Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:17179

2026-06-03 Strafrecht 09.125044.25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-03
Publicatiedatum
2026-06-25
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
09.125044.25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vrijspraak seksueel binnen dringen van het lichaam van een minderjarige. Veroordeeld voor ontuchtige handelingen met een minderjarige. Overwegingen over de betrouwbaarheid verklaring van aangeefster en over steunbewijs. Oplegging 240 uren taakstraf en 6 maanden geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (43.551 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Strafrecht



Meervoudige kamer



Parketnummer: 09/125044-25



Datum uitspraak: 3 juni 2026



Tegenspraak



De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:






[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum 1] 1978 te [geboorteplaats] ( [land] ),
BRP-adres: [adres] te [woonplaats] .






1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 mei 2026 (inhoudelijke behandeling).


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. S.C. van der Leer naar voren is gebracht.





2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:


1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 juni 2023 tot en met 12 juni 2024 te Zoetermeer, althans in Nederland, met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2012, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te weten het brengen van zijn vinger(s) in haar vagina;



2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2024 te Zoetermeer, althans in Nederland, met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2012, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het masseren van de voet van die [aangeefster] en haar knuffelen en/of aaien over haar rug en/of zijn arm om haar buik leggen terwijl hij, verdachte, geen onderbroek droeg;



3
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juli 2024 tot en met 24 augustus 2024 te Zoetermeer, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het masseren van de voet van die [aangeefster] en haar knuffelen en/of aaien over haar rug en/of zijn arm om haar buik leggen terwijl hij, verdachte, geen onderbroek droeg.





3De bewijsbeslissing


3.1.
Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.




3.2.
Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit.




3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen


De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden in bijlage I opgenomen.




3.4.
Bewijsoverwegingen



Juridisch kader in zedenzaken

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de feiten waarvan de verdachte wordt beschuldigd. Kenmerkend voor zedenzaken is dat de verklaring van een betrokkene, die verklaart dat een verdachte het ten laste gelegde zedenfeit heeft begaan, vaak tegenover die van een verdachte staat, die dit ontkent. Getuigen van de beweerde gebeurtenissen zijn er over het algemeen niet. Ook in deze zaak is dat het geval.



In artikel 342 lid 2 Sv is bepaald dat de strafrechter het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend kan baseren op de verklaring van één getuige of aangever. Deze bepaling gaat over de tenlastelegging in haar geheel en niet slechts een onderdeel daarvan. Zij strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de strafrechter verbiedt om tot een bewezenverklaring te komen als de verklaring van één getuige of aangever over de feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.



In een geval als dit moet de strafrechter in de eerste plaats de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster beoordelen. Als dat het geval is, moet de strafrechter vervolgens beoordelen of er voldoende steunbewijs is voor die betrouwbaar geachte verklaringen.



Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de ten laste gelegde seksuele gedragingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Wel is vereist dat de verklaringen van de persoon die zegt slachtoffer te zijn op specifieke punten bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan die persoon die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaringen van die persoon (in dit geval: de aangeefster [aangeefster] ) en het overige bewijsmateriaal mag niet een te ver verwijderd verband bestaan.




Betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster

De verklaring van de aangeefster komt er in de kern op neer dat de verdachte gedurende een langere periode, waarin de aangeefster regelmatig als oppas en vriendin van het gezin bij de verdachte thuiskwam, meermalen ontuchtige of seksuele handelingen heeft verricht met de aangeefster. Uit de verklaring blijken drie situaties die los van elkaar staan.



De verdachte heeft allereerst verklaard dat de verdachte op 10 juni 2023 met zijn vinger de vagina van de aangeefster seksueel is binnengedrongen. Dit zou zijn gebeurd terwijl de aangeefster samen met de verdachte en zijn twee (slapende) zoons in de auto zat. Deze eerste situatie is als feit 1 ten laste gelegd. Zij heeft daarnaast verklaard dat de verdachte gedurende een langere periode meermalen bij haar in bed heeft gelegen, waarbij hij haar zou hebben geaaid terwijl hij meestal geen onderbroek droeg. Deze tweede situatie is als de feiten 2 en 3 ten laste gelegd, waarbij de officier van justitie de verdachte twee feiten heeft ten laste gelegd vanwege een wijziging in de wetgeving gedurende de pleegperiode. De aangeefster heeft ten slotte verklaard dat de verdachte tijdens een voetmassage in de jacuzzi de voet van de aangeefster over zijn geslachtsdeel zou hebben gewreven. Deze situatie is de verdachte eveneens in de feiten 2 en 3 ten laste gelegd.



De aangeefster is op 27 oktober 2024 door daartoe gecertificeerde zedenrechercheurs van de politie gehoord in een zogenaamde kindvriendelijke studio. Op 15 oktober 2025 is zij nogmaals in een studio gehoord door de politie, dit onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris. De rechtbank stelt vast dat de aangeefster bij deze gelegenheden gedetailleerd heeft verklaard over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verdachte de ten laste gelegde handelingen zou hebben begaan. De verklaringen zijn op essentiële punten gedetailleerd – waarbij de rechtbank ook haar jonge leeftijd in aanmerking neemt. De inhoud van de verklaringen van de aangeefster komen daarnaast authentiek op de rechtbank over. Aan die authenticiteit draagt bij dat de aangeefster verschillende keren benoemt dat zij het heel moeilijk vindt om over de gebeurtenissen te praten omdat ze bang is dat ze het gezin van de verdachte niet langer meer kan zien en ze aangeeft het gezin, met name de kinderen, heel erg te missen. Daarnaast heeft zij concreet verklaard over hoe zij de gebeurtenissen heeft ervaren en welke gevoelens deze bij haar opriepen. De verklaringen die zij heeft afgelegd over de hiervoor benoemde drie situaties, zijn verder naar het oordeel van de rechtbank op hoofdlijnen consistent. De verdediging heeft betoogd dat de aangeefster niet consistent heeft verklaard over het aantal keren dat de verdachte met zijn vinger in de vagina van de aangeefster zou zijn geweest. Aan die conclusie legt de verdediging ten grondslag dat zij bij het verhoor op 27 oktober 2024 heeft verklaard dat zij denkt dat het “tussen de 1 en 5 keer naar het strand” is gebeurd, terwijl zij bij het verhoor op 15 oktober 2025 heeft verklaard dat het één keer is gebeurd. De rechtbank overweegt dat uit de woordelijke uitwerking van het verhoor van 27 oktober 2024 niet volgt dat de aangeefster duidelijk en ondubbelzinnig heeft verklaard dat de verdachte tussen de 1 en 5 keer met zijn vinger in haar vagina is geweest. In het midden blijft of ze het heeft over het aantal keren dat zij met de verdachte en het gezin naar het strand is geweest of over het aantal keren dat hij bij haar zou zijn binnengedrongen. Bij het verhoor van 15 oktober 2025 heeft de aangeefster, na doorvragen van de verbalisanten, duidelijk en ondubbelzinnig verklaard dat het één keer is gebeurd toen zij alleen met de verdachte en zijn twee oudste kinderen naar het strand was geweest, maar dat ze ook meerdere keren met het gezin van de verdachte (inclusief de vrouw en het jongste kind van de verdachte) naar het strand is geweest. Anders dan de verdediging meent, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gezegd worden dat de aangeefster in het tweede verhoor is teruggekomen van hetgeen zij in het eerste verhoor heeft verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen sprake van een inconsistente verklaring die de betrouwbaarheid van de aangeefster zou aantasten.



Ook anderszins zijn er geen inconsistenties in de verklaringen van de aangeefster die maken dat die verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen worden gebruikt. Daarbij verdient nog opmerking dat het dossier geen feitelijke aanknopingspunten bevat voor het standpunt van de verdediging dat de verklaringen van de aangeefster op relevante punten zouden zijn beïnvloed door haar ouders en/of de praktijkondersteuner met wie zij voorafgaand aan het informatieve gesprek zeden en de verhoren heeft gesproken over de situatie. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat de aangeefster slechts wilde dat de verdachte zou stoppen, maar dat zij nooit had gewild dat het grotere gevolgen zou hebben voor de verdachte en de beide gezinnen.



Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de aangeefster in zijn geheel betrouwbaar en geloofwaardig is. Dit betekent dat haar verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt.




Steunbewijs

De rechtbank neemt dan ook de verklaring van de aangeefster over de drie situaties bij haar verdere beoordeling als uitgangspunt. Zij zal per situatie beoordelen of er voldoende steunbewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.



Ten aanzien van feit 1

Seksueel binnendringen van het lichaam

De verdachte heeft ontkend dat hij het lichaam van de aangeefster is binnengedrongen. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende steunbewijs voor dit feit bevat. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, kan de foto die is gemaakt in de auto van de verdachte niet als steunbewijs dienen. De foto ondersteunt weliswaar een deel van de verklaring van de aangeefster, namelijk dat zij met de verdachte en zijn kinderen die dag samen in de auto heeft gezeten. Dit ontkent de verdachte ook niet. Die foto alleen vormt echter, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende steun voor de verklaring van de aangeefster dat de verdachte bij die gelegenheid met zijn vinger in haar vagina is binnengedrongen. Van overig steunbewijs voor dit specifieke en naar haar aard meest verstrekkende deel van de verklaring van de aangeefster, is geen sprake. Gezien het voorgaande zal de rechtbank de verdachte daarom van dit feit vrijspreken.



Ten aanzien van de feiten 2 en 3

Ontuchtige handelingen slaapkamer

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster op specifieke en relevante punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, namelijk in de verklaring van de vader van de aangeefster en het app-gesprek tussen de aangeefster en de verdachte.



Uit de verklaring van de vader van de aangeefster blijkt dat de verdachte, toen hij met de beschuldigingen werd geconfronteerd tijdens het gesprek op 12 september 2024 tussen de ouders van de aangeefster en de verdachte en zijn echtgenote, heeft toegegeven dat hij meerdere malen naakt bij de aangeefster in bed is gekropen toen hij dronken was. De verdachte heeft tijdens dat gesprek ontkend dat dit tientallen keren is gebeurd, maar zei dat het slechts een paar keer is gebeurd. De rechtbank volgt niet het betoog van de verdachte dat de weergave van dit gesprek door de vader van de aangeefster niet klopt. De vader van de aangeefster heeft bij het informatief gesprek zeden gelijkluidend verklaard over dat de verdachte tijdens voornoemde gesprek heeft toegegeven dat hij bij de aangeefster in bed ging en dat hij een alcoholprobleem had. De verklaring van de vader van de aangeefster over het gesprek vindt daarnaast steun in de verklaring van de vrouw van de verdachte. Zo heeft zij verklaard dat de verdachte heeft bekend dat hij ’s avonds naar boven is gegaan naar de kamer van de aangeefster terwijl de rest van het gezin sliep. Tot slot vindt de verklaring steun in appcontact tussen de verdachte en de vader van de aangeefster op 13 september 2024, waarin de vader van de aangeefster de verdachte bedankt voor zijn ‘erkenning en emoties van het probleem’ en waarin de verdachte onder meer reageert met ‘nogmaals sorry’.



Ook de WhatsApp-berichten tussen de aangeefster en de verdachte ondersteunen de verklaring van de aangeefster. Uit de berichten blijkt dat de aangeefster klaar is met het gedrag van de verdachte en dat hij niet stopte wanneer zij herhaaldelijk ‘nee’ zei. De verdachte reageerde hierop met ‘sorry’ en ‘mag ik een laatste kans?’ Daarnaast geeft de aangeefster aan dat de verdachte aan zijn vrouw moet vertellen wat hij heeft gedaan, hoe vaak en hoe lang. Deze berichten passen bij de verklaring van de aangeefster over de ontuchtige handelingen.



De verdachte ontkent dat hij ontuchtige handelingen bij de aangeefster heeft gepleegd. Volgens de verdachte is hij maar één avond naar de logeerkamer gegaan om de aangeefster te plagen, onder meer met een waterpistool en door aan haar voeten te trekken. Van een seksuele benadering zou geen sprake zijn. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. De verdachte heeft immers tegenover niemand anders en eerder verklaard over dat plagen met een waterpistool en trekken aan de voeten, ook niet in het hiervoor genoemde gesprek tussen de verdachte, zijn vrouw en de ouders van de aangeefster. Bovendien passen de emoties van de aangeefster, zoals deze blijken uit het appcontact met de verdachte en uit het opvolgende besluit om aangifte te doen tegen de verdachte, niet bij het door de verdachte geschetste scenario waarbij slechts sprake zou zijn geweest van plagerijen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de aangeefster door naar buiten te komen met haar verklaring, veel op het spel heeft gezet. Zij was immers in de betreffende periode kind aan huis bij de verdachte en zijn gezin, was dol op zijn kinderen en zelfs peettante van het jongste kind van de verdachte. Gelet op het voorgaande schuift de rechtbank de verklaring van de verdachte terzijde.



De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van de aangeefster dat ziet op het aaien van de rug, terwijl de verdachte naakt bij haar in bed lag. Ten aanzien van het ten laste gelegde knuffelen en het om haar buik leggen van de arm stelt de rechtbank vast dat daarvoor geen steunbewijs is, nu de aangeefster hierover zelf niets heeft verklaard. De enkele verklaring van de vader van de aangeefster daarover is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van dat tenlastegelegde te komen. De rechtbank acht deze onderdelen dan ook niet bewezen.




Voetmassage in de jacuzzi

Het dossier bevat, anders dan de verklaring van de aangeefster, geen bewijsmiddelen die deze specifieke handeling door de verdachte ondersteunen. Bovendien, zou de rechtbank uitgaan van de verklaring van de aangeefster over deze handeling, dan is niet buiten gerede twijfel vast te stellen dat de handeling met ontuchtig oogmerk heeft plaatsgevonden. Gelet hierop kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen dat de verdachte op een ontuchtige manier de aangeefster heeft aangeraakt in de jacuzzi. Dit oordeel sluit aan bij het requisitoir van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman over deze situatie.




Tenlastegelegde perioden

Ten aanzien van de bewezenverklaarde perioden overweegt de rechtbank dat feit 3 is begaan in de tenlastegelegde periode en zal die periode dan ook ongewijzigd bewezen verklaren. Ten aanzien van feit 2 gaat de rechtbank uit van een andere periode dan ten laste is gelegd, namelijk de periode van 13 mei 2023 tot en met 30 juni 2024. Uit de verklaring van de verdachte volgt dat de aangeefster kort na de geboorte van zijn jongste dochter (zij is geboren op [geboortedatum 3] 2023) regelmatig bij hem thuis bleef slapen. De enkele omstandigheid dat op basis van het dossier niet exact vast te stellen valt wanneer de eerste ontuchtige handeling heeft plaatsgevonden en dat dit vermoedelijk na [datum] 2023 heeft plaatsgevonden, laat onverlet dat die handelingen in die periode hebben plaatsgevonden.




Conclusie: vrijspraak feit 1, (gedeeltelijke) bewezenverklaring feiten 2 en 3

De rechtbank acht de verklaring van de aangeefster in zijn geheel betrouwbaar en geloofwaardig. Voor het binnendringen van het lichaam (feit 1) ontbreekt voldoende steunbewijs. Het aaien over de rug van de aangeefster terwijl de verdachte naakt bij haar in bed kwam liggen (feiten 2 en 3), vindt naast de verklaring van de aangeefster voldoende steun in het dossier en wordt bewezen geacht. Voor het binnen dringen van het lichaam (feit 1), het knuffelen en het om haar buik leggen van de arm (feiten 2 en 3) ontbreekt voldoende steunbewijs.




3.5.
De bewezenverklaring


De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.



De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:



2
hij op een of meer tijdstippen in de periode 13 mei 2023 tot en met 30 juni 2024 te Zoetermeer, met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2012, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten die [aangeefster] te aaien over haar rug terwijl hij, verdachte, geen onderbroek droeg;



3
hij op een of meer tijdstippen in de periode 1 juli 2024 tot en met 24 augustus 2024 te Zoetermeer, met een kind (de rechtbank begrijpt: [aangeefster] ) in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten die [aangeefster] te aaien over haar rug terwijl hij, verdachte, geen onderbroek droeg.



Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.






4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde


Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.





5De strafbaarheid van de verdachte


De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.





6De strafoplegging


6.1.
De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering in haar rapport van 28 oktober 2025 heeft geadviseerd, met de aanvulling dat verdachte geen minderjarigen zal begeleiden binnen zijn rol als docent, dirigent of in andere functies waarin hij in contact komt met minderjarigen.




6.2.
Het standpunt van de verdediging


De verdediging heeft, in het geval van een bewezenverklaring, verzocht om een straf op te leggen die het voorarrest niet overstijgt.




6.3.
Het oordeel van de rechtbank


Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.




Ernst van het feit

De verdachte heeft zich gedurende een langere periode meermalen schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige en seksuele handelingen die bestonden uit het aaien van het slachtoffer terwijl hij naakt bij haar in bed kwam liggen. Deze handelingen vonden plaats terwijl het slachtoffer elf jaar oud was en bij de verdachte logeerde. Het slachtoffer heeft zich altijd veilig en vertrouwd gevoeld in de woning van de verdachte en een hechte band opgebouwd met de verdachte en zijn gezinsleden. Ondanks herhaaldelijk geuite grenzen en verzoeken om te stoppen, heeft de verdachte zijn handelen voortgezet. Het slachtoffer zag geen andere manier om de verdachte te laten stoppen dan om hem met zijn gedrag te confronteren en – op een later moment – met haar verklaring naar buiten te komen en aangifte tegen de verdachte te (laten) doen. Zoals ook blijkt uit haar verklaring, heeft zij hiertoe niet lichtvaardig besloten en zal dit besluit en de aanloop ernaartoe veel spanning en stress hebben veroorzaakt bij het slachtoffer en haar ouders. De rechtbank kent bij haar strafoplegging zwaarwegende betekenis toe aan de omstandigheden waaronder de verdachte is overgegaan tot zijn ontuchtige en seksuele handelingen en het misbruik dat hij daarbij heeft gemaakt van het door het slachtoffer in hem gestelde vertrouwen.



Met zijn handelen heeft de verdachte verder een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit van het destijds (zeer) jonge slachtoffer en daarmee haar (seksuele) ontwikkeling verstoord. Het is algemeen bekend dat slachtoffers nog langdurig nadelige, psychische gevolgen van dit soort delicten (kunnen) ondervinden, zoals ook is gebleken uit hetgeen het slachtoffer ter terechtzitting op bewonderenswaardige wijze naar voren heeft gebracht. De verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door zijn eigen verlangens en heeft geen oog gehad voor de lichamelijke integriteit en het welzijn van het slachtoffer. Ook kent de rechtbank aanzienlijke betekenis toe aan de omstandigheid dat hij niet alleen het vertrouwen van het slachtoffer heeft geschaad, maar ook dat van de ouders van het slachtoffer, die hun kind aan hem hebben toevertrouwd. Extra schrijnend voor het slachtoffer is dat de feiten hebben geleid tot een diepe beschadiging van de banden tussen haar gezin en dat van de verdachte.



Verder betrekt de rechtbank in het nadeel van de verdachte dat hij geen (begin van) verantwoordelijkheid voor zijn gedrag heeft genomen. De verdachte lijkt zich te hebben ingegraven in zijn eigen visie op de kwestie, waarbij een zekere openheid aanvankelijk, in het gesprek met de ouders van het slachtoffer, is verworden tot een steeds stelliger ontkenning van de zienswijze van het slachtoffer en beschuldiging van de ouders. Hoewel een dergelijk verloop voorstelbaar is, zeker in het kader van een strafprocedure en mogelijk ook ingegeven door schaamte, acht de rechtbank schrijnend dat de verdachte ter terechtzitting niet op enige manier een vorm van inleving in de beleving van het slachtoffer heeft kunnen laten zien.




Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 april 2025. Bij de strafoplegging komt daaraan geen betekenis toe.




Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 28 oktober 2025, waaruit volgt dat sprake is van een laag recidiverisico. Wel ziet de reclassering risicofactoren die hebben bijgedragen aan het delictgedrag, namelijk middelengebruik en het psychosociaal functioneren van de verdachte. De verdachte heeft inmiddels hulp gezocht voor zijn alcoholverslaving en onthoudt zich naar eigen zeggen sinds augustus 2024 van het gebruik van alcohol. De reclassering adviseert om bij veroordeling van de verdachte aan hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandelverplichting, een contactverbod en een verplichting tot het meewerken aan middelencontrole.




De strafoplegging

De rechtbank heeft acht geslagen op rechtspraak in vergelijkbare zaken waarin sprake is van ontuchtige en/of seksuele handelingen waarbij er sprake is geweest van aanraking door de verdachte van een minderjarig slachtoffer, zoals aaien en wrijven, zonder aanraking van de naakte geslachtsdelen.



De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 240 uren passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.



Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden op te leggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te verbinden, waarbij de rechtbank de door de reclassering in het kader van het contactverbod geadviseerde voorwaarde dat de verdachte geen minderjarigen zal begeleiden binnen zijn rol als docent, dirigent of in andere functies waarin hij in contact komt met minderjarigen, als afzonderlijke bijzondere voorwaarde aan de op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf zal verbinden. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.



De straf die de rechtbank oplegt, verschilt (deels) in soort en ook in duur van de straf die de officier van justitie heeft geëist. Dit is er in de eerste plaats in gelegen dat de rechtbank het als feit 1 ten laste gelegde binnendringen, juridisch gezien het meest ernstige feit, niet bewezen acht, terwijl de officier van justitie wel tot bewezenverklaring van dit feit kwam. Daarnaast acht de rechtbank gezien de rechtspraak in vergelijkbare gevallen een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de gegeven omstandigheden niet passend, hoe ernstig de bewezenverklaarde feiten ook zijn.






7De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel



[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 14.516,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Dit bedrag bestaat uit € 4.516,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade.



7.1
Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.




7.2
Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij – gelet op de bepleite vrijspraak – niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.



De verdediging heeft voorts de hoogte van de materiële schade betwist en de raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dat deze schade moet worden afgewezen. De raadsman heeft aangevoerd dat voor de schadeposten ‘danskamp’ en ‘EMDR’ de noodzaak en het rechtstreekse verband met het bewezenverklaarde onvoldoende vaststaat. Voor de schadepost ‘EMDR’ geldt bovendien dat (nog) niet vaststaat dat de kosten voor rekening van de benadeelde partij komen. Voor de post ‘paarden coaching’ heeft de raadsman aangevoerd dat het toekomstige schade betreft, waarvan de omvang onduidelijk is en ook niet verder geconcretiseerd kan worden.



Ten aanzien van de gestelde immateriële schade heeft de raadsman verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering of om de vordering ernstig te matigen.




7.3
Het oordeel van de rechtbank


De onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten zijn ieder voor zich aan te merken als onrechtmatig handelen zoals bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. De verdachte is daarom verplicht om de schade te vergoeden die de benadeelde partij als gevolg van deze feiten heeft geleden.




Materiële schade

De benadeelde partij heeft in beginsel recht op vergoeding van materiële schade, voor zover die schade rechtstreeks het gevolg is van het bewezenverklaarde door de verdachte gepleegde strafbare feit.



De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘danskamp’, is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat de benadeelde partij de kosten heeft gemaakt en rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten, ter grootte van € 551,-.



De rechtbank zal de benadeelde partij, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten ‘paarden coaching’ en ‘EMDR’, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Dit deel van de vordering heeft de benadeelde partij, in het licht van de betwisting door de verdediging, onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.




Immateriële schade

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin het recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Een van die gevallen is als sprake van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is daarvan in ieder geval sprake is als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld en dat dit letsel is voldoende causaal verband staat met het onrechtmatige handelen. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake, gezien de door de benadeelde partij onderbouwde gevolgen, waaronder PTSS.



Bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schade maakt de rechtbank gebruik van de per categorie genoemde bedragen in de Rotterdamse schaal en hanteert zij de door het LOVS vastgestelde aanbevelingen. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 10.000,- acht de rechtbank in dit geval billijk. De rechtbank stelt daarom de immateriële schade vast op het gevorderde bedrag.




Toegewezen schadevergoeding

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 10.551,-, bestaande uit € 551,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade.




Wettelijke rente

De vordering tot vergoeding van de wettelijke rente is gegrond op de wet en daarom toewijsbaar.



De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente met betrekking tot de toegewezen materiële schade toewijzen met ingang van 20 januari 2025. De factuur van de tweede betalingstermijn is gedateerd 20 januari 2025, zodat de financiële schade geacht wordt te zijn geleden op die datum.



De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente met betrekking tot de toegewezen immateriële schade toewijzen met ingang van 24 augustus 2024. Dit is de laatste datum van de bewezenverklaarde pleegperiode, zodat de immateriële schade in ieder geval vanaf dat moment geacht moet worden te zijn geleden.




Proceskosten

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.




Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 10.551,- Dit bedrag bestaat uit € 551,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2025 en uit € 10.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 augustus 2024. Voor beide bedragen geldt dat de wettelijke rente loopt tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .






8De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 247 (oud) en 247 van het Wetboek van Strafrecht.



Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.





9De beslissing


De rechtbank:



verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;



verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;



verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;



verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:




ten aanzien van feit 2:





met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;





ten aanzien van feit 3:





met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;




verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;



veroordeelt de verdachte tot:



een taakstraf voor de tijd van 240 (tweehonderdveertig) UREN;



beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 4 (vier) MAANDEN;



beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;



bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;



veroordeelt de verdachte voorts tot:



een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) MAANDEN;



bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;



en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2012, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

- gedurende de proeftijd geen minderjarigen zal begeleiden binnen zijn rol als docent, dirigent of in andere functies waarin hij in contact komt met minderjarigen;

- zich binnen 5 dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres Johanna Westerdijkplein 40 te Den Haag. De veroordeelde blijft zich gedurende de proeftijd melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;

- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is al gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;


geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;



voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:


- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;



Voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;




Vordering benadeelde partij

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 10.551,-, bestaande uit:


- € 551,- € 551,- materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald;

- € 10.000,- € 10.000,- immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 augustus 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;


veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;




Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.551,-, bestaande uit:


- € 551,- € 551,- materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] ;

- € 10.000,- € 10.000,- immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 augustus 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] ;


bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 77 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;



bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.




Dit vonnis is gewezen door
mr. J.L.E. Bakels, voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,
mr. J.G. Bruinsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. A.V. Sagarajah en V.J.J. van Mierlo, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juni 2026.