Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:17031

2026-06-15 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht SGR 24/9666
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-15
Publicatiedatum
2026-06-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 24/9666
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak. Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst. Voldoet niet aan de leeftjdseis.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.371 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 24/9666


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026 in de zaak tussen





[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres


en




de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
(gemachtigden: mr. S. Venema en mr. K. Verbeek van de Sociale Verzekeringsbank).




Inleiding


Bij besluit van 20 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een tegemoetkoming in de vorm van een eenmalig bedrag op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH) afgewezen.



Bij besluit van 25 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.



Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar dochter [dochter van eiseres] , en de gemachtigden van verweerder.



Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beoordeling door de rechtbank

1. Aan eiseres, geboren op [geboortedatum] 1946, is per augustus 2011 een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Daarbij heeft verweerder een korting van 2% toegepast, omdat eiseres over de periode van 1 augustus 1961 tot en met 9 december 1962 geen AOW heeft opgebouwd. Eiseres woonde in die periode in Suriname.

2. Eiseres heeft op 13 juli 2024 een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming op grond van het TBSH. Daarop heeft zij aangegeven dat zij op 16 december 1962 naar Nederland is gekomen om de opleiding verpleegkundige te gaan volgen.
Verweerder heeft deze aanvraag bij het primaire besluit afgewezen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en zich op het standpunt gesteld dat op het moment dat eiseres in Nederland is komen wonen zij nog geen 18 jaar of ouder was. Daarmee voldoet zij niet aan één van de voorwaarden om in aanmerking in aanmerking te komen van de tegemoetkoming van het TBSH.

4. Eiseres voert aan dat zij op 17 jarige leeftijd naar Nederland is gekomen zonder haar ouders om een opleiding voor verpleegkundige te volgen. Zij behoort tot de doelgroep om voor de tegemoetkoming in aanmerking te komen, omdat iedere maand 2% wordt gekort op haar AOW-uitkering en zij dus een AOW-gat heeft. Verder heeft eiseres er op gewezen dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij brief van 25 oktober 2024 aan haar heeft bericht dat zij het eenmalige bedrag van € 5.000,- krijgt toegekend.

5. Ingevolge artikel 3 van het TBSH heeft een persoon recht op een eenmalig bedrag, indien deze:
a. uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
b. voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
c. ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
d. op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.


6.1.
De rechtbank overweegt dat vaststaat dat eiseres op het moment dat zij in Nederland is komen wonen niet de leeftijd van 18 jaar had bereikt. Daarmee voldoet zij niet aan de voorwaarden om voor het eenmalig bedrag op grond van de TBSH in aanmerking te komen. De stelling van eiseres dat de gestelde leeftijdsvoorwaarde oneerlijk en onrechtvaardig is, slaagt niet. De Centrale Raad van Beroep heeft in haar uitspraken van 9 april 2026 en 11 juni 2026 geoordeeld dat de in de TBSH gestelde leeftijdsvoorwaarde de rechterlijke toets kan doorstaan en dat aan de leeftijdsvoorwaarde onlosmakelijk is verbonden dat degene die daar niet aan voldoet, niet in aanmerking komt voor de tegemoetkoming. Het is de rechtbank niet gebleken dat de toepassing van deze leeftijdsvoorwaarde in de situatie van eiseres onredelijk bezwarend uitpakt. Dat eiseres geconfronteerd wordt met een pensioengat vanwege een niet verzekerde periode maakt niet dat zij zich onderscheidt van andere aanvragers van de TBSH-tegemoetkoming. Ook de omstandigheid dat eisers, zoals zij ter zitting heeft aangevoerd, haar hele leven heeft gewerkt en premies heeft betaald, is niet dermate bijzonder dat dit maakt dat het bestreden besluit onevenredig is.



6.2.
Eiseres heeft met de verwijzing naar de brief van verweerder van 25 oktober 2024 een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Het is de rechtbank gebleken dat deze brief een algemene brief is en niet specifiek aan eiseres is gericht. Verder heeft verweerder aangegeven dat kort na het verzenden van de brief contact is opgenomen met eiseres en aan haar heeft meegedeeld dat de brief per ongeluk aan haar is verzonden. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiseres aan die brief niet het vertrouwen kon ontlenen dat zij (toch) in aanmerking zou komen voor de eenmalige tegemoetkoming.



6.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht de aanvraag voor de eenmalige tegemoetkoming op grond van de TBSH heeft afgewezen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.





Beslissing


De rechtbank verklaart beroep ongegrond.




Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026 door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.














griffier


rechter








Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





ECLI:NL:CRVB:2026:360 en ECLI:NL:CRVB:2026:765