individuele feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit de gestelde verwestering blijkt. Verweerder heeft er verder op gewezen dat eiser niet onder een risicogroep valt en dat uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:161, en 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, niet alleen al om die reden een reëel risico lopen op ernstige schade als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat die situatie thans anders is. Het standpunt van eiser dat de situatie in Afghanistan per dag moet worden bekeken, is te algemeen. Eiser heeft niet geconcretiseerd en onderbouwd dat de veiligheidssituatie in Afghanistan zodanig is dat eiser niet vanuit de EU kan terugkeren. Ook is niet onderbouwd dat terugkeer naar Afghanistan tot depressieproblemen bij eiser dan wel agressie en bedreigingen jegens eiser zal leiden. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer zou moeten vrezen voor schending van artikel 3 van het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt niet.
13. Omdat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM, komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
14. Volgens eiser kunnen het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet in stand blijven. Eiser heeft verklaard te vrezen voor de Taliban. Ten onrechte is dan ook bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Eiser heeft ook nog een tot in 2027 geldig verblijfsrecht in Italië. Verweerder had nader onderzoek moeten doen naar dit verblijfsrecht. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865. Het bestreden besluit is onzorgvuldig. Eiser verzoekt om het bestreden besluit te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar verweerder om hierover opnieuw te beslissen.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende onderzoek gedaan naar eisers status door onderzoek in het Eurodac-systeem te doen, waaruit geen verblijfstatus volgde, en eiser over zijn asielaanvraag en status in Italië te bevragen. Eiser heeft hierover echter wisselend en onduidelijk verklaard en niet aannemelijk gemaakt dat hij een verblijfstatus heeft in Italië. Ook op de zitting is eisers status in Italië niet verhelderd. Nu niet aannemelijk is dat eiser een asielstatus heeft in Italië, hoefde verweerder dan ook niet het nader onderzoek uit te voeren zoals bedoeld is in de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865. Verweerder heeft niet onzorgvuldig gehandeld.
16. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vw, in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, e en h, van de Vw en mocht verweerder een terugkeerbesluit en een inreisverbod tegen eiser uitvaardigen. Daarbij mocht verweerder bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Ben Larbi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
De op 9 maart 2026 door eiser ingediende foto van een Italiaans document wordt hierbij niet betrokken, omdat die foto pas na sluiting van het onderzoek in de beroepsprocedure en zonder enige toelichting op de aard, geldigheidsduur en juridische status van het document en op het tijdstip van indienen, is ingediend in het dossier van de met dit beroep samenhangende voorlopige voorzieningsprocedure. Eiser heeft niet om heropening van het onderzoek in de beroepsprocedure en invoeging van die foto in het dossier van de beroepsprocedure verzocht, en de rechtbank ziet gelet op wat hiervoor is vermeld geen aanleiding daar ambtshalve toe over te gaan. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de jaartallen op de geüploade foto van het document niet leesbaar zijn en dat daardoor niet blijkt dat het document nog geldig is.
Pagina 18 van het nader gehoor.
Pagina 18 en pagina 19 van het nader gehoor.
Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, en artikel 66a van de Vw.
Artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b van de Vw.