Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:17556
2026-06-26
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.16567
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel - Syrië - met onbekende bestemming vertrokken (MOB) - niet-ontvankelijk
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2024:4049 Raad van State 09-10-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.378 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16567
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).
Procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft op 25 maart 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Eiser heeft toestemming gegeven om de zaak schriftelijk af te doen. Verweerder heeft aangegeven niet op zitting te zullen verschijnen. De rechtbank doet daarom uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of het beroep ontvankelijk is.
3. Verweerder heeft in het bericht van 28 mei 2026 aan de rechtbank laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser met een bericht in het digitale dossier verzocht om hierop te reageren. De gemachtigde van eiser heeft hier op 1 juni 2026 op gereageerd.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, er in beginsel vanuit mag worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De vreemdeling heeft in dat geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep over het besluit op zijn asielaanvraag. Dit is alleen anders als een vreemdeling laat weten dat hij nog contact met zijn gemachtigde heeft en dus nog steeds op prijs stelt op de door hem gezochte bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde nog contact heeft met de vreemdeling over de voortgang van de procedure en de keuzes die daarin moeten worden gemaakt.
5. Vaststaat dat eiser sinds 22 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken en dat de gemachtigde van eiser op 1 juni 2026 de rechtbank heeft laten weten dat hij geen contact meer heeft met zijn cliënt. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
6. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat uit het bestreden besluit blijkt dat eiser voorlopig uitstel van vertrek heeft gekregen in afwachting van een definitieve beslissing op de beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet. De rechtbank beoordeelt daarom ook niet ambtshalve of eiser risico loopt op refoulement bij terugkeer naar Syrië.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4049.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16567
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).
Procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft op 25 maart 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Eiser heeft toestemming gegeven om de zaak schriftelijk af te doen. Verweerder heeft aangegeven niet op zitting te zullen verschijnen. De rechtbank doet daarom uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of het beroep ontvankelijk is.
3. Verweerder heeft in het bericht van 28 mei 2026 aan de rechtbank laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser met een bericht in het digitale dossier verzocht om hierop te reageren. De gemachtigde van eiser heeft hier op 1 juni 2026 op gereageerd.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, er in beginsel vanuit mag worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De vreemdeling heeft in dat geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep over het besluit op zijn asielaanvraag. Dit is alleen anders als een vreemdeling laat weten dat hij nog contact met zijn gemachtigde heeft en dus nog steeds op prijs stelt op de door hem gezochte bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde nog contact heeft met de vreemdeling over de voortgang van de procedure en de keuzes die daarin moeten worden gemaakt.
5. Vaststaat dat eiser sinds 22 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken en dat de gemachtigde van eiser op 1 juni 2026 de rechtbank heeft laten weten dat hij geen contact meer heeft met zijn cliënt. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
6. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat uit het bestreden besluit blijkt dat eiser voorlopig uitstel van vertrek heeft gekregen in afwachting van een definitieve beslissing op de beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet. De rechtbank beoordeelt daarom ook niet ambtshalve of eiser risico loopt op refoulement bij terugkeer naar Syrië.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4049.