Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:17185
Inhoudsindicatie
Overheidsaansprakelijkheid. Eisers zijn directe familieleden van een kroongetuige. Eisers stellen de Staat en de Politie aansprakelijk en stellen zich primair op het standpunt dat zij nooit de kroongetuigendeal hadden mogen sluiten gelet op hun belangen. Subsidiair stellen zij zich op het standpunt dat onrechtmatig jegens hen is gehandeld omdat onvoldoende veiligheidsmaatregelen zijn genomen om eisers te beschermen en zij onvoldoende zijn gecompenseerd voor het onevenredige nadeel dat zij lijden door de kroongetuigendeal. De rechtbank komt tot een schending van artikel 2 EVRM omdat de Staat zich rond het bekendmaken van de kroongetuigendeal onvoldoende heeft ingespannen om eisers adequaat te beschermen. De daarover gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen. De overige vorderingen worden afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (53.090 tekens)
Team handel
zaak- / rolnummer: [zaaknummer] / [rolnummer]
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
13 EISENDE PARTIJEN,
advocaat: mr. A,
tegen
1DE STAAT DER NEDERLANDEN te Den Haag,
advocaat: mr. B,
2. DE POLITIE te Den Haag,
advocaat: mr. C,
gedaagde partijen.
Op verzoek van eisende partijen en met instemming van gedaagde partijen worden de namen en woonplaatsen van eisende partijen niet genoemd in de processtukken. Ook de namen van de advocaten worden hier niet vermeld. Partijen worden aangeduid met eisers, de Staat en de Politie.
1Waar gaat deze zaak over?
1.1.
Eisers zijn de directe familieleden van [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] is kroongetuige in het [proces] . In dit proces worden leden van het criminele samenwerkingsverband (hierna: CSV) onder leiding van [naam 2] vervolgd voor betrokkenheid bij verschillende moorden, pogingen tot moord, het voorbereiden van liquidaties en deelname aan een criminele organisatie.
1.2.
Eisers lopen gevaar door dreiging vanuit het CSV en moeten worden beveiligd. Eisers stellen zich op het standpunt dat gedaagden, gelet op de belangen van eisers, nooit de kroongetuigendeal met [naam 1] hadden mogen sluiten. Mocht de rechtbank hierin niet meegaan en tot het oordeel komen dat de kroongetuigendeal wel rechtmatig is, dan stellen eisers dat onrechtmatig jegens hen is gehandeld omdat onvoldoende veiligheidsmaatregelen zijn genomen om eisers te beschermen en zij onvoldoende zijn gecompenseerd voor het onevenredige nadeel dat zij lijden door de kroongetuigendeal.
1.3.
In dit vonnis komt de rechtbank tot de conclusie dat het in gesprek gaan over en het sluiten van de kroongetuigendeal met [naam 1] niet onrechtmatig was jegens eisers, maar dat de Staat zich in de periode rond het bekendmaken van de kroongetuigendeal onvoldoende heeft ingespannen om eisers adequaat te beschermen. Hij heeft hierdoor artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM) geschonden. Dat wordt voor recht verklaard. Eisers hebben echter onvoldoende aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat zij door dit handelen schade hebben geleden die nog niet door de Staat is vergoed. De overige vorderingen ten aanzien van de Staat worden afgewezen, evenals alle vorderingen jegens de Politie.
2De procedure
2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 7 november 2024 met producties 1 tot en met 99;
de conclusie van antwoord van de Staat van 14 mei 2025 met producties 1 tot en met 22;
de conclusie van antwoord van de Politie van 14 mei 2025;
aktes van depot door eisers van usb-sticks met geluidsopnames;
het tussenvonnis van 28 mei 2025 waarin een mondelinge behandeling is bevolen;
de akte van eisers met producties 100-129 en een eiswijziging, tevoren toegezonden en in het geding gebracht tijdens de mondelinge behandeling;
de spreekaantekeningen die zijn voorgedragen en overgelegd door de advocaten tijdens de mondelinge behandeling;
de conclusie na mondelinge behandeling van eisers van 22 oktober 2025;
de antwoordconclusie van de Staat van 19 november 2025 en
de antwoordconclusie van de Politie van 19 november 2025.
2.2.
Nadat de antwoordconclusies van de Staat en de Politie waren ingediend is de zaak verwezen naar de rolzitting van 14 januari 2026 voor het wijzen van vonnis.
3De feiten
Inleiding
3.1.
In deze zaak speelt het stelsel van bewaken en beveiligen in Nederland een belangrijke rol. Daarom volgt hieronder een korte uitleg over dit stelsel voordat op de feiten zal worden ingegaan.
Bewaken en beveiligen
3.2.
De minister van Justitie en Veiligheid is verantwoordelijk voor het bewaken en beveiligen in Nederland. Deze taak is gemandateerd aan de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (hierna: NCTV). Om te voldoen aan het doel van bewaken en beveiligen is het stelsel Bewaken en Beveiligen (hierna: het stelsel B&B) ingericht, met als doel het voorkomen van aanslagen op personen, objecten en diensten. In het stelsel is uitgewerkt dat centraal, binnen het Rijksdomein, uitvoering wordt gegeven aan bewaking en beveiliging van personen waarvoor het van nationaal belang is dat zij veilig en ongestoord kunnen functioneren. Verder wordt decentraal gewerkt, waarbij per regio de desbetreffende hoofdofficier verantwoordelijk is. Hij of zij wordt daarbij ondersteund door de afdeling Bewaken, Beveiligen en Crisisbeheersing (BB&C). De Regionale afdeling Conflict en Crisisbeheersing (RCCB) coördineert het bewaken en beveiligen. De Dienst Regionale Informatieorganisatie (DRIO) is verantwoordelijk voor het verzamelen en analyseren van informatie. De Politie heeft geen taken of verantwoordelijkheden binnen het stelsel.
De kroongetuigendeal en de bekendmaking daarvan
3.3.
Eisers zijn directe familieleden van [naam 1] .
3.4.
[naam 1] maakte tot 2017 onderdeel uit van het CSV onder leiding van [naam 2] In de periode van september 2015 tot januari 2017 werden meerdere liquidaties gepleegd die in verband werden gebracht met het CSV.
3.5.
Op 12 januari 2017 werd [naam 3] door leden van het CSV vermoord. [naam 1] was bij deze moord betrokken. Achteraf bleek dat de verkeerde persoon was vermoord: niet [naam 3] moest worden vermoord, maar [naam 4] .
3.6.
Op 14 januari 2017 heeft [naam 1] contact opgenomen met een advocaat. De aanleiding daarvoor was dat [naam 1] had gepraat met de familie [naam 3] . De leden van de familie [naam 3] waren bekenden van de leden van de familie van [naam 1] en [naam 1] heeft met hen besproken wie er volgens hem achter de moord op [naam 3] zat. Doordat hij deze informatie met hen had gedeeld, vreesde [naam 1] represailles vanuit het CSV. Hij meldde zich daarom bij de advocaat om te kijken of hij een deal kon sluiten met het Openbaar Ministerie (hierna: OM). In ruil voor informatie over het CSV wilde hij strafvermindering en bescherming voor hem en zijn familie. Deze advocaat heeft de zaak overgedragen aan [naam 5] en een collega-advocaat. Na overleg met hen en daarna met het OM heeft [naam 1] zich diezelfde avond laten aanhouden door de politie voor wapenbezit.
3.7.
Na de aanhouding van [naam 1] heeft het OM de Centrale Toetsingscommissie (hierna: CTC) om advies gevraagd over het wel of niet aangaan van gesprekken met [naam 1] in het kader van een eventuele kroongetuigendeal. De CTC heeft toen geadviseerd om het kroongetuigentraject verder te onderzoeken. De CTC benoemde daarbij onder meer dat een eventuele deal reële risico’s in het leven zou roepen voor eisers en dat daarom voor hen veiligheidsmaatregelen genomen moesten worden.
3.8.
Na dit advies besloot het OM het traject richting een kroongetuigendeal te starten. In de periode van 26 januari 2017 tot en met 18 mei 2017 heeft [naam 1] 41 verklaringen afgelegd over meerdere (pogingen tot) liquidaties door het CSV (hierna: de kluisverklaringen). Deze kluisverklaringen zijn vervolgens door de politie getoetst op betrouwbaarheid. Naar aanleiding van dit onderzoek werden zijn kluisverklaringen aangemerkt als betrouwbaar.
3.9.
Op 23 februari 2017 nodigde het OM enkele eisers uit voor een bijeenkomst. Het doel hiervan was om de familie te informeren over het kroongetuigentraject, de mogelijke dreiging die daardoor ontstond richting de familie en de beveiliging van de familie. Bij deze bijeenkomst was BB&C Midden-Nederland aanwezig.
3.10.
Op 17 maart 2017 vond een tweede bijeenkomst plaats met het OM, eisers en [naam 1] .
3.11.
In de zomer van 2017 werd in opdracht van het College van Procureurs-Generaal door het Team Getuigenbescherming (hierna: TGB) een dreigingsanalyse uitgevoerd, gericht op de beveiliging van [naam 1] en zijn gezin. Deze analyse had ook betrekking op eisers. Het onderzoek was gereed op 28 augustus 2017. De uitkomst van dit onderzoek was dat de waarschijnlijkheid van dreiging voor alle betrokken personen werd ingeschat als ‘hoog’ en de ernst van de dreiging als ‘ernstig’. Het advies ten aanzien van eisers was om de tijdelijke beveiligingsmaatregelen voort te laten duren bij BB&C Midden-Nederland. Op dat moment waren er echter nog geen beveiligingsmaatregelen genomen voor eisers.
3.12.
Op 5 september 2017 werd [naam 1] in voorlopige hechtenis genomen voor de vergismoord op [naam 3] en de poging tot moord op [naam 4] .
3.13.
Op 17 november 2017 tekende [naam 1] de kroongetuigendeal. Na vaststelling van de kroongetuigendeal werd de hoofdofficier van justitie van Midden-Nederland het eerste contact voor eisers. Vanaf dat moment coördineerde BB&C Midden-Nederland de beoordeling en uitvoering van beveiligingsmaatregelen voor eisers.
3.14.
Op 18 december 2017 werd [naam 6] na een schietpartij aangehouden voor betrokkenheid bij de vergismoord op [naam 3] en de poging tot moord op [naam 4] .
3.15.
Op 20 december 2017 heeft het College voor Procureurs-Generaal ingestemd met de kroongetuigendeal met [naam 1] . Voorafgaand aan deze beslissing heeft het College voor Procureurs-Generaal advies gevraagd aan de CTC. De CTC adviseerde positief over de deal.
3.16.
Op 27 december 2017 heeft de rechter-commissaris de kluisverklaringen als rechtmatig beoordeeld.
3.17.
In januari 2018 werd duidelijk dat [naam 2] waarschijnlijk de afzender was van het volgende bericht: “Hy weet iedereen gaat slapen als die my naam heeft genoemt”. Het bericht zou in januari 2017 gestuurd zijn en betrekking hebben op [naam 1] (‘Hy’).
3.18.
Op 23 januari 2018 vond een overleg plaats tussen BB&C Midden-Nederland en één van de advocaten van [naam 1] . Tijdens dit overleg kreeg BB&C Midden-Nederland een brief van eisers met een aantal wensen voor één van hen. Ook gaf de advocaat aan [veiligheidsmaatregel].
3.19.
Op 26 januari 2018 werden BB&C en RCCB Midden-Nederland door de rechercheofficier van het beleidsteam [proces] geïnformeerd dat de kluisverklaringen op 23 maart 2018 zouden worden ingebracht in de rechtszaak tegen [naam 6] Dat was de datum van de eerste pro forma-zitting in die zaak.
3.20.
Het beleidsteam [proces] gaf vervolgens de politie opdracht om te onderzoeken welke personen als gevolg van die verklaringen risico zouden lopen en welke beveiligingsmaatregelen voor hen genomen moesten worden. Op basis van dit onderzoek werd een lijst opgesteld van 40 personen die risico zouden lopen en waarvoor maatregelen nodig zouden zijn. Met betrekking tot eisers kwam hieruit naar voren dat het CSV zou proberen om druk uit te oefenen op [naam 1] om zijn verklaringen in te trekken of anders over zou gaan tot vergeldingsacties. Als vervolg werd er geadviseerd om het TGB contact te laten opnemen met eisers om hen in kennis te stellen van het risico en de beveiliging te regelen.
3.21.
Op 28 januari 2018 heeft de advocaat van [naam 6] verzocht om de (voor hem en zijn cliënt afgeschermde) ‘ontbrekende stukken’ in de zaken tegen zijn cliënt. Deze stukken betroffen onder meer de kluisverklaringen van [naam 1] die gingen over de moord op [naam 3] en de poging tot moord op [naam 4] . De rechter-commissaris heeft op dat verzoek beslist en bepaald dat deze stukken uiterlijk 16 maart 2018 in deze procedure ingebracht moesten worden.
3.22.
Op 30 januari 2018 vond een gesprek plaats tussen alle broers van [naam 1] en het OM. Tijdens dit gesprek is aan de broers verteld dat [naam 1] de kroongetuigendeal had gesloten.
3.23.
In februari 2018 kregen [aantal] van de dertien eisers een [veiligheidsmaatregel]. [- 1] .
3.24.
Begin februari 2018 kregen de advocaten van [naam 1] te horen dat de kroongetuigendeal op 16 maart 2018 bekend zou worden.
3.25.
Begin februari 2018 vond een gesprek plaats tussen één van eisers en BB&C Midden-Nederland. Er werd afgesproken dat BB&C Midden-Nederland [veiligheidsmaatregel].
3.26.
Op [datum] vond een gesprek plaats tussen één van de andere eisers en BB&C Midden-Nederland [veiligheidsmaatregel].
3.27.
Op [datum] vond een gesprek plaats tussen BB&C Midden-Nederland en drie eisers. Dit gesprek ging over [veiligheidsmaatregel].
3.28.
Eind [datum] hoorden eisers van de advocaten van [naam 1] dat de kroongetuigendeal vóór 17 maart 2018 bekend zou worden.
3.29.
Op [datum] maart 2018 ging het OM akkoord met [veiligheidsmaatregel].
3.30.
Op [datum] maart 2018 werd [veiligheidsmaatregel].
3.31.
Op 8 maart 2018 stuurde RBBC Midden-Nederland aan BB&C Midden-Nederland een e-mailbericht met de vraag of het akkoord was dat [veiligheidsmaatregel].
3.32.
Op 12 maart 2018 verstrekte het DRIO Midden-Nederland een stuk aan BB&C Midden-Nederland over de werkwijze en dreiging van het CSV en de risico’s daarvan voor [naam 1] en zijn omgeving.
3.33.
Op 16 maart 2018 werden de vier kluisverklaringen die zien op de feiten waarvan [naam 6] werd verdacht, in zijn dossier gevoegd. Dezelfde dag vond een incident plaats waarbij duidelijk werd dat het CSV wilde dat [naam 1] zijn verklaringen zou intrekken en dat het CSV op zoek was naar één van de eisers.
3.34.
Op 16 maart 2018 waren [aantal] eisers ondergebracht in [land] met [veiligheidsmaatregel]. [Aantal] andere eisers waren ondergebracht in [land], met [veiligheidsmaatregel]. Voor [aantal] eisers waren geen maatregelen getroffen. [naam 7] had [veiligheidsmaatregel].
3.35.
Op 20 maart 2018 werd door RCCB Midden-Nederland aan het DRIO Midden-Nederland verzocht om een dreigingsinschatting te maken voor alle 40 personen op de lijst. Dit verzoek werd afgewezen, omdat de lijst willekeurig leek, de aanleiding niet helder was en het verzoek niet vanuit het bevoegd gezag kwam.
3.36.
Op 21 maart 2018 vond een gesprek plaats tussen BB&C Midden-Nederland en twee eisers voor wie nog geen beveiligingsmaatregelen waren getroffen.
3.37.
Op [datum] 2018 vond een overleg plaats tussen BB&C Midden-Nederland en een andere eiser voor wie nog geen beveiligingsmaatregelen waren getroffen. Deze eiser ging tijdens dit gesprek akkoord met [veiligheidsmaatregel] en [veiligheidsmaatregel].
3.38.
Op 23 maart 2018 maakte het OM op de eerste pro forma-zitting in het [proces] de kroongetuigendeal bekend. [Datum] ontving de hiervoor onder 3.37 genoemde eiser [veiligheidsmaatregel].
Het verloop na de bekendmaking van de kroongetuigendeal
3.39.
Op [datum] 2018 vond een intakegesprek plaats tussen BB&C Midden-Nederland en een eiser voor wie nog geen beveiligingsmaatregelen waren getroffen. Tijdens dit gesprek ontving deze eiser [veiligheidsmaatregel] en [veiligheidsmaatregel].
3.40.
Op [datum] 2018 vond ook een gesprek plaats tussen BB&C Midden-Nederland en de eiser die op [datum] 2018 [veiligheidsmaatregel]. Deze eiser vroeg [veiligheidsmaatregel].
3.41.
Op [datum] 2018 werden [veiligheidsmaatregel].
3.42.
Op 29 maart 2018 werd [naam 7] vermoord voor zijn bedrijf in Amsterdam. Direct hierop [veiligheidsmaatregel].
3.43.
Op 29 maart 2018 waren [aantal] eisers [veiligheidsmaatregel]. [aantal] andere eisers [veiligheidsmaatregel]. Voor [aantal] eisers [veiligheidsmaatregel] en [veiligheidsmaatregel]. [Aantal] van hen hadden inmiddels ook [veiligheidsmaatregel]. [naam 7] had ten tijde van de aanslag [veiligheidsmaatregel].
3.44.
Op 29 maart 2018 stelde DRIO Amsterdam een ‘informatierapport dreiging’ op. Dit rapport benoemde expliciet de voorstelbare dreiging richting eisers.
3.45.
Op 30 maart 2018 stelde DRIO Midden-Nederland een dreigingsinschatting op voor de directe omgeving van [naam 1] . Hieruit bleek dat de dreiging zich in de eerste plaats richtte tegen [naam 1] en in de tweede plaats tegen eisers. In de dreigingsinschatting werd vastgesteld dat er vanuit het CSV ‘een sterke intentie’ was om de dreiging in de richting van [naam 1] ten uitvoer te brengen en dat deze, bij gebreke aan toegang tot [naam 1] zelf, zich zou verplaatsen richting eisers. De uitkomst van de dreigingsinschatting kwam daarmee ten aanzien van eisers uit op ‘ernstig’ en ‘zeer waarschijnlijk’.
3.46.
In [datum] zijn alle eisers [veiligheidsmaatregel].
3.47.
Op 24 april 2018 werd een ‘Taskforce Bewaken en Beveiligen’ opgericht, specifiek gericht op de beveiliging van eisers.
3.48.
Op [datum] april 2018 vond in het buitenland een overleg plaats tussen BB&C Midden-Nederland en eisers over hun veiligheid.
3.49.
Op 7 mei 2018 werden de eerste zogenoemde maatregelenbrieven aan eisers gestuurd. In deze brieven gaf het OM per familielid aan welke beveiligingsmaatregelen de Staat kon treffen onder welke voorwaarden en wat de (werkgevers van de) familie zelf konden doen om hun veiligheid te waarborgen. Het primaire advies van de Staat was steeds om [veiligheidsmaatregel]. Als minder veilig alternatief werd– [- 2] – [veiligheidsmaatregel]. Aan enkele eisers is vanwege hun specifieke wensen nog de optie aangeboden om [veiligheidsmaatregel].
3.50.
Op [datum] ontvingen enkele eisers hun tweede maatregelenbrief omdat hun situatie was veranderd. [- 3] . In deze maatregelenbrieven werden ook de financiële toelagen voor deze eisers geïntroduceerd.
3.51.
In 2018 begon één van eisers een kort geding tegen de Staat waarin deze eiser financiële en praktische ondersteuning door de Staat vorderde voor een asielaanvraag. Deze vordering is bij vonnis van 9 oktober 2018 afgewezen.
3.52.
Op [datum] ontvingen vier eisers een derde maatregelenbrief omdat zij waren verhuisd naar een voor het OM onbekende locatie in [land]. Vanaf de eerste maatregelenbrief van 7 mei 2018 vond veelvuldig contact plaats tussen deze eisers en het OM.
3.53.
Op [datum 1] 2019 werd [naam 5] vermoord.
3.54.
In januari 2020 legden de toenmalige advocaten van eisers hun werk uit veiligheidsoverwegingen neer.
3.55.
Per brief van [datum] werd vanuit het College voor Procureurs-Generaal aan eisers medegedeeld dat er twee manieren zijn om op termijn een stabiele en veilige situatie voor eisers te creëren: (i) [veiligheidsmaatregel] of (ii) [veiligheidsmaatregel].
3.56.
Op [datum] ontvingen de onder 3.52 genoemde eisers een vierde maatregelbrief. Doordat zij geen inzicht wilden geven in waar zij verbleven, kon het OM slechts in algemene zin veiligheidsadviezen geven.
3.57.
In 2021 zijn twee eisers een kort geding gestart tegen de Staat. In deze procedure vorderden zij dat de Staat voor hen in Nederland een huis zou zoeken. Uiteindelijk is dit kort geding door hen ingetrokken.
3.58.
Op 9 maart 2021 stelden de onder 3.52 genoemde eisers de Staat aansprakelijk voor schending van zijn zorgplicht, gevaarzettend handelen en op basis van het gelijkheidsbeginsel.
3.59.
Op [datum 2] 2021 werd [naam 8] , op dat moment vertrouwenspersoon van eisers, vermoord.
3.60.
Op 16 juli 2021 legden de toenmalige (nieuwe) advocaten van eisers hun werk neer.
3.61.
Per brieven van 11 november 2021 en 13 januari 2022 hebben de overige eisers zich aangesloten bij de aansprakelijkstelling door de andere eisers van de Staat.
3.62.
Op 1 maart 2023 is het rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (hierna: de OVV) gepubliceerd over het onderzoek naar de aanslagen op [naam 7] , [naam 5] en [naam 8] . De OVV concludeert in dit rapport dat meerdere lessen te trekken zijn voor toekomstige beveiligingssituaties. Naar aanleiding van dit rapport heeft de minister van Justitie en Veiligheid excuses aangeboden aan eisers. Ook is opdracht gegeven om met eisers te praten over (financiële) compensatie. Deze gesprekken hebben plaatsgevonden en hebben geleid tot uitkering van bepaalde bedragen aan eisers, evenals vergoeding van advocaat- en deskundigenkosten.
4Het geschil
4.1.
Eisers vorderen, na wijziging eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a) voor recht verklaart dat gedaagden, door zich te gedragen zoals in de dagvaarding bedoeld, in hun relatie tot (ieder van) eisers het egalité-beginsel hebben geschonden, alsmede zich jegens (ieder van) eisers onrechtmatig gedragen en hebben gedragen in de periode vanaf 14 januari 2017;
b) gedaagden veroordeelt tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 januari 2017 en
gedaagden veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
Gedaagden voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering en veroordeling van eisers in de proceskosten.
4.3.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
Eisers stellen zich primair op het standpunt dat de Staat nooit de kroongetuigendeal met [naam 1] had mogen sluiten gelet op de veiligheidsrisico’s die daardoor voor eisers zouden ontstaan. Door dit alsnog te doen hebben gedaagden onrechtmatig gehandeld jegens eisers. Subsidiair stellen zij zich op het standpunt dat onrechtmatig jegens hen is gehandeld omdat onvoldoende veiligheidsmaatregelen zijn genomen om hen te beschermen en zij niet voldoende zijn gecompenseerd voor het nadeel dat zij lijden als gevolg van de kroongetuigendeal.
5.2.
De rechtbank zal hieronder deze verwijten bespreken ten aanzien van de Staat. Met betrekking tot de Politie concludeert de rechtbank dat de verwijten geen doel treffen. Dit legt zij hieronder eerst uit.
Ten aanzien van de Politie
5.3.
Eisers hebben in algemene zin gesteld dat de Politie (ook) aansprakelijk is voor het volgens hen onrechtmatig handelen en nalaten omdat de politie betrokken was bij de beslissing om met [naam 1] in gesprek te gaan en bij alle daaropvolgende stappen.
5.4.
De Politie heeft aansprakelijkheid op alle punten betwist en daartoe het volgende aangevoerd. De Politie is niet bevoegd om te onderhandelen over kroongetuigendeals of om kroongetuigendeals te sluiten en ook binnen het stelsel B&B handelt de Politie steeds onder verantwoordelijkheid van het OM. Voor zover de Politie betrokken was bij de verweten handelingen was dat alleen om uitvoering te geven aan beslissingen van het OM. Uit wat door eisers is aangevoerd volgt niet dat bij die uitvoering onrechtmatig is gehandeld. Dat verweer slaagt.
5.5.
Uit de kroongetuigenregeling (artikel 226g e.v. van het Wetboek van Strafvordering) volgt dat het OM het bevoegde gezag is om een regeling met een kroongetuige te treffen. Voor zover er sprake is van optreden van politie in dit kader, valt dit onder het gezag en de verantwoordelijkheid van het OM. Hetzelfde geldt voor het optreden van de politie in het kader van het stelsel B&B; dat valt op grond van de artikelen 2 en 12 van de Politiewet 2012 ook onder het gezag en de verantwoordelijkheid van het OM. Voor het handelen en nalaten dat volgens eisers jegens hen onrechtmatig was en is, is de Politie dus niet aansprakelijk. Dat de Politie betrokken was bij de uitvoering van beslissingen van het OM is daarvoor onvoldoende. De vorderingen worden daarom afgewezen jegens de Politie.
Ten aanzien van de Staat
Het sluiten van de kroongetuigendeal
5.6.
Eisers stellen zich in de eerste plaats kort gezegd op het standpunt dat het OM onrechtmatig handelde door met [naam 1] een kroongetuigendeal voor te bereiden en te sluiten. Zij stellen dat het OM onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen en dat bij een zorgvuldige belangenafweging tussen het belang van eisers enerzijds en het opsporingsbelang anderzijds, het belang van eisers zwaarder moest wegen en het kroongetuigentraject niet was ingezet en doorgezet. De Staat heeft dit betwist.
5.7.
Vooropgesteld wordt dat het OM – gezien haar plaats en taak in het Nederlandse rechtssysteem – een grote mate van beleidsruimte toekomt en dat de burgerlijke rechter slechts tot onrechtmatigheid van het handelen van het OM kan concluderen, indien de keuzes die het OM heeft gemaakt, in redelijkheid niet navolgbaar zijn. Dit geldt dus ook voor de vraag of het OM het gesprek en de deal met [naam 1] mocht aangaan.
5.8.
Op het moment waarop [naam 1] zich meldde bij de politie op 14 januari 2017 werd Nederland geconfronteerd met een ongekende geweldsgolf. In korte tijd werden meerdere personen geliquideerd, ook mensen die zelf niet actief waren in het criminele circuit. Deze liquidaties hadden (en hebben nog steeds) een grote impact op de samenleving. Het onderzoek naar de verantwoordelijken voor de liquidaties liep stroef. Toen [naam 1] zich meldde in januari 2017 en aangaf dat hij verklaringen kon afleggen over deze liquidaties en de organisatie die daarvoor verantwoordelijk was, gaf dit het OM een ongekende kans om te komen tot vervolging van leden van het CSV en daarmee nieuwe liquidaties te voorkomen. Het belang van het OM bij verklaringen van [naam 1] was dus groot.
5.9.
Het was ook in het belang van [naam 1] om met het OM te praten. Zoals blijkt uit meerdere stukken, waaronder de verklaring van de collega-advocaat van [naam 5] (productie 6 bij dagvaarding), zag [naam 1] op dat moment geen andere optie dan zich te melden bij de politie, omdat hij anders zou worden geliquideerd. Als hij toen uit angst voor liquidatie zou vluchten, zouden zijn naasten gevaar lopen.
5.10.
Aan het afleggen van verklaringen over het CSV zijn – voorzienbaar – ook risico’s verbonden, in de eerste plaats voor de getuige zelf. Het CSV zal trachten te zorgen dat de getuige zijn verklaringen intrekt en/of uit zijn op vergelding, ook om potentiële getuigen angst aan te jagen. Ook voor naasten bestaan er in dat verband risico’s, als aannemelijk is dat zij zullen worden benaderd of het doelwit worden omdat de getuige zelf onbereikbaar is. Het OM moet de veiligheidsbelangen van die naasten meewegen bij het nemen van een beslissing over een kroongetuigendeal. Dat is ook gebeurd (vgl. 3.7).
5.11.
De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat vanwege hun (veiligheids)belangen destijds had moeten worden besloten om niet met [naam 1] in gesprek te gaan over een kroongetuigendeal. In de stellingen van eisers in dit verband ligt besloten dat destijds duidelijk was of had moeten worden voorzien dat de familie van [naam 1] niet voldoende zou kunnen worden beschermd en/of dat de nadelen voor hen te groot zouden zijn. Daarvoor zijn onvoldoende aanwijzingen. De beslissing van het OM om met [naam 1] in gesprek te gaan, was in redelijkheid navolgbaar en jegens eisers niet onrechtmatig.
5.12.
Ook het verder voeren van gesprekken met [naam 1] en het uiteindelijk sluiten van de kroongetuigendeal was naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig jegens eisers. Eisers hebben daartoe aangevoerd dat de CTC weliswaar eind 2017 positief adviseerde over de deal, maar dat zij daarbij aannam dat beveiligingsmaatregelen waren genomen voor eisers terwijl dat niet zo was. Daaruit kan echter, anders dan eisers betogen, niet worden afgeleid dat de deal niet had mogen worden gesloten vanwege de belangen van eisers. Het is immers niet zonder meer duidelijk dat de CTC anders zou hebben geadviseerd als zij destijds had geweten dat nog geen maatregelen voor eisers waren getroffen. Het ligt veeleer in de rede dat dan was geadviseerd om de nodige maatregelen te nemen en niet, zoals nu is geadviseerd, om die voort te zetten. Het OM wist dat maatregelen moesten worden getroffen voor de veiligheid van eisers en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat het OM niet van plan was om die te treffen en/of dat dat niet tijdig meer kon worden gerealiseerd.
5.13.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat het OM de procedure zoals die in de kroongetuigenregeling is opgenomen heeft gevolgd en een weloverwogen afweging heeft gemaakt tussen de belangen van opsporing en vervolging, het belang van [naam 1] en de belangen van eisers. Bij die afweging speelde een grote rol dat de verklaringen van [naam 1] het OM een unieke kans boden om een ontwrichtend en zeer gewelddadig CSV strafrechtelijk aan te pakken. Uit de stukken en adviezen volgt echter dat ook acht is geslagen op de risico’s voor [naam 1] en zijn gezin, en op de risico’s voor eisers, waaronder het risico van doelwitsubstitutie. De rechtbank ziet onvoldoende grond om aan te nemen dat destijds de veiligheidsbelangen van eisers evident zwaarder hadden moeten wegen dan het belang van het OM bij de verklaringen van [naam 1] . Ook ten tijde van het sluiten van de kroongetuigendeal was immers niet duidelijk dat niet tijdig afdoende veiligheidsmaatregelen voor eisers zouden kunnen worden genomen.
5.14.
Eisers hebben terecht aangevoerd dat uit de adviezen van de CTC van begin 2017 en van het TGB van zomer 2017 volgt dat beveiligingsmaatregelen voor eisers op dat moment noodzakelijk werden geacht en dat het TGB meende dat die al getroffen waren. Vast staat ook dat op dat moment nog niets was geregeld en dat het vervolgens ook niet snel is opgepakt. Dat is een fout van het OM. Die fout maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat het OM de kroongetuigendeal niet had mogen sluiten.
5.15.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank van oordeel is dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld door het sluiten van de kroongetuigendeal met [naam 1] .
De vraag is vervolgens of de gevolgen van deze deal maken dat de Staat alsnog onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers.
De gevolgen van de kroongetuigendeal
Voldoende beveiligingsmaatregelen?
5.16.
Eisers hebben vervolgens aangevoerd dat het OM onvoldoende invulling heeft gegeven aan haar zorgplicht ten opzichte van eisers in de periode na het sluiten van de kroongetuigendeal met [naam 1] . Er zijn lange tijd geen en daarna onvoldoende veiligheidsmaatregelen genomen om eisers effectief te beschermen tegen de dreiging vanuit het CSV. Dit had volgens eisers moeten betekenen dat het OM de deal had moeten stopzetten. Door dat niet te doen heeft het OM volgens eisers ongeoorloofde risico’s genomen ten aanzien van hun leven. De Staat heeft dit betwist.
Juridisch kader
5.17.
In het kader van de zorgplicht van het OM wijzen eisers onder meer op de artikelen 2, 3 en 8 van het EVRM. Op grond van deze artikelen moeten de lidstaten kort gezegd het recht op leven (artikel 2), de lichamelijke integriteit (artikel 3) en het privé- en familieleven van burgers (artikel 8) beschermen.
5.18.
Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat lidstaten zich niet alleen moeten onthouden van schendingen van deze verdragsbepalingen, maar ook de positieve verplichting hebben om maatregelen te nemen om burgers beschermen. Die positieve verplichting heeft een procedurele en een materiële kant. De procedurele kant houdt in dat de lidstaat regelgeving moet invoeren om bescherming te bieden tegen bedreigingen van het recht op leven en de lichamelijke integriteit. Die regelgeving moet ook effectief worden gehandhaafd. De materiële kant betreft de plicht van de lidstaat om preventieve (feitelijke) maatregelen te nemen tegen een onmiddellijk gevaar voor het leven van een burger door geweld van een ander.
5.19.
De positieve verplichting van de Staat mag geen onmogelijke of disproportionele last zijn. Het is inherent aan politiewerk dat operationele keuzes moeten worden gemaakt, zowel wat betreft het stellen van prioriteiten als in het aanwenden van schaarse financiële en personele middelen. Daar komt bij dat menselijk gedrag onvoorspelbaar is; daarom kan niet van een lidstaat worden verwacht dat bij elk gesteld veiligheidsrisico maatregelen worden getroffen. Wanneer echter sprake is van een reëel en onmiddellijk risico voor het leven van een specifiek geïdentificeerd individu en de autoriteiten daarvan kennis hebben (of hadden moeten hebben), moeten de autoriteiten de maatregelen nemen die binnen hun bevoegdheden liggen en waarvan redelijkerwijs verwacht kan worden dat deze het risico kunnen afwenden.
5.20.
Zowel ten aanzien van de negatieve als de positieve verplichtingen heeft de Staat een margin of appreciation: de keuze van de te treffen maatregelen is overgelaten aan de nationale autoriteiten.
Een reëel en onmiddellijk risico?
5.21.
De eerste vraag is of sprake was van een reëel en onmiddellijk risico voor eisers op grond waarvan de Staat actie had moeten ondernemen. Dat is in geschil.
5.22.
Vast staat dat ten tijde van het sluiten van de kroongetuigendeal duidelijk was dat het CSV een uiterst gewelddadig samenwerkingsverband is. Dit was al duidelijk vanaf de start van de gesprekken met [naam 1] . Al uit het CTC onderzoek van januari 2017 bleek voorts dat sprake was van een concrete dreiging in de richting van eisers. De CTC benoemde immers dat de kroongetuigendeal risico’s zou opleveren voor eisers en dat het OM met eisers in gesprek moest gaan over de te nemen veiligheidsmaatregelen. Dat sprake was van een reële dreiging richting eisers volgt ook uit het advies van het TGB van augustus 2017, waarin stond dat op dat moment de waarschijnlijkheid van de dreiging voor eisers werd ingeschat als ‘hoog’ en de ernst van de dreiging als ‘ernstig’, en werd aangenomen dat al veiligheidsmaatregelen voor eisers waren getroffen. Naar het oordeel van de rechtbank wijst dat erop dat sprake was van een reëel en onmiddellijk risico voor eisers waarvan het OM wist. Op grond daarvan had de Staat dus zeker vanaf dat moment, augustus 2017, passende maatregelen moeten treffen.
5.23.
Het voorgaande geldt nog sterker voor de periode nadat in januari 2018 duidelijk werd dat [naam 2] waarschijnlijk de afzender was van een bericht uit januari 2017 over [naam 1] : “Hy weet iedereen gaat slapen als die my naam heeft genoemt”. In het advies van de Politie aan het beleidsteam [proces] van januari 2018 staat dat werd verwacht dat het CSV zou proberen om op eisers druk uit te oefenen zodat [naam 1] zijn verklaringen zou intrekken of anders over zou gaan tot vergeldingsacties. Ten slotte verstrekte het DRIO Midden-Nederland op 12 maart 2018 een stuk aan BB&C Midden-Nederland over de werkwijze en dreiging van het CSV en de risico’s daarvan voor [naam 1] en zijn omgeving.
Passende maatregelen?
5.24.
Bij de beoordeling van de vraag of de Staat passende maatregelen heeft getroffen en heeft voldaan aan zijn positieve verplichtingen jegens eisers in dat verband, stelt de rechtbank voorop dat het daarbij gaat om een inspanningsverplichting vanuit de Staat, niet om een resultaatsverplichting. De vraag is dus of de Staat zich voldoende heeft ingespannen om adequate veiligheidsmaatregelen voor eisers te nemen.
5.25.
De rechtbank stelt vast dat het OM vanaf het begin van de gesprekken met [naam 1] steken heeft laten vallen. Al vanaf het begin van het traject in januari 2017 werd door de CTC vastgesteld dat de deal risico’s zou opleveren voor eisers en dat het OM met hen in gesprek moest gaan over de te nemen veiligheidsmaatregelen. Dit is toen nog niet gebeurd. Vervolgens is door het TGB in augustus 2017 geadviseerd om de ‘bestaande veiligheidsmaatregelen te laten voortduren’. Op dat moment waren er echter nog geen veiligheidsmaatregelen voor eisers genomen en dat is vervolgens ook niet direct door het OM opgepakt. Ook het advies van de politie aan het beleidsteam [proces] in januari 2018 om het TGB contact te laten opnemen met eisers om hen in kennis te stellen van het risico en de beveiliging te regelen is niet opgevolgd, terwijl uit dit advies duidelijk naar voren kwam dat er rekening mee moest worden gehouden dat het CSV zou proberen om via eisers druk uit te oefenen op [naam 1] om zijn verklaringen in te trekken of anders over zou gaan tot vergeldingsacties. Ook het stuk van het DRIO Midden-Nederland van 12 maart 2018 heeft niet tot (versnelde) actie geleid.
5.26.
Na twee bijeenkomsten met (enkele) eisers in januari en februari 2017 is pas in januari 2018 weer contact opgenomen met eisers om met hen de veiligheidsmaatregelen te bespreken. Dit werd ingegeven doordat toen duidelijk was dat uiterlijk op 16 maart 2018 bekend zou worden dat [naam 1] een kroongetuige was. Vervolgens verliep de communicatie met eisers stroef. Het OM wist op dat moment dat zij nog enkele weken de tijd had om voor eisers afdoende veiligheidsmaatregelen te nemen tot aan het voegen van de stukken op 16 maart 2018. Zoals blijkt uit de hiervoor onder 3.34 genoemde samenvatting was er op 16 maart 2018 echter voor slechts enkele eisers iets geregeld, [- 4] . Voor [aantal] eisers waren nog geen veiligheidsmaatregelen genomen en voor [naam 7] alleen een AOL op zijn woning en kantoor. Ten tijde van de bekendmaking van de kroongetuigendeal op de pro forma zitting in [proces] was deze situatie ongewijzigd.
5.27.
Als het handelen van de Staat wordt afgewogen tegen de inhoud van de eerder genoemde rapportages en de urgentie die daaruit naar voren komt voor het nemen van adequate beveiligingsmaatregelen voor eisers, is het handelen van de Staat onvoldoende voortvarend geweest en heeft hij niet aan zijn inspanningsverplichting voldaan. Het OM had al eerder, grondiger en doortastender actie moeten ondernemen om eisers te beschermen. Eisers hadden daar ook om gevraagd, maar kregen daarop geen tijdige en adequate reactie. Daar komt bij dat uit het dossier blijkt dat eisers gedurende de hele periode niet tijdig zijn geïnformeerd over voor hen relevante informatie en onvoldoende zijn begeleid en ondersteund in dit voor hen ingrijpende proces. Gelet op al deze punten heeft de Staat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende invulling gegeven aan haar plicht om adequate veiligheidsmaatregelen voor eisers te nemen.
5.28.
De Staat heeft aangevoerd dat sprake was van tegenwerking, althans te weinig medewerking van één of meer eisers. Het is ook duidelijk dat overleg met eisers over beveiligingsmaatregelen stroef verliep. Dat kan echter niet wegnemen dat eerder en doortastender aandacht had moeten worden besteed aan de beveiliging van eisers om tot adequate maatregelen te komen. De Staat had duidelijker regie moeten voeren en concrete opties moeten aanbieden en dat heeft hij niet gedaan.
5.29.
De tussenconclusie is dan ook dat de Staat in ieder geval voorafgaand aan en ten tijde van bekendmaking van de deal op 23 maart 2018 niet heeft voldaan aan haar verplichting jegens eisers om passende maatregelen te nemen. Er is dan ook sprake van een schending van artikel 2 EVRM. Door onder deze omstandigheden alsnog de kluisverklaringen openbaar te maken op 23 maart 2018 heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens eisers. De gevorderde verklaring voor recht zoals genoemd onder a) zal dan ook in zoverre worden toegewezen.
5.30.
Eisers hebben verder aangevoerd dat de maatregelen die ná de bekendmaking van de deal zijn genomen, evenmin afdoende zijn geweest om hun veiligheid te waarborgen. Zij benoemen daarbij ook dat de communicatie met het OM erg stroef verliep. Zo geven zij aan dat zij meerdere malen niet werden meegenomen in de communicatie, dat plannen plotsklaps wijzigden en dat ze geen reactie kregen op concrete voorstellen van hun kant. De Staat heeft dit betwist.
5.31.
Tussen partijen is niet in geschil dat het OM na de moord op [naam 7] op 29 maart 2018 onmiddellijk actie heeft ondernomen. Het DRIO Amsterdam stelde op 30 maart 2018 een informatierapport dreiging op en het DRIO Midden-Nederland stelde op dezelfde dag een dreigingsinschatting op. [- 5] . Vervolgens is kort daarna een Taskforce opgericht die zich specifiek zou bezighouden met de beveiliging van eisers. Uit het feitenoverzicht blijkt ook dat het OM vanaf dat moment, dus na de aanslag op [naam 7] , zich actief heeft bezig gehouden met de veiligheidssituaties van eisers. Daarbij zijn verschillende voorstellen gedaan aan eisers om hun veiligheid zoveel mogelijk te kunnen garanderen en zijn eisers financieel ondersteund.
5.32.
Uit de stukken van eisers en uit hun toelichting tijdens de mondelinge behandeling blijkt duidelijk hun irritatie en frustratie over de gang van zaken met betrekking tot de voor hen te nemen veiligheidsmaatregelen. Dat is ook begrijpelijk. Zij hebben echter onvoldoende concreet, per eiser, aangegeven op welke punten het OM nu precies ná bekendmaking van de deal zou zijn tekortgeschoten jegens hen. Dat kan de rechtbank op basis van de huidige stukken inclusief de conclusie na de mondelinge behandeling, mede gelet op de betwisting van de kant van de Staat, niet vaststellen.
5.33.
Voor zover eisers betogen dat zij (allen) niet in het stelsel B&B ondergebracht hadden moeten worden, maar behandeld hadden moeten worden volgens het Stelsel Getuigenbescherming, gaat die stelling niet op en volgt daaruit in elk geval niet dat jegens ieder van hen onvoldoende maatregelen zijn getroffen. De Staat heeft uitgelegd waarom eisers niet zijn opgenomen in het Stelsel Getuigenbescherming, onder andere omdat de wensen van eisers (een leven kunnen leiden zoals voor de deal) niet verenigbaar zijn met het uitgangspunt van het Stelsel Getuigenbescherming (onvindbaar maken). Bovendien gaat het in deze zaak om de vraag of de daadwerkelijk genomen beveiligingsmaatregelen voldoende waren, ongeacht vanuit welk stelsel die genomen zijn. Eisers hebben onvoldoende concreet gemaakt welke andere concrete maatregelen verwacht mochten worden en door hen ook aanvaard zouden zijn.
5.34.
Eisers hebben in dit kader gewezen op het ‘life-for-life’-beginsel en voeren aan dat zij op grond daarvan recht hebben op een volwaardig (nieuw, vergelijkbaar) leven, in het buitenland of in Nederland. Dit zou hen ook zijn toegezegd door de Staat. Dat sprake zou zijn van een toezegging aan eisers op grond waarvan de Staat gehouden was om mogelijk te maken dat eisers een vergelijkbaar leven zouden kunnen (blijven) leiden als voor de kroongetuigendeal, is door de Staat betwist en door eisers onvoldoende onderbouwd. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 8 EVRM. Die bepaling strekt er in algemene zin toe dat inwoners hun privé- en gezinsleven moeten kunnen voortzetten, maar houdt geen dwingende verplichting in van de Staat om een gelijk ‘leven’ voor eisers mogelijk te maken op een nieuwe plek.
Tussenconclusie
5.35.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers door onvoldoende veiligheidsmaatregelen te nemen voordat de deal bekend werd gemaakt. Dit kan niet worden geconcludeerd voor de periode na de bekendmaking van de deal. Dan resteert de vraag of de Staat alsnog aansprakelijk is voor de gevolgen van de deal over deze periode, omdat hij eisers onvoldoende heeft gecompenseerd voor het door hen geleden (gestelde) onevenredige nadeel.
Egalité-aansprakelijkheid
5.36.
Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat de Staat op grond van het egalité-beginsel gehouden was de voor hen onredelijk bezwarende gevolgen van de kroongetuigendeal op te heffen en hen daarvoor volledig geldelijk te compenseren. De vergoeding die zij na de deal tot nu toe daarvoor van de Staat hebben ontvangen is onvoldoende geweest om dit nadeel op te heffen. De Staat had hen moeten compenseren op basis van het ‘life-for-life’-beginsel. Voor de omvang van de daadwerkelijke schade hebben eisers schadeoverzichten in het geding gebracht. Door deze werkelijke schade niet te vergoeden heeft de Staat alsnog onrechtmatig jegens hen gehandeld, aldus eisers. De Staat heeft dit betwist.
5.37.
Het égalitébeginsel is in de rechtspraak en de literatuur aanvaard als grondslag voor de verplichting van de overheid om nadeel te compenseren als bepaalde individuen of groepen door een op zichzelf gerechtvaardigde overheidsmaatregel in vergelijking met anderen onevenredig worden gedupeerd.
5.38.
De rechtbank stelt voorop dat de gevolgen van de kroongetuigendeal voor eisers levensontwrichtend zijn geweest. De Staat heeft dit ook op geen enkele manier ontkend. Er kan dan ook worden vastgesteld dat eisers onevenredig zijn benadeeld als een gevolg van de kroongetuigendeal. De rechtbank stelt voorts vast dat de Staat in de periode na de deal reeds hoge vergoedingen aan eisers heeft uitgekeerd om de voor hen nadelige gevolgen van de kroongetuigendeal te compenseren. Dat deze uitgekeerde vergoedingen onvoldoende compensatie zouden bieden voor het onevenredige, buiten het maatschappelijke risico vallende deel van de schade van eisers, is onvoldoende toegelicht. Uit de door eisers opgestelde schade-overzichten blijkt dat zij in dat kader bij hun berekeningen als uitgangspunt nemen dat zij elders een vergelijkbaar nieuw leven moeten kunnen leiden. Zoals hiervoor overwogen gaat de stelling van eisers dat de Staat daartoe gehouden is – hetzij op basis van een toezegging, hetzij op grond van artikel 8 EVRM – niet op. Ook in het kader van het égalité-beginsel geldt een dergelijke verplichting niet; de Staat is onder omstandigheden gehouden om onevenredig nadeel te compenseren, maar niet ieder nadeel. Dat betekent dat de Staat niet gehouden was de volledige schade zoals die is opgenomen in de schadeoverzichten aan eisers te vergoeden. Dat de Staat onevenredig (geldelijk) nadeel van eisers niet heeft gecompenseerd is onvoldoende onderbouwd.
5.39.
Dit betekent dat ook beoordeeld op deze grondslag niet kan worden vastgesteld dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers in de periode na bekendmaking van de kroongetuigendeal. De vordering met betrekking tot een verklaring voor recht over deze periode zal dan ook worden afgewezen.
Schade
5.40.
De Staat is aansprakelijk voor schade die het gevolg is van de hiervoor onder 5.29 vastgestelde schending van zijn verplichtingen jegens eisers in de periode tot aan bekendmaking van de kroongetuigendeal. Eisers vorderen in deze procedure niet een bedrag aan schadevergoeding, maar wel een veroordeling tot betaling van schadevergoeding die vervolgens, als partijen het daarover niet eens worden, in een andere procedure (de schadestaatprocedure) moet worden begroot. Om de vordering tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat te kunnen toewijzen moeten eisers in deze zaak de mogelijkheid dat zij schade lijden als gevolg van de vastgestelde schending van artikel 2 EVRM aannemelijk maken.
5.41.
Om te beoordelen of schade is of kan zijn/worden geleden moet de hypothetische situatie van eisers zonder die schending, dus als wél adequate veiligheidsmaatregelen voor eisers zouden zijn genomen tussen januari 2017 en 23 maart 2018, worden vergeleken met de situatie zoals die is geweest zonder adequate veiligheidsmaatregelen. Zoals door de Staat terecht naar voren gebracht, zouden eisers ook in die hypothetische (eerste) situatie geconfronteerd zijn met de gevolgen van de kroongetuigendeal en daarmee samenhangende, ingrijpende veiligheidsmaatregelen. Eisers zouden mogelijk minder angst en stress hebben ervaren doordat er meer adequate veiligheidsmaatregelen zouden zijn genomen en daarover in elk geval meer duidelijkheid bestond. De aanslag op [naam 7] was wellicht voorkomen.
5.42.
Zoals blijkt uit de toelichting van de Staat zijn daarmee samenhangende schadeposten, namelijk angstschade en schade in verband met de moord op [naam 7] , al aan eisers vergoed. Eisers hebben dit niet betwist en ook niet aangevoerd dat zij nog andere schade hebben geleden of nog (kunnen) lijden die voor vergoeding in aanmerking komt. Daarbij merkt de rechtbank op dat wat eisers hebben aangevoerd over vermogensschade door verlies aan inkomen, in dit verband niet relevant is omdat eisers ook in de hypothetische situatie niet hadden kunnen doorwerken. Omdat de mogelijkheid dat eisers schade hebben geleden of nog lijden die nog niet is vergoed niet aannemelijk is geworden wordt de vordering die strekt tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat afgewezen.
Conclusie
5.43.
Het gaande leidt ertoe dat alle vorderingen ten aanzien van de Politie worden afgewezen. De vordering ten aanzien van de Staat zal deels worden toegewezen, namelijk ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht over het handelen van de Staat jegens eisers tot het moment van bekendmaking van de deal. De overige vorderingen ten aanzien van de Staat zullen worden afgewezen.
5.44.
Gelet op deze uitkomst ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten van deze procedure te compenseren in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
verklaart voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers door onvoldoende beveiligingsmaatregelen te treffen voor eisers in aanloop naar en ten tijde van de bekendmaking van de kroongetuigendeal met [naam 1] ;
6.2.
wijst af het meer of anders gevorderde;
6.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp, mr. D.R. Glass en mr. V.C. Kool en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.